Menu

Filter op
content
PONT Klimaat

0

ECLI:NL:RBDHA:2026:13166

Bewaring, eerste beroep, 59a Vw, gebrek in voorfase maar eisers niet in belangen geschaad, wel proceskostenveroordeling, detentiegeschiktheid minderjarig kind, belang van de kinderen.

Rechtbank Den Haag 26 May 2026

Jurisprudentie – Uitspraken

ECLI:NL:RBDHA:2026:13166 text/xml public 2026-05-26T18:00:11 2026-05-22 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-05-19 NL26.25634, NL26.25612, NL26.25617 en NL26.25637 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Zwolle Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:13166 text/html public 2026-05-22T13:24:29 2026-05-26 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:13166 Rechtbank Den Haag , 19-05-2026 / NL26.25634, NL26.25612, NL26.25617 en NL26.25637
Bewaring, eerste beroep, 59a Vw, gebrek in voorfase maar eisers niet in belangen geschaad, wel proceskostenveroordeling, detentiegeschiktheid minderjarig kind, belang van de kinderen.
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Zwolle

Bestuursrecht

zaaknummers: NL26.25634, NL26.25612, NL26.25617 en NL26.25637
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaken tussen [eiser 1] en [eiser 2], V-nummers: [V-nummer 1] en [V-nummer 2], eisers
mede namens hun minderjarige kinderen [minderjarige 1] en [minderjarige 2], V-nummers: [V-nummer 3] en [V-nummer 4],

(gemachtigde: mr. A. Khalaf),

en
de minister van Asiel en Migratie,
(gemachtigde: mr. L.J.M. Rog).
Procesverloop
Bij besluiten van 6 mei 2026 (de bestreden besluiten) heeft de minister aan eisers de maatregelen van bewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vw opgelegd.

Eisers hebben tegen de bestreden besluiten beroep ingesteld. Deze beroepen moeten tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.

De minister heeft op 8 mei 2026 de maatregelen van bewaring opgeheven.

De rechtbank heeft het beroep op 13 mei 2026 op zitting behandeld. Eisers hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
1. Eisers stellen van Syrische nationaliteit te zijn en te zijn geboren respectievelijk op [geboortedatum 1] 1985, [geboortedatum 2] 1986, [geboortedatum 3] 2017 en [geboortedatum 4] 2019.

2. Omdat de bewaring is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eisers schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregelen van bewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. De rechtbank kan, indien de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring, aan eisers een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen.

Is er een gebrek in de voorfase?

Wat is het betoog van eisers?

3. Eisers betogen dat de maatregelen van begin af aan onrechtmatig is geweest, omdat er gebreken zijn geconstateerd in de voorfase. Zo kleeft er aan het proces-verbaal van binnentreden een gebrek, omdat deze niet de naam van de vader met de voorletter ‘[letter]’ bevat. Verder bevat het proces-verbaal van staandehouding/overbrenging/ophouding (M105) tegenstrijdigheden: enerzijds zou er wel sprake zijn van rechtmatig verblijf en anderzijds niet. De minister heeft een verkeerde grondslag gebruikt voor de ophouding en overbrenging. Dit had namelijk artikel 50a Vw moeten zijn.

Wat is het oordeel van de rechtbank?

4. Partijen zijn het erover eens dat er gebreken kleven aan de processen-verbaal van binnentreden en de M105. Het gebrek maakt de maatregel pas onrechtmatig als de met de maatregel gediende belangen niet in redelijke verhouding staan tot de ernst van het gebrek en de daardoor geschonden belangen. De rechtbank is van oordeel dat niet is gebleken dat eisers in hun belangen zijn geschaad. Het gebrek van het proces-verbaal van binnentreden is hersteld met het aanvullend proces-verbaal. Bovendien blijkt uit het proces-verbaal van binnentreden voldoende dat deze ook ziet op de vader ([eiser 1]). Ook zijn eisers niet in hun belangen geschaad doordat een verkeerde grondslag voor de ophouding is aangekruist. De aan de verschillende grondslagen verbonden gevolgen zijn immers hetzelfde in artikel 50, derde lid, en artikel 50a, eerste lid, van de Vw. Gelet hierop bestaat er geen grond voor het oordeel dat de belangen die met de bewaring zijn gediend, niet in redelijke verhouding staan tot de ernst van het geconstateerde gebrek. De rechtbank zal verweerder vanwege het geconstateerde gebrek en het slagen van deze beroepsgrond, wel veroordelen in de proceskosten.

Welke gronden zijn aan de maatregel van bewaring ten grondslag gelegd?

5. In de maatregel van bewaring heeft de minister overwogen dat de maatregel nodig was, omdat een concreet aanknopingspunt bestond voor een overdracht als bedoeld in de Dublinverordening en een significant risico bestond dat eisers zich aan het toezicht zouden onttrekken. De minister heeft als zware gronden vermeld dat eisers:3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze zijn binnengekomen, dan wel een poging daartoe hebben gedaan;3k. een overdrachtsbesluit hebben ontvangen en geen medewerking verlenen aan de overdracht aan de lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van hun asielverzoek;en als lichte gronden vermeld dat eisers:4a. zich niet aan een of meer andere voor hen geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb hebben gehouden;4c. geen vaste woon- of verblijfplaats hebben;4d. niet beschikken over voldoende middelen van bestaan.

6. Tijdens de zitting heeft de minister laten weten dat hij de lichte grond 4a niet langer handhaaft.

Kunnen de gronden de maatregel in beginsel dragen?

Wat is het betoog van eisers?

7. Eisers bestrijden alle gronden. Zij voeren met betrekking tot de zware grond 3a aan dat de feitelijke juistheid onvoldoende is omdat er geen individuele toets is geweest. Er moet daarnaast bij deze grond worden gekeken naar het binnentreden op het grondgebied. Ten aanzien van zware grond 3k voeren eisers aan dat dit geen vaststaand feit is, omdat de discussie hierover nog bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) loopt. Eisers hebben ook de lichte gronden met enige motivering betwist.

Wat is het oordeel van de rechtbank?

8. De rechtbank stelt vast dat de Afdeling in november vorig jaar uitspraak heeft gedaan in hoger beroep tegen de door eisers aangehaalde uitspraak. In deze uitspraak komt de Afdeling onder r.o. 4 e.v. tot een andere kijk op de feitelijke vaststelling van bewaringsgronden in relatie tot de restrictieve uitleg die artikel 6 van het EU Handvest vereist in situaties waarin vreemdelingenbewaring is toegestaan. De Afdeling concludeert uiteindelijk tot vernietiging van de aangehaalde uitspraak. Deze enkelvoudige kamer van de rechtbank ziet geen reden om van de door de Afdeling uiteengezette lijn af te wijken of om hierover prejudiciële vragen te stellen. Overigens is de rechtbank van oordeel dat de minister in de voorliggende maatregel niet louter heeft volstaan met een feitelijke vaststelling van gronden, maar een op de persoon toegespitste motivering heeft gemaakt. Eisers hebben bovendien niet betwist dat hij zonder visum Nederland is binnen gereisd. Ook is het feitelijk juist dat er een overdrachtsbesluit is en eisers niet hebben meegewerkt aan de overdracht. Er was namelijk een overdracht gepland en eisers waren op het moment van de overdracht niet aanwezig. Dat eisers hoger beroep hebben ingesteld tegen de verlenging van de overdrachtstermijn maakt het feit dat eisers niet aanwezig waren op het tijdstip van de overdracht niet anders. Deze beroepsgrond slaagt niet. De zware gronden zijn voldoende om de maatregel te kunnen dragen. Wat verder nog is aangevoerd over de overige gronden behoeft daarom geen bespreking.

Heeft de minister voldoende onderbouwd dat dochter [minderjarige 2] detentiegeschikt is?

Wat is het betoog van eisers?

9. Eisers betogen dat dochter [minderjarige 2] autistisch is en psychische klachten heeft. De ernst van die medische situatie is door de minister niet ingezien. De minister had een BMA advies moeten vragen om de gevolgen van de bewaring voor dochter [minderjarige 2] in kaart te brengen en dat heeft hij niet gedaan. Volgens eisers heeft de minister niet onderbouwd in de maatregel dat dochter [minderjarige 2] detentiegeschikt is.

Wat is het oordeel van de rechtbank?

10. Zoals blijkt uit vaste rechtspraak van de Afdeling is het aan de vreemdeling om aan te tonen dat hij detentieongeschikt is. Daarvan is sprake indien vaststaat dat de in detentie beschikbare medische zorg in het geval van de vreemdeling niet toereikend is. Ook kan sprake zijn van detentieongeschiktheid indien is aangetoond dat de vreemdeling niet in staat is de inbewaringstelling op verantwoorde wijze te ondergaan of wanneer zijn psychische omstandigheden in detentie door gebrek aan medische zorg zullen verslechteren. Naar het oordeel van de rechtbank hebben eisers niet met stukken aangetoond dat van (één van) die omstandigheden in het geval van dochter [minderjarige 2] sprake is. Dat maakt ook dat de minister terecht onvoldoende aanknopingspunten heeft gezien voor het vragen van een BMA advies. Niet is komen vast te staan dat dochter [minderjarige 2], indien nodig, niet in detentie kan worden behandeld en daar de inbewaringstelling op verantwoorde wijze kan ondergaan. De minister heeft dit ook in de maatregel van bewaring voldoende gemotiveerd. Deze beroepsgrond slaagt niet.

Heeft de minister voldoende rekening gehouden met de belangen van de kinderen?

Wat is het betoog van eisers?

11. Volgens eisers heeft de minister onvoldoende de belangen van de kinderen, in het bijzonder dochter [minderjarige 2], betrokken bij het opleggen van de maatregel van bewaring.

Wat is het oordeel van de rechtbank?

12. De minister heeft de belangen van de kinderen voldoende gemotiveerd betrokken bij het opleggen van de maatregel van bewaring. Hij heeft daarbij meegewogen dat het gezin bij elkaar kan blijven en dat het gezin wordt opgevangen in een gezinslocatie waar extra waarborgen zijn voor minderjarige kinderen. Ook zijn de medische en psychische omstandigheden beoordeeld en daarbij heeft de minister kunnen concluderen dat de medische voorzieningen tijdens de bewaring gelijkwaardig zijn aan de voorzieningen buiten detentie. Deze belangen heeft de minister afgezet tegen het risico dat het gezin zou onderduiken, welk risico hij ook voldoende heeft onderbouwd. Gezien het feit dat het gezin eerder niet bij een overdracht aanwezig was, heeft de minister terecht het onderduikingsrisico zwaarder laten wegen ten opzichte van de reeds gewaarborgde belangen van de minderjarige kinderen. Deze beroepsgrond slaagt niet.

Het overige.

13. Wat eisers hebben aangevoerd over de Dublinprocedure en de verlengingen van de uiterste overdrachtsdatum speelt geen rol van betekenis bij de beoordeling van de maatregel van bewaring en zal de rechtbank daarom verder onbesproken laten.

Conclusie en gevolgen

14. Het beroepen zijn ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

15. Vanwege het in rechtsoverweging 5 vastgestelde gebrek, veroordeelt de rechtbank de minister in de door eisers gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,00 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).
Beslissing
De rechtbank:

- verklaart de beroepen ongegrond;- wijst de verzoeken om schadevergoeding af;- veroordeelt de minister in de proceskosten van eisers tot een bedrag van € 1.868,00.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.P. van Eerde, rechter, in aanwezigheid van

C. Holmond, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Vreemdelingenwet 2000.

Op grond van artikel 106 van de Vw.

ECLI:NL:RVS:2025:5262.

Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 11 april 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1162.

Artikel delen