Menu

Filter op
content
PONT Klimaat

0

ECLI:NL:RBDHA:2026:13227

Dublin Kroatië. Gezin met twee minderjarige kinderen. Uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel t.a.v. Kroatië. In dit geval spelen echter specifieke medische omstandigheden bij zowel eiser als dochter waardoor de minister niet zonder nader onderzoek naar deze specialistische behandeling kon stellen dat overdracht niet in strijd is met het arrest C.K. Beroep gegrond. De rechtbank draag...

Rechtbank Den Haag 29 May 2026

Jurisprudentie – Uitspraken

ECLI:NL:RBDHA:2026:13227 text/xml public 2026-05-29T18:00:21 2026-05-22 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-05-22 NL26.16386 en NL26.16388 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Zwolle Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:13227 text/html public 2026-05-22T16:32:56 2026-05-29 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:13227 Rechtbank Den Haag , 22-05-2026 / NL26.16386 en NL26.16388
Dublin Kroatië. Gezin met twee minderjarige kinderen. Uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel t.a.v. Kroatië. In dit geval spelen echter specifieke medische omstandigheden bij zowel eiser als dochter waardoor de minister niet zonder nader onderzoek naar deze specialistische behandeling kon stellen dat overdracht niet in strijd is met het arrest C.K. Beroep gegrond. De rechtbank draagt de minister op om een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak.

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Zwolle

Bestuursrecht

zaaknummers: NL26.16386 en NL26.16388
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaken tussen
<?linebreak?> [eiser 1] en [eiser 2], V-nummers: [V-nummer 1] en [V-nummer 2],
Mede namens hun minderjarige kinderen,

[minderjarige 1] en [minderjarige 2], V-nummers: [V-nummer 3] en [V-nummer 4], eisers

(gemachtigde: mr. A. Khalaf),

en
de minister van Asiel en Migratie, de minister
(gemachtigde: mr. C.R. Stoute).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van eisers tegen het niet in behandeling nemen van de aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvragen met de bestreden besluiten van 18 maart 2026 niet in behandeling genomen omdat Kroatië verantwoordelijk is.
1.1.
De rechtbank heeft de beroepen op 19 mei 2026 op zitting tezamen met het verzoek om voorlopige voorzieningen, die zijn geregistreerd onder kenmerk NL25.16387 en NL26.16389, behandeld. Hieraan hebben de gemachtigde van eisers en de gemachtigde van de minister deelgenomen.
Beoordeling door de rechtbank
2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvragen van eisers. Zij doet dat aan de hand van de argumenten die eisers hebben aangevoerd, de beroepsgronden.

3. De rechtbank verklaart de beroepen gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Totstandkoming van het besluit

4. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening. Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. In dit geval heeft Nederland bij Kroatië een verzoek om terugname gedaan. Kroatië heeft dit verzoek aanvaard.

Is overdracht in strijd met de internationale verplichtingen?

Wat is het standpunt van eisers?

5. Eisers voeren aan dat in hun specifieke geval niet uit kan worden gegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Kroatië vanwege de medische omstandigheden die spelen binnen het gezin. Hoewel niet in geschil is dat in zijn algemeenheid kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel wijzen eisers op het AIDA-rapport en een rapport van De Swiss Refugee Council waaruit volgt dat toegang tot gezondheidszorg in Kroatië problematisch blijft. Het AIDA-rapport vermeldt tevens dat medische dossiers bij overdrachten vaak niet werden meegestuurd, waardoor voortzetting van behandeling werd vertraagd en de continuïteit van zorg werd doorbroken.
5.1.
Daarnaast doen eisers een beroep op het arrest C.K. van het Hof van Justitie. Eisers stellen dat overdracht aan Kroatië een reëel en bewezen risico oplevert van een aanzienlijke en onomkeerbare achteruitgang van [minderjarige 2] haar medische situatie. Eisers voeren aan dat het BMA om advies had moeten worden gevraagd. Ook eiser staat onder actieve medische behandeling en heeft kort voor het bestreden besluit een ingreep gehad.
5.2.
Tot slot voeren eisers aan dat een concrete belangenafweging over het belang van het kind ontbreekt in de besluitvorming.

Wat is het standpunt van de minister?

6. De minister stelt zich hierover op het standpunt dat hij mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Ten aanzien van het beroep op het arrest C.K. stelt de minister dat de overgelegde informatie niet ingaat op de gevolgen van een overdracht waardoor ook het BMA niet om advies gevraagd hoefde te worden.

Wat is het oordeel van de rechtbank?

7. De minister mag in beginsel ten opzichte van Kroatië uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Dit beginsel betekent dat lidstaten erop mogen vertrouwen dat de andere lidstaten de vreemdeling in overeenstemming met het EVRM, het Vluchtelingenverdrag en het Unierecht zullen behandelen. De Afdeling heeft dit voor Kroatië nog bevestigd in de uitspraak van 20 augustus 2025. Het is aan eisers om met concrete aanwijzingen aannemelijk te maken dat zij bij overdracht aan Kroatië, als gevolg van het niet nakomen van internationale verplichtingen door de Kroatische autoriteiten, een reëel risico zullen lopen op een met artikel 3 van het EVRM en artikel 4 van het Handvest strijdige behandeling. Daarvoor kunnen zij objectieve informatie over de werking van het asiel- en opvangsysteem in Kroatië overleggen of verklaringen afleggen over hun eigen ervaringen aangaande het asiel- en opvangsysteem in Kroatië.
7.1.
Eisers hebben naar het oordeel van de rechtbank niet aannemelijk gemaakt dat Kroatië in hun specifieke geval de internationale verplichtingen schendt. Eisers hebben hun stelling dat daarvan sprake is niet onderbouwd met stukken die hen persoonlijk betreffen, bijvoorbeeld over hun asielprocedure in Kroatië. Eisers hebben slechts drie dagen in Kroatië verbleven voordat zij doorreisden naar Nederland. De passages uit het AIDA-rapport en het rapport van de Swiss Refugee Counsil waar eisers naar verwijzen zijn naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende voor de conclusie dat Kroatië zijn verplichtingen niet nakomt. Allereerst geeft het AIDA-rapport, update 2024, van augustus 2025, geen wezenlijk ander beeld dan het eerdere AIDA rapport, update 2023, waarover de Afdeling al heeft geoordeeld. De rechtbank wijst daarbij op de uitspraken van deze rechtbank, zittingsplaats Utrecht van 29 september 2025 en 24 oktober 2025 en deze rechtbank, zittingsplaats Zwolle van 23 oktober 2025. Uit het AIDA-rapport blijkt overigens juist dat ook kinderen met ontwikkelingsproblemen zijn overgedragen aan Kroatië en dat daar zorg voor beschikbaar is. Niet is gebleken dat zich problemen rondom overdracht van gegevens voordoen vanuit Nederland. Daarnaast kan door eisers toestemming worden gegeven voor de uitwisseling van medische gegevens. Verder is niet gebleken dat als er een vertraging in de overdracht van medische gegevens binnen Kroatië plaatsvindt hoe groot die vertraging is, en in hoeverre dat een effectieve voortzetting van een medische behandeling schaadt.
7.2.
In dit kader mag de minister zich in beginsel ook op het standpunt stellen dat er van mag worden uitgegaan dat de medische voorzieningen in Kroatië vergelijkbaar zijn met die in Nederland, dat Kroatië in staat moet worden geacht de medische klachten van eisers te kunnen behandelen en dat eisers na aankomst in Kroatië toegang hebben tot de nodige behandeling.
7.3.
Uit het arrest C.K. volgt echter dat sprake kan zijn van een behandeling in strijd met artikel 4 van het Handvest zelfs indien niet ernstig gevreesd moet worden voor systeemfouten in de verantwoordelijke lidstaat. Tegen die achtergrond ligt het op de weg van eisers om de ernst van de medische situatie met objectieve gegevens te onderbouwen en aan de hand daarvan toe te lichten waarom de overdracht aanzienlijke onomkeerbare gevolgen zal hebben. Het is, indien dit het geval zou kunnen zijn, aan de autoriteiten van de lidstaat om iedere ernstige twijfel over de weerslag van de overdracht op de gezondheidstoestand van de betrokkene weg te nemen. In het bijzonder wanneer er sprake is van een ernstige psychische aandoening, mag daarbij niet worden volstaan met te kijken naar de gevolgen van het fysieke vervoer van de betrokkene van een lidstaat naar een andere, maar moet rekening worden gehouden met alle aanzienlijke en onomkeerbare gevolgen die uit de overdracht zouden voortvloeien. De autoriteiten moeten in dat verband nagaan of de gezondheidstoestand van de betrokken persoon passend en voldoende kan worden beschermd door voorzorgsmaatregelen te treffen.
7.4.
Bij eisers speelt een aantal medische omstandigheden een rol. Bij eiser ([eiser 1]) is een week vóór het bestreden besluit, bij de afdeling Cardiologie van het Amphia ziekenhuis een percutane coronaire interventie van de LAD verricht waarbij twee stents zijn geplaatst. Deze recente specialistische behandeling is niet in de besluitvorming betrokken. Bij dochter [minderjarige 2], die prematuur is geboren, speelt ontwikkelingsproblematiek in combinatie met een vastgestelde autismespectrumstoornis. [minderjarige 2] ervaart hierdoor duidelijke beperkingen in haar dagelijks functioneren.

De rechtbank stelt in dit kader vast dat volgende (medische) documenten deel uitmaken van het dossier:

Samenvatting dossier van het Amphia ziekenhuis Breda t.a.v. eiser;

Dossiergegevens van [minderjarige 2];

Van Wiechen Ontwikkelingsonderzoek t.a.v. [minderjarige 2];

Rapportage van de GGD t.a.v. van [minderjarige 2] van 27 november 2025 waarin onder meer melding wordt gemaakt van een toekenning jeugdhulp op 11 november 2025 door de gemeente;

Onderzoeksverslag van Inara jeugdhulp t.a.v. [minderjarige 2] van 11 februari 2026.

Uit deze stukken volgt het volgende. Op 11 maart 2026 heeft eiser een ingreep ondergaan op de afdeling Cardiologie van het Amphia ziekenhuis. Blijkens het dossier is de procedure ongecompliceerd verlopen en hij is op diezelfde dag ontslagen uit het ziekenhuis. [minderjarige 2] is prematuur (drie maanden te vroeg) geboren waardoor sprake is van een ontwikkelingsachterstand. Daarnaast is bij haar een autismespectrumstoornis vastgesteld waardoor zij substantiële ondersteuning nodig heeft en waarbij sprake is van duidelijke beperkingen in het dagelijks functioneren. De autismespectrumstoornis wordt gespecificeerd door een taalstoornis en een medische of genetische conditie of omgevingsfactor: de vroeggeboorte. Inara heeft in het onderzoeksverslag adviezen gegeven voor zowel thuis als op school. Hieronder vallen bijvoorbeeld het bieden van structuur, het voorkomen van overprikkeling, een alternatief aanbieden bij het plots veranderen van de situatie en extra tijd geven bij het schakelen tussen situaties. Ook het rekening houden met rituelen die haar veiligheid bieden, een vaste plek in de klas en emotioneel neutraal reageren op haar gedrag wordt genoemd.
7.5.
De rechtbank stelt vast dat deze informatie aanknopingspunten biedt voor de conclusie dat mogelijk sprake is van ernstige medische omstandigheden waardoor de overdracht aanzienlijke onomkeerbare gevolgen zal hebben. Het gaat in het geval van [minderjarige 2] om een kwetsbaar kind dat prematuur is geboren waarbij is vastgesteld dat sprake is van een ontwikkelingsachterstand en autisme en waarvoor blijkens het dossier van de GGD jeugdhulp is toegekend door de gemeente onder de productcodes 45JHR en 54GSR. Dit zou kunnen duiden op specialistische geestelijke gezondheidszorg en op methodische en doelgerichte jeugdhulp voor jeugdigen en gezinnen met opvoed-, gedrags- of ontwikkelingsproblemen, zo concludeert de rechtbank na het zoeken op internet op de betreffende productcodes. [minderjarige 2] ervaart duidelijke beperkingen in haar dagelijks functioneren maar laat enige vooruitgang zien in een vertrouwde omgeving. Eisers hebben aangevoerd dat overdracht voor [minderjarige 2] zal leiden tot ernstige en onomkeerbare gevolgen nu juist stabiliteit en continuïteit van zorg van belang is voor haar. De adviezen van Inara jeugdhulp lezende vindt de rechtbank dit niet onvoorstelbaar. De rechtbank overweegt dat hoewel uit de medische stukken die zijn overgelegd niet een op een valt af te leiden dat een overdracht onomkeerbare gevolgen zal hebben voor [minderjarige 2] haar gezondheid, het in dit geval op de weg van de minister had gelegen om nader onderzoek te doen naar de specialistische zorg die [minderjarige 2] ontvangt en waarop de (toekenning) van jeugdhulp in de GGZ gebaseerd is, bijvoorbeeld door inschakeling van het BMA. Gelet op de kwalificatie van de toegewezen zorg en de informatie over haar welzijn die wél duidelijk naar voren komt uit het dossier kan in dit geval niet zonder meer worden volstaan met de stelling dat Kroatië dezelfde medische mogelijkheden heeft als Nederland en dat niet is aangetoond dat overdracht leidt tot een reëel risico voor [minderjarige 2] haar gezondheid. Eisers hebben met de overgelegde informatie naar het oordeel van de rechtbank immers kunnen toelichten waarom de medische situatie van [minderjarige 2] mogelijk gevolgen voor de overdracht heeft. De rechtbank draagt de minister dan ook op om een nieuw besluit te nemen waarbij nader onderzoek moet worden gegaan naar de specialistische zorg die [minderjarige 2] ontvangt en waarop de (toekenning) van jeugdhulp in de GGZ gebaseerd is, bijvoorbeeld door inschakeling van het BMA. Een dergelijke beoordeling van de medische omstandigheden in het kader van artikel 17 van de Dublinverordening ontbreekt ook in de besluitvorming. De rechtbank vindt de vaststelling van de minister dat er geen informatie is dat Kroatië zich niet aan de internationale verplichtingen houdt en dat eisers niet hebben laten zien dat de benodigde zorg enkel in Nederland beschikbaar zou zijn te kort door de bocht.

Ten aanzien van eiser overweegt de rechtbank dat ter zitting is gebleken dat de minister geen nader onderzoek heeft gedaan naar zijn medische situatie. De minister heeft volstaan met een verwijzing naar het bestreden besluit waarin niet meer is besproken dan dat eiser medische problemen heeft, medicatie ontvangt en dat geen sprake is geweest van een specialistische behandeling. De minister heeft daarmee ten onrechte niet beoordeeld in hoeverre de medische situatie ten opzichte van het hetgeen in het bestreden besluit is overwogen is gewijzigd. Daarmee volstaat de motivering al niet meer nu er wel degelijk sprake is geweest van een specialistische behandeling. Hoewel van eiser had mogen worden verwacht dat hij dit in de zienswijze al onder de aandacht van de minister had gebracht,

immers blijkt uit zijn verklaringen dat ten tijde van de zienswijze de medische ingreep al had plaatsgevonden, had het op de weg van de minister gelegen om zich in de beroepsprocedure hierover alsnog inhoudelijk uit te laten bijvoorbeeld door middel van een aanvullend besluit. Het bestreden besluit kan daarom ook ten aanzien van eiser niet in stand blijven.
7.6.
Wat overigens door eisers is aangevoerd behoeft geen bespreking.
Conclusie en gevolgen
8. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit in strijd is met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Awb. Dit betekent dat eisers gelijk krijgen. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht dat de minister een nieuw besluit moet nemen en daarbij rekening houdt met deze uitspraak. De rechtbank geeft de minister hiervoor 12 weken.
8.1.
Omdat het beroep gegrond is krijgen eisers een vergoeding van hun proceskosten.

De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eisers een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden. De rechtbank merkt de beide zaken waarbij eisers afzonderlijk beroep hebben ingesteld in dit kader aan als samenhangende zaken zoals bedoeld in artikel 3 van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb).

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart de beroepen gegrond;

- vernietigt de bestreden besluiten van 18 maart 2026;

- draagt de minister op binnen 12 weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvragen, waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak;

- veroordeelt de minister tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eisers.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.W.M. Bunt, rechter, in aanwezigheid van F.E. Siblesz, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.

Asylum Information Database, “Country Report: Croatia”, 2024 update, p. 115 t/m 117.

Swiss Refugee Council, “Reception conditions in Croatia”, februari 2025, pp. 4, 33-35

HvJEU 16 februari 2017, ECLI:EU:C:2017:127, in de zaak C.K. tegen Slovenië.

Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

ECLI:NL:RVS:2025:3901.

ECLI:NL:RBDHA:2025:18806.

ECLI:NL:RBDHA:2025:19710.

ECLI:NL:RBOVE:2025:6206.

P. 117.

Algemene wet bestuursrecht.

Artikel delen