Menu

Filter op
content
PONT Klimaat

0

ECLI:NL:RBDHA:2026:16970

Kort geding. Medewerking verkoop woning.

Rechtbank Den Haag 2 July 2026

Jurisprudentie – Uitspraken

ECLI:NL:RBDHA:2026:16970 text/xml public 2026-07-02T15:03:20 2026-06-22 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-05-04 C/09/701923 / KG ZA 26-307 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig Kort geding NL Den Haag Civiel recht; Verbintenissenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:16970 text/html public 2026-07-02T15:02:02 2026-07-02 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:16970 Rechtbank Den Haag , 04-05-2026 / C/09/701923 / KG ZA 26-307
Kort geding. Medewerking verkoop woning.
Rechtbank den haag
Team handel - voorzieningenrechter

zaak- / rolnummer: C/09/701923 / KG ZA 26-307

Vonnis in kort geding van 4 mei 2026

in de zaak van

[eiser] te [woonplaats 1],

eiser,

advocaat mr. M.E.M. Beijersbergen te Den Haag,

tegen:

[gedaagde] te [woonplaats 2], [gemeente],

gedaagde,

in persoon verschenen.

Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ‘[eiser]’ en ‘[gedaagde]’.
<nr>1</nr>De procedure 1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding met daarbij en daarna overgelegde producties 1 tot en met 21;

- de op 20 april 2026 gehouden mondelinge behandeling.
1.2.
Tijdens de zitting is vonnis bepaald op vandaag.
1.3.
[gedaagde] heeft ter zitting gesteld dat zij de betekende dagvaarding niet van de deurwaarder heeft ontvangen en dat zij van de advocaat van [eiser] ook niet de producties bij de dagvaarding en de later nog overgelegde producties heeft ontvangen. [gedaagde] heeft onweersproken gesteld dat zij de advocaat van de [eiser] een e-mail heeft gestuurd met het verzoek haar de producties bij de dagvaarding alsnog te verstrekken, maar dat zij hier geen reactie op heeft ontvangen. De voorzieningenrechter kan niet uitsluiten dat [gedaagde] inderdaad niet de door [eiser] overgelegde producties heeft ontvangen, maar verbindt hier geen procedurele gevolgen aan. De reden hiervoor is dat [gedaagde] niet is benadeeld indien zij inderdaad geen kennis heeft kunnen nemen van de producties. De producties zijn grotendeels al bij haar bekend en voor zover dat anders is, betwist zij de stellingen van [eiser] over deze producties niet. Zoals uit het hiernavolgende blijkt hebben partijen bovendien ter zitting grotendeels overeenstemming bereikt over de te nemen beslissingen in dit kort geding.
<nr>2</nr>De feiten
Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.
2.1.
Partijen hebben een relatie met elkaar gehad en hebben met elkaar samengewoond. Zij zijn geen samenlevingsovereenkomst overeengekomen. De relatie is geëindigd. Beide partijen hebben kinderen uit eerdere relaties die bij hen verblijven.
2.2.
[eiser] is eigenaar van een woning aan de [adres 1] te [plaats 1] (hierna: de woning van [eiser]). Voor de beëindiging van de relatie woonden partijen samen in deze woning.
2.3.
Partijen zijn sinds 22 augustus 2024 gezamenlijk, ieder voor de onverdeelde helft, eigenaar van de woning aan de [adres 2] te [plaats 2] (hierna: de woning). Dit betreft een nieuwbouwwoning. De koop- en aannemingsovereenkomst met betrekking tot de woning is door partijen getekend op 7 maart 2024 en partijen hebben op 14 november 2025 de sleutel van de woning gekregen.
2.4.
In verband met de financiering van de woning hebben partijen een hypothecaire geldlening bij Florius afgesloten, met de woning als onderpand. Onderdeel van de lening is een overbruggingskrediet, met de woning van [eiser] als onderpand.
2.5.
Op het moment dat partijen de sleutel van de woning kregen, was deze nog niet volledig afgebouwd. Een keuken, badkamer en een vloer op de tweede verdieping ontbreken en de muren zijn onafgewerkt. [gedaagde] is desondanks – met haar kinderen – de woning gaan bewonen. [eiser] woont – met zijn kinderen – nog in zijn eigen woning.
2.6.
[gedaagde] heeft op 17 november 2026 een bouwdepotdeclaratie met als omschrijving ‘keuken’ ingediend bij Florius, waarna Florius het laatste deel van het bouwdepot (een bedrag van € 18.298,40) op de gezamenlijke rekening van partijen heeft gestort. [gedaagde] heeft dit bedrag vervolgens overgemaakt naar haar privérekening.
2.7.
Vanaf het moment dat [gedaagde] in de woning is gaan wonen, zijn de hypotheeklasten van de woning niet meer betaald. De daardoor ontstane betalingsachterstand bedroeg op 13 april 2026 € 13.371,=.
<nr>3</nr>Het geschil 3.1.
[eiser] vordert bij dagvaarding van 26 maart 2026, zakelijk weergegeven:

1. [gedaagde], op straffe van een dwangsom, te veroordelen mee te werken aan het verstrekken van de verkoopopdracht strekkende tot verkoop en levering van de woning aan een derde, in die zin dat zij in dat zij in ieder geval (en dus niet uitsluitend):

a. een schriftelijke bemiddelingsovereenkomst tot verkoop moet verlenen aan [makelaarskantoor] te [plaats 3];

b. de verkoopadviezen van de makelaar moet opvolgen;

c. mee moet werken aan ondertekening van de schriftelijke koopovereenkomst;

d. mee moet werken aan de levering van de woning;

e. de helft van de kosten die verband houden met de verkoop en levering van de woning voor haar rekening zal nemen;

2. te bepalen dat indien [gedaagde] niet tijdig voldoet aan het onder 1a, 1c en 1d gevorderde die vonnis in de plaats treedt van de noodzakelijke toestemming, wilsverklaring en/of handtekening van [gedaagde];

3. te bepalen dat [gedaagde] voor de levering van de woning aan een derde de woning moet ontruimen en ontruimd moet houden, op straffe van een dwangsom;

4. te bepalen dat voor zover [gedaagde] niet meewerkt aan ontruiming van de woning dit vonnis in de plaats treedt van de noodzakelijke toestemming, wilsverklaring en/of handtekening van [gedaagde] die nodig is (zijn) voor het ontruimen en ontruimd houden van de woning, waarbij de kosten die hiermee gemoeid gaan voor rekening van [gedaagde] komen;

5. [gedaagde] te veroordelen mee te werken aan de verdeling overwaarde van de woning op zodanige wijze dat daarbij de betalingsachterstand ter zake de hypotheek op dat moment door verrekening van het aandeel van [gedaagde] in de genoemde overwaarde van de woning voor rekening van [gedaagde] komt, althans het bedrag en / of de beslissing die de rechtbank in dat kader in goede justitie juist acht;

6. [gedaagde] te veroordelen om de eigenaars- en gebruikerslasten met ingang van 1 november 2025 tot aan de datum levering van de woning aan een derde te voldoen, althans met ingang van zodanige datum als de voorzieningenrechter juist acht, althans – voor zover [gedaagde] geen en/of slechts gedeeltelijke betalingen heeft gedaan – deze kosten door verrekening met het aandeel van [gedaagde] in genoemde overwaarde van de woning voor haar rekening te laten komen;

7. [gedaagde] te veroordelen tot betaling van een bedrag van € 9.119,36 aan [eiser], althans dit bedrag door verrekening met het aandeel van [gedaagde] in de overwaarde van de woning voor haar rekening te laten komen;

alles met veroordeling van [gedaagde] in de werkelijke dan wel (subsidiair) forfaitaire proceskosten van [eiser].
3.2.
Daartoe voert [eiser] – samengevat – het volgende aan. [gedaagde] is in de woning getrokken, maar betaalt de daaraan verbonden lasten niet en werkt niet mee aan verkoop van de woning. Er is een betalingsachterstand ontstaan en om te voorkomen dat die achterstand verder oploopt en dat de woning executoriaal wordt verkocht, moet de woning zo snel mogelijk door partijen worden verkocht. Daarnaast moet [gedaagde] de lasten verbonden aan de woning betalen, meewerken aan verdeling van de overwaarde van de woning en de helft van het door haar uit het bouwdepot opgenomen bedrag – dat zij niet heeft besteed aan aflossing van de betalingsachterstand of de keuken – aan [eiser] betalen.
3.3.
[gedaagde] voert verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.
3.4.
[eiser] heeft ter zitting zijn eis gewijzigd, op de wijze zoals hierna onder 4.3 van de beoordeling omschreven.
<nr>4</nr>De beoordeling van het geschil 4.1.
Tussen partijen is niet in geschil dat de woning verkocht moet worden en dat dit op de kortst mogelijke termijn moet gebeuren, om te voorkomen dat de betalingsachterstand ten aanzien van de hypotheeklasten verder oploopt en dat de woning executoriaal wordt verkocht. [gedaagde] heeft ter zitting verklaard dat partijen tot nu toe geen onderlinge afspraken over die verkoop hebben kunnen maken, omdat partijen het niet eens worden over de investering van [gedaagde] in de woning en de betaling van de hypotheeklasten. Volgens [gedaagde] moet zij de zekerheid hebben dat zij haar investering in de woning terugkrijgt, omdat zij anders geen financiële mogelijkheden heeft voor vervangende woonruimte als zij de woning moet verlaten.
4.2.
Volgens [gedaagde] heeft zij een bedrag van € 76.000,= aan eigen geld in de woning geïnvesteerd. [eiser] betwist dat. Hij erkent dat [gedaagde] € 45.000,= in de woning heeft geïnvesteerd. [eiser] voert aan dat beide partijen tijdens de bouw van de woning hebben bijgedragen aan de hypotheeklasten van de woning.
4.3.
Partijen zijn het er tijdens de zitting over eens geworden dat de woning verkocht moet worden en dat uit de overwaarde (verkoopopbrengst minus kosten van de makelaar en notaris en de aan de woning verbonden restant hypotheekschuld en de betalingsachterstand ten aanzien van de eigenaarslasten) een bedrag van € 45.000,= (of de volledige overwaarde indien dat een lager bedrag is) aan [gedaagde] wordt uitgekeerd. Het (eventuele) restant van de overwaarde zal bij de notaris in depot blijven. [eiser] heeft ter zitting zijn vordering – met instemming van [gedaagde] – in die zin gewijzigd dat hij vordert dat [gedaagde] wordt veroordeeld tot medewerking aan verkoop van de woning onder de voorwaarde dat zij uit de overwaarde met voorrang € 45.000,= uitbetaald krijgt. [gedaagde] verzet zich niet tegen toewijzing van die gewijzigde vordering.
4.4.
Zoals ter zitting ook aan de orde is gekomen, moeten partijen ten aanzien van het restant van de overwaarde – voordat het uitgekeerd kan worden – nog overeenstemming bereiken of een rechterlijk oordeel verkrijgen over de volgende vragen:

Heeft [gedaagde] meer uit eigen vermogen in de woning geïnvesteerd dan [eiser]?

Is de opname van [gedaagde] uit het bouwdepot geïnvesteerd in de woning?

Voor wiens rekening komen de eigenaarslasten over de periode na oplevering van de woning tot verkoop ervan.

Binnen het bestek van dit kort geding zijn deze vragen niet te beantwoorden en dit staat dan ook in de weg aan toewijzing van enige vordering van [eiser] die betrekking heeft op de betaling van de eigenaarslasten door [gedaagde] en de terugbetaling door [gedaagde] van de helft van het bouwdepot aan [eiser]. Partijen zijn het er ter zitting over eens geworden dat het restant van de overwaarde bij de notaris in depot moet blijven, tot zij over deze vragen overeenstemming hebben bereikt of daarover in een bodemprocedure vonnis is gewezen, zodat een en ander (zoveel mogelijk) met het restant van de overwaarde verrekend kan worden.
4.5.
In de hoop dat het partijen behulpzaam zal zijn bij het alsnog bereiken van overeenstemming overweegt de voorzieningenrechter het volgende over voormelde vragen.
4.6.
Zoals ter zitting ook is besproken, zullen partijen zullen elkaar over en weer inzicht moeten verschaffen in hetgeen zij hebben geïnvesteerd in de woning, zodat duidelijk wordt of aan één van partijen in verband met die investeringen een groter deel uit het restant overwaarde toekomt. [gedaagde] stelt over het door haar opgenomen bouwdepot dat zij dat heeft besteed aan werkzaamheden in de woning, maar heeft hierover nog geen facturen aan [eiser] verstrekt. Zij heeft toegezegd dat ze dat nog zal doen.
4.7.
Ten aanzien van de eigenaarslasten overweegt de voorzieningenrechter dat het niet voor de hand ligt dat de eigenaarslasten over de genoemde periode volledig voor rekening van [gedaagde] komen. Zoals [gedaagde] ter zitting terecht heeft gesteld zijn partijen gezamenlijk eigenaar van de woning, zodat uitgangspunt is dat zij elk de helft van de eigenaarslasten moeten dragen. Dit wordt naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet anders door de enkele omstandigheid dat [gedaagde] in de woning is gaan wonen. [gedaagde] is noodgedwongen in de woning gaan wonen, doordat zij als gevolg van de verbreking van de relatie niet langer in de woning van [eiser] kon verblijven, geen andere geschikte woonruimte had en – door haar investering in de woning – ook geen financiële middelen had om andere woonruimte te financieren. Volgens eigen stelling van [eiser] is de woning feitelijk niet geschikt voor bewoning, omdat deze nog afgebouwd moet worden. Dat [gedaagde] ervoor gekozen heeft de woning te betrekken ziet de voorzieningenrechter dan ook als noodoplossing, maar rechtvaardigt niet de conclusie dat [gedaagde] per saldo met uitsluiting van [eiser] draagplichtig is voor de volledige eigenaarslasten.
4.8.
Al het vorenstaande leidt tot de beslissing als hierna in het dictum weergegeven. Hierover wordt nog het volgende overwogen.
4.9.
De voorzieningenrechter ziet aanleiding voorwaarden te verbinden aan de veroordeling tot medewerking van [gedaagde] aan de ondertekening van de schriftelijke koopovereenkomst, op de in het dictum te vermelden wijze. Ten aanzien van de opleverdatum zal de voorzieningenrechter bepalen dat deze minimaal acht weken na ondertekening van de koopovereenkomst moet liggen, zodat [gedaagde] ook nadat de opleverdatum van de woning bekend is nog een termijn heeft om vervangende woonruimte te vinden. Dat neemt niet weg dat [gedaagde] nu al actief naar vervangende woonruimte moet gaan zoeken en dat partijen van deze termijn van acht weken kunnen afwijken als zij daar in onderling overleg overeenstemming over bereiken.
4.10.
Ten aanzien van de vorderingen met betrekking tot de feitelijke handelingen die [gedaagde] moet verrichten als gevorderd onder 1b is oplegging van een dwangsom, als stimulans tot nakoming van de te geven beslissing, aangewezen. De op te leggen dwangsom zal worden gematigd en gemaximeerd. Het gevorderde onder 1a, 1c en 1d kan [eiser] – gelet op de toewijzing van de vordering onder 2 – ook zonder medewerking van [gedaagde] ten uitvoer leggen. Aan die veroordelingen zal daarom geen dwangsom worden verbonden. Het gevorderde onder 1e leent zich niet voor tenuitvoerlegging op straffe van een dwangsom, dus ook aan die veroordeling wordt geen dwangsom verbonden.
4.11.
De vordering om te bepalen dat dit vonnis in de plaats zal treden van de noodzakelijke toestemming van [gedaagde] om de woning te ontruimen zal worden afgewezen. Indien [gedaagde] niet tot ontruiming overgaat is immers de deurwaarder bevoegd tot ontruiming over te gaan op grond van de artikelen 555 en volgende van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) in verbinding met artikel 444 Rv. De voorzieningenrechter zal – als prikkel ter voorkoming van een gedwongen ontruiming door de deurwaarder – wel een dwangsom verbinden aan de veroordeling tot ontruiming. Ook die dwangsom wordt gematigd en gemaximeerd. De vordering dat de kosten voor gedwongen ontruiming voor rekening van [gedaagde] komen wordt afgewezen. Dergelijke kosten zijn alleen toewijsbaar als ze in redelijkheid zijn gemaakt. Dat is op voorhand niet vast te stellen.
4.12.
In de familierechtelijke aard van dit geschil, wordt aanleiding gevonden te bepalen dat iedere partij de eigen proceskosten draagt.
<nr>5</nr>De beslissing
De voorzieningenrechter:
5.1.
veroordeelt [gedaagde] om haar medewerking te verlenen aan de verkoop en levering van de woning aan (een) derde(n), waartoe zij in ieder geval:

binnen veertien dagen nadat dit vonnis is uitgesproken samen met [eiser] een schriftelijke bemiddelingsovereenkomst tot verkoop dient aan te gaan met [makelaarskantoor] te [plaats 3] onder de voor een NVM-/VBO-/Vastgoed Pro-makelaar gebruikelijke voorwaarden;

de verkoopadviezen van de makelaar op eerste verzoek van [eiser] op zal volgen, waaronder de adviezen ten aanzien van de te hanteren marktconforme vraag- en laatprijs, het biedingsproces en het te accepteren bod en alle medewerking zal verlenen aan die werkzaamheden die nodig zijn voor een gunstig verkoopproces, waaronder het gelegenheid bieden voor het maken van foto’s en bezichtigingen door de makelaar met potentiële kopers, op de wijze en met inachtneming van de aanwijzingen van de makelaar;

dient mee te werken aan de ondertekening van een schriftelijke koopovereenkomst binnen drie dagen nadat de verkoop plaatsvindt, indien en voor zover:

o de verkoop plaatsvindt tegen minimaal de door de makelaar bepaalde laatprijs, dan wel een door partijen overeengekomen andere laatprijs, en waarbij

o een opleverdatum van de woning wordt afgesproken van minimaal acht weken na de ondertekening van de koopovereenkomst, of korter dan wel langer indien partijen dat schriftelijk overeenkomen, en

o de koopovereenkomst – voor een woning als deze – gebruikelijke condities bevat;

dient mee te werken aan de levering van de woning op de dag bepaald in de koopovereenkomst of een in afwijking daarvan nader met de koper overeen te komen dag;

50% bijdraagt in alle kosten verband houdend met de verkoop en levering, waaronder met name is begrepen de bemiddelingsvergoeding van de makelaar, welke bijdrage zal kunnen worden verrekend met het aan [gedaagde] toekomende aandeel in de overwaarde;
5.2.
bepaalt dat, indien [gedaagde] niet, na schriftelijke sommatie of sommatie per e-mail, binnen twee dagen voldoet aan enige verplichting tot het verlenen van medewerking als bedoeld in 5.1 onder b. een dwangsom verschuldigd is van € 500,= per overtreding en van € 250,= voor elke dag dat de overtreding voortduurt tot een maximum van totaal € 10.000,=.
5.3.
bepaalt dat, indien [gedaagde] niet tijdig voldoet aan hetgeen is bepaald in 5.1 onder a., c en d., dit vonnis op de voet van het bepaalde in artikel 3:300 lid 2 BW in de plaats treedt van het deel van de schriftelijke bemiddelingsovereenkomst, de schriftelijke koopovereenkomst of de notariële akte van levering, waaruit moet blijken van de wilsverklaring van [gedaagde] dat zij opdracht geeft tot bemiddeling, de woning (mede) verkoopt c.q. (mede) levert aan de koper;
5.4.
veroordeelt [gedaagde] de woning voor de levering aan een derde te ontruimen en ontruimd te houden, op straffe van een dwangsom van € 500,= per dag of een gedeelte van een dag dat zij de woning niet ontruimd of ontruimd houdt, tot een maximum van € 10.000;
5.5.
bepaalt dat uit de overwaarde van de woning (verkoopopbrengst verminderd met (i) alle kosten verband houdend met de verkoop en levering, (ii) de aan de woning verbonden restant hypotheekschuld en (iii) de betalingsachterstand ten aanzien van de eigenaarslasten) op het moment van levering van de woning aan een derde een bedrag van € 45.000,=, of de volledige overwaarde indien dat een lager bedrag is, aan [gedaagde] wordt uitgekeerd en dat het eventuele restant van de overwaarde bij de notaris in depot blijft totdat partijen overeenstemming hebben over de wijze van uitkering van het restant overwaarde of daarover bij (uitvoerbaar bij voorraad verklaard of onherroepelijk geworden) vonnis is beslist;
5.6.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
5.7.
bepaalt dat iedere partij de eigen kosten draagt;
5.8.
wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.J. Vetter en in het openbaar uitgesproken op 4 mei 2026.

idt

Artikel delen