ECLI:NL:RBDHA:2026:13112text/xmlpublic2026-05-26T09:00:292026-05-22Raad voor de RechtspraaknlRechtbank Den Haag2026-05-07AWB 26/515UitspraakEerste aanleg - enkelvoudigNLUtrechtBestuursrecht; VreemdelingenrechtRechtspraak.nlhttp://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:13112text/htmlpublic2026-05-22T08:58:132026-05-26Raad voor de RechtspraaknlECLI:NL:RBDHA:2026:13112 Rechtbank Den Haag , 07-05-2026 / AWB 26/515 Beëindiging EU-verblijfsrecht, Terugtrekkingsakkoord, Wlz-indicatie, familierechtelijke relatie, DNA-onderzoek, beroep gegrond.
RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: AWB 26/515
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 7 mei 2026 in de zaak tussen
[eiseres] , eiseres V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. J. van Koesveld), en de minister van Asiel en Migratie, de minister (gemachtigde: mr. I. Vugs). Inleiding en procesverloop 1. Eiseres is geboren in Somalië en heeft de Britse nationaliteit. Zij heeft zich in januari 2019 in Nederland gevestigd bij haar (gestelde) zus en zwager. Eiseres valt onder de regels van het Terugtrekkingsakkoord tussen de Europese Unie en het Verenigd Koninkrijk. De minister heeft vastgesteld dat zij voldeed aan het vereiste in artikel 8.12, eerste lid, aanhef en onder b, van het Vb. 1.1. Eiseres is op 1 mei 2023 verhuisd naar haar eveneens in Nederland wonende (gestelde) moeder. Met ingang van 2 februari 2024 heeft eiseres een bijstandsuitkering gekregen op grond van de Pw. Naar aanleiding van de bijstandsverlening is onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van het verblijf van eiseres op grond van artikel 8.16, eerste lid, van het Vb. 1.2. De minister heeft het verblijfsrecht van eiseres bij besluit van 14 november 2024 beëindigd met terugwerkende kracht vanaf 1 mei 2023. Met het bestreden besluit van 19 december 2025 op het bezwaar van eiseres is de minister bij dat besluit gebleven. 1.3. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. 1.4. De rechtbank heeft het beroep op 7 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiseres, de (gestelde) zus van eiseres en de gemachtigde van de minister. 1.5. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het bestreden besluit niet in stand kan blijven. Dit betekent dat eiseres gelijk krijgt. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Beoordeling door de rechtbank Het bestreden besluit 2. Het verblijfsrecht van eiseres is vanaf 1 mei 2023 beëindigd, omdat zij niet langer voldeed een de voorwaarde in artikel 8.12, eerste lid, aanhef en onder b, van het Vb. Eiseres had immers geen toegang meer had tot de financiële middelen van haar gestelde zus en zwager. Bovendien heeft zij een bijstandsuitkering aangevraagd en gekregen. De belangenafweging, zowel in het kader van paragraaf B10/2.8.4 van de Vc als artikel 8 van het EVRM, valt in het nadeel van eiseres uit. Bovendien heeft eiseres de familierechtelijke relatie met haar gestelde zus niet aangetoond. Zij draagt een andere achternaam dan eiseres en haar gestelde vader. Ook het feit dat eiseres ervoor heeft gekozen om naar het Verenigd Koninkrijk te gaan terwijl haar gestelde zus in Nederland woonde en haar gestelde moeder vermoedelijk in Noorwegen woonde, roept twijfels op over de familieband. Indien de familierechtelijke relatie wel wordt aangenomen is er geen sprake van bijkomende elementen van afhankelijkheid. Eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat alleen haar gestelde zus erop kan toezien dat zij haar medicatie inneemt. In de praktijk ziet de thuiszorg hier vooral op toe. Aan het indicatiebesluit op grond van de Wlz van 28 oktober 2022 komt niet de betekenis toe die eiseres daaraan hecht, omdat hieruit niet blijkt dat er op enig moment daadwerkelijk sprake is geweest van 24-uurszorg. Ook heeft eiseres niet aannemelijk gemaakt dat zij voor verdere behandeling aan Nederland is gebonden. Beoordeling gronden van beroep 3. Eiseres voert aan dat haar verblijfsrecht ten onrechte is beëindigd. De belangenafweging moet in haar voordeel uitvallen. Zij kampt met ernstige medische klachten en is onder mentorschap gesteld van haar zus. Eiseres kan niet functioneren zonder de aanwezigheid van haar zus, die ook nu in haar levensonderhoud voorziet en voor haar zorgt. De minister heeft nooit eerder aan de familierechtelijke relatie tussen eiseres en haar zus getwijfeld. De minister hoort rekening te houden met de gebrekkige documentatie in Somalië en het had daarom op zijn weg gelegen om DNA-onderzoek aan te bieden. 4. Het primaire standpunt van de minister dat het verblijfsrecht is beëindigd op het moment dat eiseres bij haar (gestelde) moeder ging wonen, namelijk op 1 mei 2023, volgt de rechtbank niet. De minister heeft onvoldoende gemotiveerd dat eiseres door de verhuizing geen toegang meer had tot de financiële middelen van haar (gestelde) zus en dat zij daardoor niet meer beschikte over voldoende middelen van bestaan (artikel 8.12, eerste lid, aanhef en onder b, van het Vb). De rechtbank acht hierbij van belang dat de (gestelde) zus gemotiveerd heeft toegelicht dat zij de verhuizing vanuit praktisch oogpunt heeft geïnitieerd. 4.1. Niet in geschil is dat eiseres vanaf 2 februari 2024 tijdelijk een bijstandsuitkering genoot en daardoor niet meer aan de in artikel 8.12, eerste lid, aanhef onder b, van het Vb neergelegde voorwaarde voldeed. 4.2. Alvorens tot verblijfsbeëindiging over te gaan dient de minister volgens paragraaf B10/2.8.4 van de Vc een belangenafweging te maken. Hierbij dient de minister onder meer de medische situatie en de gezinssituatie van de vreemdeling te betrekken. 4.3. De rechtbank is van oordeel dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd dat deze belangenafweging in het nadeel van eiseres uitvalt. Hierbij is het volgende van belang. Vaststaat dat eiseres lijdt aan paranoïde schizofrenie. Zij is naar Nederland gekomen omdat zij haar (gestelde) zus nodig had, die de Nederlandse nationaliteit heeft. De kantonrechter van de rechtbank Midden-Nederland heeft de (gestelde) zus van eiseres bij beschikking van 28 oktober 2022 tot haar mentor benoemd. Verder staat vast dat het CIZ eiseres bij besluit van 2 januari 2023 een Wlz-indicatie heeft toegekend. Dit betekent dat eiseres permanent toezicht of 24 uur per dag zorg in de nabijheid nodig heeft, en dat die behoefte blijvend is (artikel 3.2.1 van de Wlz). Van de zijde van eiseres is voldoende toegelicht dat zij om die reden inwoonde bij haar (gestelde) zus en nu inwoont bij haar (gestelde) moeder. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister dit onvoldoende in de belangenafweging betrokken. 4.4. Met betrekking tot het standpunt van de minister dat eiseres de familierechtelijke relatie met haar (gestelde) zus en (gestelde) moeder niet heeft aangetoond, overweegt de rechtbank als volgt. Gelet op de specifieke omstandigheden die hier aan de orde zijn, had het op de weg van de minister gelegen om op dit punt nader onderzoek te verrichten in de vorm van een gehoor of DNA-onderzoek. Niet alleen zijn eiseres en haar gestelde zus en gestelde moeder oorspronkelijk afkomstig uit Somalië, wat gevolgen heeft voor de mogelijkheden om originele documenten te bemachtigen waarmee de familierechtelijke relatie kan worden aangetoond, maar met name is van belang dat er tot dusverre – door verschillende instanties – steeds van is uitgegaan dat sprake is van familierechtelijke betrekkingen. De minister ging er immers van uit dat eiseres rechtmatig verblijf had omdat zij bij haar zus en zwager inwoonde, die over voldoende middelen beschikten en voor eiseres garant stonden. Ook heeft de kantonrechter de desbetreffende zus tot mentor benoemd. Als de minister nu niet langer wenst aan te nemen dat sprake is van familierechtelijke betrekkingen, dient hij op dit punt nader onderzoek te verrichten. Dit is niet gebeurd. 4.5. De rechtbank is verder van oordeel dat, mochten de familierechtelijke betrekkingen komen vast te staan, de minister ook opnieuw dient te beoordelen of sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid (artikel 8 van het EVRM). Hierbij dient hij te betrekken wat de rechtbank onder 4.3 heeft overwogen. 4.6. De beroepsgrond slaagt. De overige beroepsgronden behoeven geen bespreking. Conclusie en gevolgen 5. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit in strijd is met het zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. 5.1. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht dat de minister een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank geeft de minister hiervoor twaalf weken. 5.2. Omdat het beroep gegrond is moet de minister het griffierecht aan eiseres vergoeden en krijgt eiseres ook een vergoeding van haar proceskosten.
De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiseres een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden. Beslissing De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het besluit van 19 december 2025;
- draagt de minister op binnen twaalf weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar, met inachtneming van deze uitspraak;
- bepaalt dat de minister het griffierecht van € 200,- aan eiseres moet vergoeden;
- veroordeelt de minister tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiseres. Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J. Janssen, rechter, in aanwezigheid van mr. R.R. Nortier, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 7 mei 2026. griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Vreemdelingenbesluit 2000. Participatiewet. Vreemdelingencirculaire 2000. Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens. Wet langdurige zorg. Centrum Indicatiestelling Zorg. Zie Werkinstructie 2020/16, p. 6.