Effectenlease / tussenpersoon / vergunningplichtige advisering, terwijl tussenpersoon die vergunning niet had / onrechtmatig handelen door overeenkomst aan te gaan.
Rechtbank Den Haag 25 June 2026
Jurisprudentie – Uitspraken
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2026:16204
Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
16-06-2026
Datum publicatie
25-06-2026
Zaaknummer
11964554 RL EXPL 25-21341
Rechtsgebied
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI:NL:RBDHA:2026:16204text/xmlpublic2026-06-25T14:50:422026-06-16Raad voor de RechtspraaknlRechtbank Den Haag2026-05-2811964554 RL EXPL 25-21341UitspraakEerste aanleg - enkelvoudigNLDen HaagCiviel rechtRechtspraak.nlhttp://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:16204text/htmlpublic2026-06-25T14:47:352026-06-25Raad voor de RechtspraaknlECLI:NL:RBDHA:2026:16204 Rechtbank Den Haag , 28-05-2026 / 11964554 RL EXPL 25-21341 Effectenlease / tussenpersoon / vergunningplichtige advisering, terwijl tussenpersoon die vergunning niet had / onrechtmatig handelen door overeenkomst aan te gaan.
RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Den Haag NAV/c
Zaak-/rolnr.: 11964554 RL EXPL 25-21341
28 mei 2026 Vonnis van de kantonrechter in de zaak van:
[partij A] ,
wonende te [woonplaats] ,
eiser in conventie in de hoofdzaak,
verweerder in reconventie in de hoofdzaak en in het incident,
hierna te noemen: Afnemer,gemachtigde: mr. G. van Dijk (Leaseproces),
tegen de besloten vennootschap DEXIA NEDERLAND B.V.,
gevestigd en kantoorhoudende te Amsterdam,
gedaagde in conventie in de hoofdzaak,
eiseres in reconventie in de hoofdzaak en in het incident,
hierna te noemen: Dexia,gemachtigde: USG Legal Professionals B.V. 1De kern van de zaak1.1. Afnemer heeft via een tussenpersoon een effectenleaseovereenkomst gesloten met (de rechtsvoorganger van) Dexia. Die overeenkomst hield het volgende in. Afnemer leende geld van Dexia, stelde dit vervolgens ter beschikking van Dexia en met dat geld kocht Dexia aandelen. Afnemer betaalde vooral rente (inleg) per maand of ineens vooruit. Aan het einde van de overeenkomst werden de aandelen verkocht en moest Afnemer het geleende bedrag terugbetalen. In dit geval was de waarde van die aandelen bij verkoop zodanig dat Afnemer verlies heeft geleden. In deze zaak gaat het om de vraag of Dexia de door Afnemer geleden schade helemaal moet vergoeden. 1.2. Er is al veel rechtspraak over overeenkomsten zoals hier aan de orde en de kantonrechter sluit in deze zaak daarbij aan. Dat betekent dat Dexia de door Afnemer geleden schade helemaal moet vergoeden. 2De procedure2.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: de dagvaarding van 5 november 2025; de conclusie van antwoord tevens houdende eis in reconventie, met een incidenteel verzoek; de conclusie van repliek in conventie en van antwoord in reconventie; de conclusie van dupliek in conventie en van repliek in reconventie; de conclusie van dupliek in reconventie, tevens akte uitlaten producties. 2.2. Ten slotte is partijen meegedeeld dat vonnis wordt gewezen. 3
3. De feiten3.1. Afnemer heeft de volgende effectenleaseovereenkomst ondertekend waarop hij als lessee stond vermeld, met als wederpartij (de rechtsvoorgangster van) Dexia: Contractnr. Datum Naam overeenkomst Looptijd Leasesom
[nummer]
28 september 2001 AEX Plus Effect 240 mnd € 49.008,00 3.2. Dexia heeft met betrekking tot de overeenkomst een eindafrekening opgesteld met het volgende resultaat: Datum eindafrekening Resultaat Betaald? 2 maart 2010 € 2.619,19 N.v.t. 3.3. Volgens opgave van Dexia heeft Afnemer op grond van de overeenkomst – al dan niet bij wijze van vooruitbetaling – in totaal een bedrag van € 16.029,70 aan maandtermijnen aan Dexia betaald. Volgens die opgave heeft Afnemer geen bedrag aan dividenden ontvangen en geen fiscaal voordeel genoten. Op 11 december 2024 heeft Dexia een bedrag van € 11.726,73 aan Afnemer uitgekeerd, volgens Dexia bestaande uit een onverplichte uitbetaling van € 5.364,20 en de reeds verschenen wettelijke rente daarover ten bedrage van € 6.362,53. 3.4. De gemachtigde van Afnemer, Leaseproces, heeft bij brief van 4 augustus 2005 de nietigheid, vernietiging, dan wel ontbinding van de overeenkomst ingeroepen onder meer op grond van onrechtmatige daad. Tevens is het recht voorbehouden ook nog andere gronden aan te voeren. 4. De vorderingen en het verweer in conventie en in reconventie in de hoofdzaak en het verzoek in het incident 4.1. Afnemer vordert, kort samengevat, dat de kantonrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad: voor recht zal verklaren dat Dexia onrechtmatig heeft gehandeld jegens Afnemer en/of toerekenbaar is tekort geschoten, voor recht zal verklaren dat Afnemer schade heeft geleden als gevolg van het onrechtmatig handelen van Dexia en Dexia gehouden is die schade te vergoeden, Dexia zal veroordelen tot voldoening aan Afnemer van al datgene dat Afnemer aan Dexia heeft betaald onder de overeenkomst, vermeerderd met de wettelijke rente daarover, Dexia zal veroordelen tot betaling van de buitengerechtelijke kosten van Afnemer, met rente, Dexia zal veroordelen in de proceskosten en de nakosten, met rente. 4.2. Dexia voert verweer tegen de vorderingen. Het verweer mondt uit in een tegenvordering, waarbij Dexia vordert, dan wel verzoekt, kort samengevat, dat de kantonrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad: - in het incident:
Afnemer zal veroordelen om aan Dexia een afschrift te verstrekken van het intakeformulier waar de door Leaseproces namens Afnemer in deze procedure ingenomen feitelijke stellingen aan zijn ontleend, althans van andere schriftelijke documenten waar die stellingen aan ontleend zijn,
- in de hoofdzaak: voor recht zal verklaren dat Dexia niets meer aan Afnemer verschuldigd is, Afnemer zal veroordelen in de proceskosten. 4.3. Op de stellingen en verweren van partijen zal voor zover nodig hierna nader worden ingegaan. 5. De beoordeling van de vorderingen in conventie en in reconventie in de hoofdzaak en het verzoek in het incident
algemeen 5.1. Het gaat in deze zaak om een financieel product dat tussen 1990 en 2003 in Nederland ongeveer één miljoen keer is verkocht, namelijk een effectenleaseovereenkomst. Kenmerk van dit product is, dat de afnemer van het product met geleend geld belegt. Na het instorten van de aandelenmarkt zijn vele afnemers geconfronteerd met restschulden en andere verliezen. In de afgelopen decennia zijn in Nederland hierover duizenden procedures gevoerd, waarbij Dexia vaak één van de procespartijen was. Door belangenbehartigers van afnemers en vertegenwoordigers van aanbieders van deze producten is, in het kader van de WCAM, een regeling getroffen, die bij beschikking van het gerechtshof Amsterdam van 25 januari 2007 algemeen verbindend is verklaard. Enkele tienduizenden afnemers hebben deze regeling niet geaccepteerd en tijdig een opt-out-verklaring ingediend, onder wie Afnemer. 5.2. De procedures hebben geleid tot veel jurisprudentie, waaronder verschillende richtinggevende arresten van de Hoge Raad. Deze jurisprudentie is bij de gemachtigden van partijen bekend.Deze jurisprudentie wordt bij de beoordeling van de vorderingen als leidraad genomen. Door partijen zijn geen (althans onvoldoende) bijzondere omstandigheden gesteld die in deze zaak een afwijking daarvan rechtvaardigen. 5.3. Toepassing van deze jurisprudentie leidt in het onderhavige geval tot de volgende conclusies: er is sprake van huurkoop; er is geen sprake van dwaling, misleidende reclame en/of misbruik van omstandigheden; evenmin is er sprake van (ver)nietig(baar)heid krachtens de Wck; Dexia heeft haar bijzondere zorgplichten geschonden, in elk geval de waarschuwingsplicht, en daardoor onrechtmatig gehandeld; Afnemer heeft schade geleden, bestaande uit betaalde termijnen; er is voldoende causaal verband aanwezig tussen de hiervoor bedoelde schade en de onrechtmatige daad van Dexia.
het incidentele verzoek van Dexia 5.4. Dexia verzoekt Afnemer te veroordelen om Dexia een afschrift te verstrekken van het intakeformulier waar de door de gemachtigde van Afnemer namens Afnemer in deze procedure ingenomen feitelijke stellingen aan zijn ontleend, althans van andere schriftelijke documenten waar die stellingen aan ontleend zijn. 5.5. Dexia wil kennelijk weten welke gegevens Afnemer destijds aan Leaseproces heeft verstrekt en vervolgens in het dossier van Leaseproces terecht zijn gekomen. Het verstrekken van informatie aan een rechtsbijstandverlener over een geschil door middel van een gesprek of een intake- of vragenformulier of anderszins moet onbelemmerd kunnen plaatsvinden. Daarvan is geen sprake meer als een rechtzoekende er rekening mee moet houden dat de aan zijn rechtsbijstandverlener verstrekte gegevens bij zijn wederpartij terecht kunnen komen. Het is van groot belang dat het vertrouwelijke karakter van de informatie-uitwisseling tussen de rechtzoekende en diens rechtsbijstandverlener blijft bestaan. Gesteld noch gebleken is dat sprake is van een hoge uitzondering die maakt dat in dít geval van de beroepsbeoefenaar kan worden verlangd zich niet op zijn verschoningsrecht te beroepen. Al met al oordeelt de kantonrechter dat het incidentele verzoek van Dexia moet worden afgewezen. 5.6. De proceskosten van dit incident komen voor rekening van Dexia omdat zij in het ongelijk wordt gesteld. De proceskosten aan de zijde van Afnemer worden begroot op € 87,00. tussenpersoon 5.7. Afnemer heeft de overeenkomst met Dexia afgesloten via de tussenpersoon De Financiële Kamer B.V. (hierna te noemen: de tussenpersoon). Tussen partijen is niet in geschil dat de tussenpersoon niet beschikte over de voor beleggingsadvieswerkzaamheden noodzakelijke vergunning. In de prejudiciële beslissing van 10 juni 2022 heeft de Hoge Raad uitgelegd in welke gevallen Dexia heeft gecontracteerd in strijd met het verbod van artikel 41 NR 1999 (dan wel met het daarmee materieel overeenkomende artikel 25 NR 1995). Daarvan is volgens de Hoge Raad sprake als de afnemer een effectenleaseovereenkomst is aangegaan nadat de daarbij optredende tussenpersoon (zonder te beschikken over de daarvoor benodigde vergunning), tevens – naar Dexia wist of behoorde te weten – als financieel adviseur is opgetreden door advies te geven. De Hoge Raad heeft, zoals (de gemachtigden van) partijen bekend is, bepaald dat het moet gaan om een gepersonaliseerde aanbeveling, waarbij een aantal omstandigheden zijn genoemd, die bij de beoordeling daarvan van belang kunnen zijn. Ook indien niet wordt vastgesteld dat die omstandigheden zich voordoen, bestaat de mogelijkheid dat de tussenpersoon toch een gepersonaliseerde aanbeveling heeft gedaan als door de Hoge Raad bedoeld, namelijk een aanbeveling die is voorgesteld als geschikt voor de betrokken afnemer ook als dat onder omstandigheden als een ‘verkooppraatje’ kan worden gekarakteriseerd. 5.8. De stelplicht en bewijslast dat de tussenpersoon Afnemer heeft geadviseerd en dat Dexia wetenschap had of behoorde te hebben van het feit dat de tussenpersoon Afnemer, anders dan in algemene zin, een persoonlijk en specifiek op dit product toegesneden advies heeft verstrekt, rusten op Afnemer als de partij die zich op de rechtsgevolgen van het onrechtmatig handelen van Dexia beroept. De door Afnemer gestelde feiten en omstandigheden dienen voldoende concreet te zijn en zo mogelijk voorzien van onderbouwing. Voor zover Dexia de gestelde feiten en omstandigheden betwist, dient die betwisting eveneens voldoende gemotiveerd te zijn. Bij de beoordeling of de stellingen voldoende concreet en onderbouwd zijn en of het verweer voldoende gemotiveerd is weegt mee dat beide partijen al zeer lange tijd – in elk geval sinds de opt-out door Afnemer in 2007 – weten dat over de totstandkoming van de overeenkomst en de afwikkeling daarvan een gerechtelijke procedure gevoerd zal (kunnen) worden, zodat van hen verlangd mag worden de voor hun procespositie relevante informatie en stukken te hebben verzameld en bewaard. 5.9. Afnemer stelt over de feitelijke gang van zaken het volgende: “Afnemer werd ongevraagd door de tussenpersoon benaderd. De medewerker van de tussenpersoon stelde voor om een afspraak te maken voor een huisbezoek om de financiële situatie van Afnemer door te nemen met een financieel adviseur van de tussenpersoon. Afnemer heeft hiermee ingestemd. Tijdens het huisbezoek heeft de adviseur van de tussenpersoon geïnformeerd naar de wensen en de financiële situatie van Afnemer. Zo is met de adviseur gesproken over het werk, het inkomen, het spaargeld en de gezinssituatie van Afnemer. In het bijzonder is daarbij gesproken over het beschikbare spaargeld van Afnemer dat op dat moment ongeveer NLG 30.000,- bedroeg. Daarnaast is met de adviseur gesproken over de wens van Afnemer om zijn spaargeld beter te laten renderen en zo vermogen op te bouwen dat zou dienen als aanvulling op zijn pensioen. De adviseur gaf aan dat het mogelijk was om dit doel te bereiken en dat hij hier een geschikt product voor wist. De adviseur adviseerde Afnemer om een AEX Plus Effect product van Bank Labouchere af te sluiten. In het bijzonder adviseerde de adviseur om een AEX Plus Effect overeenkomst af te sluiten met een vooruitbetaling van ongeveer NLG 30.000,-. Afnemer diende hiervoor zijn beschikbare spaargeld aan te wenden voor de vooruitbetaling van het AEX Plus Effect product. Volgens de adviseur zou Afnemer op deze wijze aanzienlijk vermogen opbouwen, waardoor Afnemer de gewenste aanvulling op zijn pensioen kon realiseren. De adviseur heeft Afnemer niet geïnformeerd over de specifieke risico’s. Zo heeft hij er niet op gewezen dat met geleend geld werd belegd en dat bij tegenvallende koersontwikkelingen, de inleg geheel verloren kon gaan en er bovendien een schuld kon ontstaan uit hoofde van de effectenleaseovereenkomst. Als Afnemer op deze risico’s gewezen was had hij het AEX Plus Effect nooit afgesloten. Afnemer had geen ervaring met beleggen of kennis van complexe financiële producten en vertrouwde daarom volledig op de deskundigheid van de adviseur en zijn advies. Om deze reden heeft Afnemer het advies van de adviseur opgevolgd. De aanvraag voor het AEX Plus Effect is door de adviseur in orde gemaakt en de uiteindelijke overeenkomst is op een later moment ondertekend. Afnemer heeft uiteindelijke een AEX Plus Effect overeenkomst van Bank Labouchere afgesloten met een vooruitbetaling van NLG 30.374,84.” 5.10. Afnemer heeft, ter onderbouwing van zijn stellingen, gewezen op de volgende stukken die in het geding zijn gebracht: een kopie van de overeenkomst van 28 september 2001 met het contractnummer [nummer] , voorzien van de tekst: “Adviseur: ATP00925-De Financiële Kamer B.V.”., een kopie van een visitekaartje, voorzien van het logo van de tussenpersoon, waarop vermeld staat: “ [naam] Financieel Planner (…)”, een schermafbeelding van de toenmalige website van de tussenpersoon waarop onder andere te lezen is: “Wat doet De Financiële Kamer? We leven in een tijd waarin het raadzaam is dat u zelf verantwoordelijkheid neemt voor het zeker stellen van uw toekomst. Vroeger kon u vertrouwen op de AOW, aangevuld met een pensioen van uw werkgever. Dit vooruitzicht is ook minder zeker geworden. Het is allerminst zeker dat het huidige peil van de AOW in de toekomst gehandhaafd zal worden. Het komt ook steeds vaker voor dat door veranderingen in uw persoonlijke situatie een pensionbreuk ontstaat. De Financiële Kamer is erop gericht u in deze wirwar van ingewikkelde regels bij te staan. Ons motto is: Maak de puzzel compleet! Om u van dienst te zijn bij het optimaal regelen van uw oudedagsvoorziening hanteren we de volgende methode: Eén van onze adviseurs maakt op basis van uw persoonlijke gegevens een nauwkeurig plaatje van uw huidige pensioenopbouw. U weet dan exact wat u op uw oude dag te wachten staat. Mocht u ontevreden zijn met het verwachte pensioen, dan kunt u in overleg met onze adviseur gaan bekijken op welke manier u uw persoonlijke wensen voor later kunt gaan realiseren. Ons advies is altijd op maat gesneden en onafhankelijk. We adviseren dus ook welke maatschappij in uw situatie de beste oplossingen biedt. Een maatadvies van De Financiële Kamer kost u bovendien niets!” aanhoudingsverzoek 5.11. Dexia heeft grote bezwaren tegen de – door haar zo genoemde – ‘bewijsconstructie’ omtrent de advisering door tussenpersonen die in de jurisprudentie van de rechtbanken vaak wordt gehanteerd. Voor het geval de kantonrechter bij de beoordeling van deze zaak het voornemen heeft gebruik te maken van diezelfde constructie/redenering, heeft Dexia verzocht om de zaak aan te houden in verband met door haar ingestelde cassatieberoepen tegen drie arresten van de gerechtshoven 's-Hertogenbosch en Arnhem-Leeuwarden. De bewuste redenering omtrent het bewijs is onderwerp van deze cassatieberoepen. 5.12. Het verzoek van Dexia wordt niet gehonoreerd, omdat de jurisprudentie van de gerechtshoven op dit punt de juistheid van de door de rechtbanken gevolgde redenering vooralsnog bevestigt. Er is bovendien geen concrete indicatie dat de Hoge Raad de betreffende arresten mogelijk gaat vernietigen. (nieuwe) argumenten Dexia 5.13. Dexia heeft tegen de bewuste redenering (nieuwe) argumenten aangevoerd. Die komen er, kort gezegd, op neer: dat ten onrechte de gemachtigde van de afnemer op zijn woord wordt geloofd, terwijl er juist door het feit dat er extreem veel tijd is verstreken tussen het afsluiten van de overeenkomst en het moment dat Afnemer zich erop heeft beroepen dat hij is geadviseerd door de tussenpersoon, alle aanleiding is om behoedzaam met de verklaring van Afnemer om te gaan; dat zonder verder bewijs wordt aangenomen dat sprake is geweest van advisering door de tussenpersoon; dat ten onrechte wordt aangenomen dat op Dexia een onderzoeks- en vastleggingsplicht rust, en dat Dexia ten onrechte niet wordt toegelaten tot (tegen)bewijs. 5.14. Deze argumenten gaan niet op. Bij de beoordeling van deze zaak geldt – evenals in vergelijkbare zaken – als uitgangspunt dat, zoals Afnemer onderbouwd heeft gesteld en Dexia onvoldoende heeft weersproken, tussenpersonen een gebruikelijke werkwijze hadden. Daarbij bracht de adviseur van de tussenpersoon steeds de situatie en de wensen van een klant in kaart en stelde in aansluiting daarop een bepaald effectenleaseproduct als geschikt voor. Dexia wist dat. Met de stellingen omtrent de concrete feiten en omstandigheden ten aanzien van de advisering in zijn geval heeft Afnemer, tegen de achtergrond van de beschreven gebruikelijke werkwijze, voldoende onderbouwd gesteld dat sprake is geweest van vergunningplichtige advisering. Dat betekent dat Dexia, om tot (tegen)bewijs te worden toegelaten, niet kan volstaan met een betwisting in algemene termen van de door Afnemer geschetste gang van zaken. Zij had daarvoor meer concreet moeten maken dat en waarom volgens haar destijds in dit geval geen sprake is geweest van advisering, door uiteen te zetten op welke wijze de overeenkomst dan wel tot stand was gekomen. Nu zij dat niet heeft gedaan, heeft zij de stelling van Afnemer dat sprake is geweest van vergunningplichtige advisering onvoldoende gemotiveerd weersproken. Deze stelling moet daarom als vaststaand worden aangenomen. Daarom wordt niet aan bewijslevering toegekomen. Dat de gemachtigde van Afnemer in een andere zaak mogelijk in de processtukken een onjuiste weergave van de geschetste gang van zaken heeft opgenomen, betekent niet zonder meer dat zij in alle zaken een onbetrouwbare weergave van de feiten geeft. Van Dexia mag worden verwacht dat zij toelicht waarom daarvan in dit specifieke geval sprake is. Als de door de afnemer beschreven wijze van advisering niet klopt, kan Dexia dit immers weerspreken door te omschrijven hoe het volgens haar is gegaan. Dat Dexia dat volgens haar stellingen niet kan, omdat zij op geen enkele wijze betrokken is geweest bij het contact tussen Afnemer en de adviseur van de tussenpersoon en er voor haar geen aanleiding was eerder onderzoek te doen omdat Afnemer pas zeer laat een beroep heeft gedaan op advisering, komt voor haar rekening en risico. Zij heeft er destijds immers van afgezien om eigen voorlichting te geven aan potentiële klanten zoals Afnemer en gebruik gemaakt van tussenpersonen voor de afzet van haar producten. Anders dan Dexia meent betekent het voorgaande niet dat op haar een onderzoeks- of vastleggingsplicht rust, maar slechts dat het mogelijk ontbreken van onderbouwing van haar betwisting, voor haar rekening en risico komt. wetenschap Dexia
5.15. In dit geval is niet gebleken dat Dexia concrete wetenschap heeft gehad van de advisering van de tussenpersoon aan Afnemer. Zij had die wetenschap echter wel behoren te hebben. Ten eerste had zij, nu zij gebruik maakte van tussenpersonen, moeten weten wat hun gebruikelijke werkwijze was. Daarnaast lag het op de weg van Dexia om voorafgaand aan de totstandkoming van een overeenkomst met een klant actief navraag te doen bij de tussenpersoon of de desbetreffende klant de overeenkomst zou aangaan op advies van de tussenpersoon. Aan de hand van de in dat verband ontvangen informatie had Dexia kunnen en moeten beoordelen of zij de overeenkomst met Afnemer kon en mocht sluiten. Dat Dexia in deze zaak enig concreet hierop gericht onderzoek heeft verricht, is gesteld noch gebleken. Dat moet, gelet op het voorgaande, voor haar rekening en risico blijven. De betwisting door Dexia van de stelling dat zij kon weten dat sprake was van vergunningplichtige advisering is dan ook onvoldoende onderbouwd. Daardoor komt de geobjectiveerde wetenschap ook in dit concrete geval vast te staan. Aan bewijslevering wordt niet toegekomen. aansprakelijkheid Dexia
5.16. Nu Dexia ondanks het voorgaande toch met Afnemer de overeenkomst is aangegaan, heeft zij jegens Afnemer onrechtmatig gehandeld. Dit moet Dexia zwaar worden aangerekend. Weliswaar zijn aan Afnemer omstandigheden toerekenbaar die tot de schade hebben bijgedragen, maar vanwege de uiteenlopende ernst van de gemaakte fouten, eist de billijkheid in beginsel dat de vergoedingsplicht van Dexia geheel in stand blijft. Weliswaar kunnen er situaties zijn waarin voldoende reden is om een deel van de schade op grond van artikel 6:101 BW voor rekening van de afnemer te doen komen, maar in dit geval zijn dergelijke feiten en omstandigheden niet aanwezig. De schade komt dan ook geheel voor rekening van Dexia.
vorderingen van Afnemer
5.17. De door Afnemer gevorderde verklaringen voor recht zullen daarom worden toegewezen, in die zin dat voor recht wordt verklaard dat Dexia onrechtmatig jegens Afnemer heeft gehandeld door Afnemer als cliënt te accepteren terwijl zij behoorde te weten dat de tussenpersoon Afnemer niet alleen als klant aanbracht maar Afnemer tevens persoonlijk had geadviseerd en de tussenpersoon geen vergunning daarvoor bezat. 5.18. De voor vergoeding in aanmerking komende schade bestaat uit de door de afnemer betaalde inleg (termijnbetalingen en eventuele aflossingen) en het niet vergoede gedeelte van de (fictieve) restschuld. Daarnaast dient rekening gehouden te worden met te verrekenen genoten voordelen, waaronder daadwerkelijk ontvangen dividenduitkeringen, fiscale voordelen en een eventueel in aanmerking te nemen batig saldo uit voorgaande overeenkomsten. Een en ander volgens het door Dexia overgelegde financiële overzicht waarvan de juistheid door Afnemer, behoudens het bedrag van de “onverplichte betaling”, niet of onvoldoende gemotiveerd is betwist. In het geval reeds eerder een schadevergoeding door Dexia is betaald, geldt ten aanzien van de verrekening daarvan hetgeen is overwogen in de beslissing van de Rechtbank Amsterdam van 25 november 2021 (ECLI:NL:RBAMS:2021:7910). De wettelijke rente is verschuldigd over het door Dexia te restitueren bedrag volgens de uitgangspunten als geformuleerd in HR 1 mei 2015 (ECLI:NL: HR:2015:1198) en HR 3 februari 2017 (ECLI:NL:HR:2017:164, r.o. 3.6.3). omvang schade 5.19. Afnemer heeft zijn schade berekend op € 13.410,51, te vermeerderen met de wettelijke rente. Dexia heeft deze schadeberekening betwist. Dexia heeft gewezen op het bedrag van € 11.726,73 (inclusief € 6.362,53 aan wettelijke rente) dat zij op 11 december 2024 aan Afnemer als “onverplichte uitbetaling” heeft uitgekeerd. Dexia stelt zich op het standpunt dat dit bedrag voor € 6.362,53 uit rente bestaat zodat € 5.364,20 in mindering strekt op de schade van Afnemer. Volgens Dexia bedraagt de schade van Afnemer daarmee € 8.046,31. Afnemer betwist niet dat hij € 11.726,73 heeft ontvangen, maar weerspreekt dat daarvan € 6.362,53 rente is, althans dat Dexia dat niet inzichtelijk heeft gemaakt. 5.20. Als een schuldenaar bij een aanbod tot betaling voor de toerekening van deze betaling een andere volgorde aanwijst dan volgt uit artikel 6:44 lid 1 BW, kan een schuldeiser dat aanbod tot betaling weigeren zonder daardoor in verzuim te komen. Afnemer heeft als schuldeiser de betaling van Dexia als schuldenaar niet geweigerd. In beginsel geldt daarom dat deze betaling moet worden toegerekend op de door Dexia voor deze betaling aangegeven wijze. Dexia heeft echter niet gesteld, en dat blijkt ook niet uit de processtukken, dat zij bij het aanbod tot betaling een andere volgorde van toerekening heeft aangewezen. Een andere volgorde van toerekening kan niet op een later moment alsnog door Dexia worden aangewezen. Dat betekent dat de kantonrechter ervan moet uitgaan dat de schadeberekening van Afnemer juist is en de betaling van Dexia van € 11.726,73 conform artikel 6:44 lid 1 BW in mindering dient te strekken op de vordering van Afnemer. 5.21. Een vergoeding voor buitengerechtelijke kosten is niet aan de orde. Niet gebleken is dat er meer of andere werkzaamheden aan de orde zijn geweest dan die, welke genoemd zijn in het arrest van de Hoge Raad van 12 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:590. 5.22. Gelet op het voorgaande behoeven de andere door Afnemer aangevoerde gronden geen nadere bespreking. vorderingen Dexia 5.23. Gelet op de beoordeling in conventie worden de vorderingen van Dexia afgewezen.
proceskosten 5.24. Nu Afnemer inhoudelijk gelijk krijgt, is Dexia aan te merken als de in het ongelijk te stellen partij. Dexia zal worden veroordeeld in de proceskosten (inclusief nakosten) aan de zijde van Afnemer gevallen. Omdat het partijdebat in reconventie is samengevallen met het debat in conventie worden de kosten in reconventie tot op heden begroot op nihil. De proceskosten van Afnemer in conventie worden begroot op:
- dagvaarding € 144,47
- griffierecht € 90,00
- salaris gemachtigde € 576,00 (2 x tarief € 288,00)
- nakosten € 144,00
Totaal € 954,47 5.25. De gevorderde rente over de proceskosten zal als na te melden worden toegewezen. 6De beslissing De kantonrechter in het incident van Dexia 6.1. wijst het verzoek af, 6.2. veroordeelt Dexia in proceskosten van Afnemer, tot op heden begroot op € 87,00, in conventie 6.3. verklaart voor recht dat Dexia onrechtmatig jegens Afnemer heeft gehandeld door Afnemer als cliënt te accepteren terwijl zij behoorde te weten dat de tussenpersoon Afnemer niet alleen als klant aanbracht maar Afnemer tevens persoonlijk had geadviseerd en de tussenpersoon geen vergunning daarvoor bezat, 6.4. verklaart voor recht dat Afnemer schade heeft geleden als gevolg van het onrechtmatig handelen van Dexia en Dexia gehouden is die schade te vergoeden, 6.5. veroordeelt Dexia om aan Afnemer te betalen de schade, vermeerderd met de wettelijke rente daarover een en ander zoals weergegeven in rechtsoverweging 5.18., waarop conform artikel 6:44 lid 1 BW in mindering strekt het door Dexia op 11 december 2024 aan Afnemer betaalde bedrag van € 11.726,73; 6.6. veroordeelt Dexia in de proceskosten van € 954,47, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als Dexia niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet Dexia ook de kosten van betekening betalen, 6.7. veroordeelt Dexia in de wettelijke rente over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn voldaan, 6.8. verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad, 6.9. wijst het meer of anders gevorderde af, in reconventie 6.10. wijst de vorderingen af, 6.11. veroordeelt Dexia in de kosten van de procedure, aan de zijde van Afnemer gevallen, tot op heden begroot op nihil. Dit vonnis is gewezen door mr. E.A.W. Schippers, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 28 mei 2026. In het bijzonder gaat het om de arresten van de Hoge Raad van 28 maart 2008 (ECLI:NL:HR:2008:BC2837), 5 juni 2009 (ECLI:NL:HR:2009:BH 2815), 29 april 2011 (ECLI:NL:HR:2011:BP4003), 3 februari 2017 (ECLI:NL:HR: 2017:164) en 12 april 2019 (ECLI:NL:HR:2019:590) en de arresten van het gerechtshof Amsterdam van 1 december 2009 (ECLI:NL: GHAMS:2009:BK4981) en 1 april 2014 (ECLI:NL:GHAMS:2014:1135). Hoge Raad 10 juni 2022, ECLI :NL:HR:2022:862. Vergelijk gerechtshof Arnhem Leeuwarden 16 mei 2023 ECLI:NL:GHARL:2023:4177, gerechtshof ’s Hertogenbosch 10 december 2024 ECLI:NL:GHSCHE:2024:3936, gerechtshof Arnhem Leeuwarden 11 februari 2025 ECLI:NL:GHARL:2025:684, ECLI:NL:GHARL:2025:686, ECLI:NL:GHARL:2025:687, ECLI:NL:GHARL:2025:688 en ECLI:NL:GHARL:2025:689, gerechtshof Amsterdam 11 februari 2025 ECLI:NL:GHAMS:2025:379. Zie bijvoorbeeld Hoge Raad 9 juni 2023, ECLI:NL:HR:2023:882. Hoge Raad 2 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2012 r.o. 5.6 en 5.7. Deze lijn is nadien bevestigd in de arresten van de Hoge Raad van 12 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:1935, en van 10 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:862. Artikel 6:44 lid 2 BW