Asiel - Algerijnse nationaliteit - leeftijdsvaststelling - poging tot verkrachting ten onrechte niet aangemerkt als asielmotief, maar wel inhoudelijk beoordeeld - beroep gegrond met instandlating van de rechtsgevolgen
Rechtbank Den Haag 6 July 2026
Jurisprudentie – Uitspraken
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2026:17202
Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
25-06-2026
Datum publicatie
06-07-2026
Zaaknummer
NL26.6014 en NL26.6015
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI:NL:RBDHA:2026:17202text/xmlpublic2026-07-06T09:02:452026-06-25Raad voor de RechtspraaknlRechtbank Den Haag2026-04-13NL26.6014 en NL26.6015UitspraakEerste aanleg - enkelvoudigVoorlopige voorzieningNLDen HaagBestuursrecht; VreemdelingenrechtRechtspraak.nlhttp://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:17202text/htmlpublic2026-07-06T09:02:382026-07-06Raad voor de RechtspraaknlECLI:NL:RBDHA:2026:17202 Rechtbank Den Haag , 13-04-2026 / NL26.6014 en NL26.6015 Asiel - Algerijnse nationaliteit - leeftijdsvaststelling - poging tot verkrachting ten onrechte niet aangemerkt als asielmotief, maar wel inhoudelijk beoordeeld - beroep gegrond met instandlating van de rechtsgevolgen
RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummers: NL26.6014 en NL26.6015
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen
[eiser] , V-nummer: [v-nummer] , eiser/verzoeker (hierna: eiser) (gemachtigde: mr. F.W. Verweij), en de minister van Asiel en Migratie, verweerder (gemachtigde: mr. T. Stelpstra). Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag en beoordeelt de voorzieningenrechter zijn verzoek om een voorlopige voorziening. Eiser heeft op 15 januari 2026 opnieuw een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Verweerder heeft met het bestreden besluit van 3 februari 2026 deze aanvraag in de algemene procedure afgewezen als kennelijk ongegrond. 1.1. De rechtbank heeft het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening op 9 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, S. Fajr als tolk en de gemachtigde van verweerder. Beoordeling door de rechtbank Waar gaat deze zaak over? 2. Eiser stelt van Algerijnse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum 1] 2008. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Eiser heeft problemen met jongens uit zijn buurt omdat zijn vader een imam is en de jongens adviseerde het juiste pad te volgen. Zijn vader is door deze jongens mishandeld en gepest. Ook heeft een man geprobeerd eiser te verkrachten en zijn buurtbewoners hiervan op de hoogte geraakt. 3. Het asielrelaas van eiser bevat volgens verweerder de volgende asielmotieven: de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser; eisers problemen met jongens uit zijn buurt. 3.1. Verweerder heeft de poging tot verkrachting niet aangemerkt als asielmotief omdat deze gebeurtenis geen verband houdt met een vervolgingsgrond uit het Vluchtelingenverdrag of met artikel 3 van het EVRM. 3.2. Verweerder vindt de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser deels geloofwaardig. Eiser heeft namelijk onvoldoende documenten overgelegd om zijn identiteit te onderbouwen en heeft verschillende geboortedata opgegeven in Frankrijk, Zwitserland en Nederland. Verweerder vindt ook eisers problemen met de jongens uit zijn buurt niet geloofwaardig, omdat eisers verklaringen daarover geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen en omdat eiser geen documenten heeft overgelegd terwijl hij wel heeft verklaard dat zijn vader aangifte heeft gedaan. Eiser heeft daarnaast zonder goede verklaring niet zo snel mogelijk asiel aangevraagd. Hij kan ook in grote lijnen niet als geloofwaardig worden beschouwd, omdat hij verschillende geboortedata heeft opgegeven, in een eerdere procedure met onbekende bestemming is vertrokken en in meerdere lidstaten waar hij is geweest geen asielaanvraag heeft ingediend. Eiser heeft daarom geen gegronde vrees voor vervolging in vluchtelingrechtelijke zin en hij loopt geen reëel risico op ernstige schade in de zin van artikel 3 van het EVRM. Verweerder wijst de aanvraag af als kennelijk ongegrond omdat eiser verweerder heeft misleid over zijn identiteit. Wat vindt eiser in beroep? 4. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit en voert het volgende aan. Verweerder heeft de conclusie dat eiser meerderjarig is, op onvoldoende onderzoek gebaseerd. Daarnaast heeft verweerder de poging tot verkrachting ten onrechte niet als asielmotief aangemerkt. Eiser loopt hierdoor gevaar in Algerije omdat hem homoseksualiteit wordt toegedicht door buurtbewoners die hiervan op de hoogte zijn. Wat is het oordeel van de rechtbank? 5. De rechtbank verklaart het beroep gegrond, maar laat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand. Dat betekent dat eiser deels gelijk krijgt, maar dat de afwijzing van zijn aanvraag blijft staan. De rechtbank zal dit oordeel hieronder uitleggen. De leeftijd van eiser
6. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder voldoende gemotiveerd waarom de identiteit van eiser deels geloofwaardig is en waarom hij uitgaat van [geboortedatum 2] 2008 als geboortedatum. Verweerder en de Dienst Identificatie en Screening Asielzoekers hebben leeftijdsschouwen uitgevoerd en allebei geconcludeerd dat er twijfel bestond over de opgegeven leeftijd. Verweerder moest daarom nader onderzoek naar eisers leeftijd doen. De rechtbank stelt vast dat verweerder dit nader onderzoek heeft gedaan en alle relevante feiten en omstandigheden kenbaar heeft meegewogen. Verweerder heeft namelijk navraag gedaan bij Zwitserland over de leeftijd die daar is geregistreerd. De Zwitserse autoriteiten hebben aangegeven dat uit forensisch onderzoek volgt dat eiser op [datum] 2024 tenminste 16,9 jaar oud was. Omdat niet vastgesteld kon worden dat eiser op dat moment al meerderjarig was, hebben de Zwitserse autoriteiten hem als minderjarige beschouwd en als geboortedatum [geboortedatum 3] 2007 vastgesteld. Verweerder heeft in zijn conclusie gewicht mogen toekennen aan deze informatie uit Zwitserland, omdat daaraan een forensisch leeftijdsonderzoek ten grondslag ligt. De rechtbank volgt eiser niet in zijn betoog ter zitting dat verweerder zich niet op de Zwitserse informatie mocht baseren omdat het onderliggende onderzoek niet inzichtelijk is. Niet is gebleken dat eiser het onderzoek niet kon opvragen of daartoe vergeefse pogingen heeft gedaan. Daarbij betrekt de rechtbank dat het aan eiser is om concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de conclusies van dit onderzoek aan te voeren en dat het hier gaat om persoonlijke, medische gegevens, waarover eiser zelf kon beschikken. Ook de kopie van een geboorteakte geldt niet als concreet uitgangspunt voor twijfel aan de conclusies uit Zwitserland, omdat daar geen biometrische gegevens op staan en er op grond daarvan dus niet kan worden vastgesteld dat de akte over eiser gaat. Verweerder mocht er ook op wijzen dat eiser niet op een andere manier pogingen heeft ondernomen om zijn identiteit met documenten te onderbouwen. Nu uit het forensisch onderzoek volgt dat eiser op het moment van zijn huidige asielaanvraag in ieder geval de leeftijd van 18 jaar had bereikt, mocht verweerder concluderen dat de door eiser gestelde geboortedatum van [geboortedatum 1] 2008 niet kan kloppen. Verweerder mocht op basis van het forensisch onderzoek van de Zwitserse autoriteiten de geboortedatum van [geboortedatum 2] 2008 aanhouden. De poging tot verkrachting
7. Dat verweerder de poging tot verkrachting niet als asielmotief heeft aangemerkt, is naar het oordeel van de rechtbank een gebrek in het bestreden besluit. Volgens Werkinstructie 2024/6 van verweerder moeten als asielmotieven worden aangemerkt ‘de feiten en omstandigheden die voor de vreemdeling reden vormen voor het aanvragen van bescherming.’ Tijdens het nader gehoor is naar voren gekomen dat de poging tot verkrachting één van de redenen is dat eiser asielbescherming heeft aangevraagd en verweerder heeft daar als zodanig vervolgvragen over gesteld. Eiser heeft ook, heel begrijpelijk, verklaard dat hij zich schaamt voor deze gebeurtenis. De stelling van verweerder tijdens de zitting dat het geen asielmotief is, omdat het een commuun delict is en de gebeurtenis geen verband houdt met één van de gronden uit het Vluchtelingenverdrag of met artikel 3 van het EVRM, kan de rechtbank niet begrijpen. Verweerder moest de gestelde poging tot verkrachting waarover eiser heeft verklaard en die voor hem een reden vormde om asiel aan te vragen aanmerken als asielmotief en moest deze op geloofwaardigheid beoordelen. De vragen of de vrees van een vreemdeling vanwege een geloofwaardig geachte gebeurtenis plausibel is en of deze ook zwaarwegend is omdat er een reëel risico uit volgt op vervolging dan wel ernstige schade als bedoeld in artikel 3 EVRM komen daarna pas aan de orde. 8. Naar het oordeel van de rechtbank blijkt, anders dan eiser stelt, uit zijn verklaringen niet dat hij toegedichte homoseksualiteit als asielmotief naar voren heeft willen brengen. In reactie op de vraag waar eiser voor vreest, heeft hij niet benoemd dat zijn vrees ermee samenhangt dat zijn omgeving hem als homoseksueel zal zien. Hij heeft alleen verklaard dat hij bang is voor de dader. Eisers betoog in beroep dat het asielmotief als zodanig moest worden aangemerkt, slaagt dus niet. 9. De rechtbank ziet aanleiding om – ondanks het hiervoor geconstateerde gebrek – de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten op grond van het volgende. Hoewel verweerder de poging tot verkrachting ten onrechte niet als asielmotief heeft aangemerkt, heeft verweerder in het bestreden besluit wel beoordeeld of te verwachten is dat eiser bij terugkeer problemen zal krijgen vanwege deze gebeurtenis. Verweerder heeft ter zitting nader toegelicht dat niet aannemelijk is dat de poging tot verkrachting – ongeacht de geloofwaardigheid daarvan – tot verdere problemen heeft geleid of zal leiden. Verweerder heeft er terecht op gewezen dat eiser na de poging tot verkrachting nog 2,5 maand in Algerije heeft gewoond. Het was voor hem ook geen directe reden om Algerije te verlaten. Niet is gesteld of gebleken dat eiser in Algerije of sinds hij is vertrokken, problemen heeft gehad met zijn familie, buurtbewoners of de autoriteiten. Eiser heeft daarnaast gesteld dat de dader is verdwenen en dat hij ook geen aangifte heeft gedaan. Gelet op het voorgaande is voor de rechtbank duidelijk dat het niet tot een andere uitkomst had kunnen leiden als de poging tot verkrachting wel als asielmotief was aangemerkt. Conclusie en gevolgen 10. Het beroep is gegrond vanwege een motiveringsgebrek. De rechtbank vernietigt het besluit, maar ziet wel aanleiding om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten. Dit betekent dat de afwijzing van de aanvraag blijft staan. 10.1. Omdat op het beroep is beslist, bestaat er geen aanleiding meer voor het treffen van een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daarom af. 10.2. Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. De rechtbank stelt de proceskostenvergoeding op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 2.802,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het indienen van het verzoekschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1). Beslissing De rechtbank: verklaart het beroep gegrond; vernietigt het bestreden besluit; bepaalt dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand blijven; veroordeelt verweerder tot betaling van € 2.802,- aan proceskosten. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af. Deze uitspraak is gedaan door mr. C.W. Griffioen, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. H.S. van Wessel, griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak op het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen een week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen hoger beroep of verzet open. Op basis van artikel 31, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) in samenhang met artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000. Verdrag betreffende de status van vluchtelingen. Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Zie pagina 3 van Werkinstructie 2024/6 Geloofwaardigheidsbeoordeling (asiel). Zie pagina 10 en 11 van het verslag nader gehoor. Met toepassing van artikel 8:72, derde lid, onder a van de Awb.