Menu

Filter op
content
PONT Klimaat

0

ECLI:NL:RBDHA:2026:17446

Tijdelijke voogdij in afwachting van adoptieverzoek in bodemprocedure

Rechtbank Den Haag 8 July 2026

Jurisprudentie – Uitspraken

ECLI:NL:RBDHA:2026:17446 text/xml public 2026-07-08T14:59:49 2026-06-28 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-05-28 701353 FA RK 26-2553 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig Beschikking NL Den Haag Civiel recht; Personen- en familierecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:17446 text/html public 2026-07-08T14:59:36 2026-07-08 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:17446 Rechtbank Den Haag , 28-05-2026 / 701353 FA RK 26-2553
Tijdelijke voogdij in afwachting van adoptieverzoek in bodemprocedure

Rechtbank DEN HAAG

Enkelvoudige kamer

Rekestnummer: FA RK 26-2553

Zaaknummer: C/09/701353

Datum beschikking: 28 mei 2026
Voogdij
Beschikking op het op 4 februari 2026 ingekomen verzoekschrift van:
[de verzoekster] ,
de verzoekster,

wonende op een bij de rechtbank bekend adres,

advocaat: mr. S.J. Zeilstra in Amsterdam,

en
[de verzoeker] ,
de verzoeker,

wonende op een bij de rechtbank bekend adres,

advocaat: mr. S.J. Zeilstra in Amsterdam.

Als belanghebbenden worden aangemerkt:
[de biologische moeder] ,
de biologische moeder,

verblijvende in Mongolië,

en
[de biologische vader] ,
de biologische vader,

verblijvende in Mongolië.
Procedure
De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:

het verzoekschrift;

het bericht van 12 maart 2026 van de verzoekers;

het bericht van 25 maart 2026 van de verzoekers;

het bericht van 26 maart 2026 met bijlage van de verzoekers;

het bericht van 16 april 2026 met bijlagen van de verzoekers.

Op 12 mei 2026 is de zaak ter terechtzitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:

de verzoekers bijgestaan door hun advocaat en een tolk in de Mongoolse taal, S. Surenjav;

[naam] namens de Raad voor de Kinderbescherming (de Raad).
Feiten
- Uit het huwelijk van de biologische ouders is het volgende nog minderjarige kind geboren:

- [de minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2021 in [geboorteplaats] , Mongolië; dit is de naam zoals opgenomen in de eerste in Mongolië opgemaakte geboorteakte.

De verzoeker is de broer van de biologische moeder.

De verzoekster heeft de Nederlandse nationaliteit. [de minderjarige] , de verzoeker en de biologische ouders hebben de nationaliteit van Mongolië.

Op 24 augustus 2021 heeft de Ordenance of the Governor van het Metropolitan Khan-Uul District van Ulaanbaataar City toestemming gegeven voor de adoptie van [de minderjarige] door de verzoekers. Hierna is een nieuwe geboorteakte opgemaakt in Mongolië. [de minderjarige] woonde in Mongolië ten tijde van deze beslissing.

Op de eerst opgemaakte geboorteakte van [de minderjarige] zijn de biologische ouders als ouders vermeld. Op de huidige in Mongolië afgegeven geboorteakte van [de minderjarige] , opgemaakt op 31 augustus 2021 en voorzien van een apostille, staan de verzoekers als de ouders van [de minderjarige] vermeld.

De verzoekers zijn sinds 2018 woonachtig in [plaats 1] . De verzoekers zijn gehuwd op [datum] 2021 in [plaats 2] , Mongolië.

Op 14 juli 2025 zijn de verzoekers samen met [de minderjarige] naar Nederland afgereisd. Sindsdien verblijft [de minderjarige] in Nederland bij de verzoekers.

[de minderjarige] beschikt niet over een verblijfsvergunning. Hij is niet ingeschreven in de Basisregistratie Personen (BRP).

Op 4 februari 2026 is een door de verzoekers ingediend adoptieverzoek bij deze rechtbank binnengekomen. Dit verzoek is geregistreerd onder zaaknummer 699887 FA RK 26-1671.
Verzoek en verweer
Het verzoek strekt ertoe de verzoekers in het kader van een voorlopige voorziening ex 223 Wetboek van Rechtsvordering (Rv) voor de duur van de procedure in de hiervoor genoemde adoptiezaak (699887 FA RK 26-61) op grond van artikel 1:299 Burgerlijk Wetboek (BW) (voorlopig) te belasten met de voogdij over de minderjarige [de minderjarige] .

De biologische ouders hebben geen verweer gevoerd.
Beoordeling
Rechtsmacht en toepasselijk recht

[de minderjarige] , de verzoeker en de biologische ouders hebben de nationaliteit van Mongolïe, waardoor deze zaak een internationaal karakter heeft. Dit vereist een beoordeling van de rechtsmacht van de Nederlandse rechter.

Het verzoek betreft een geschil over de ouderlijke verantwoordelijkheid en valt als zodanig binnen het materiële toepassingsgebied van Verordening (EU) nr. 2019/1111 van de Raad van 25 juni 2019 betreffende de bevoegdheid, de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid, en betreffende internationale kinderontvoering (Brussel II-ter). Op grond van artikel 7, eerste lid, Brussel-II ter zijn ter zake van de ouderlijke verantwoordelijkheid bevoegd de gerechten van de lidstaat op het grondgebied waarvan het kind zijn gewone verblijfplaats heeft op het tijdstip dat de zaak bij het gerecht aanhangig wordt gemaakt. Het begrip ‘gewone verblijfplaats’ is een feitelijk begrip waaraan inhoud wordt gegeven door de feiten en omstandigheden van het concrete geval. Daarbij gaat het, kort gezegd, om de plaats waarmee het kind ten tijde van het verzoek maatschappelijk de nauwste binding heeft. De rechtbank gaat er bij de beoordeling van dit verzoek van uit dat de gewone verblijfplaats van [de minderjarige] Nederland is, nu is gebleken dat [de minderjarige] sinds 2025 bij de verzoekers in Nederland feitelijk verblijft en hier ook al enige tijd naar school gaat. Aangezien [de minderjarige] zijn gewone verblijfplaats bij de verzoekers in Nederland heeft, is de Nederlandse rechter bevoegd om van het verzoek kennis te nemen.

Nu de rechtsmacht gebaseerd is op Brussel II-ter dienen voor het toepasselijk recht de bepalingen van het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996 (hierna: HKBV ’96 ) te worden toegepast. Omdat de Nederlandse rechter bevoegd is, is Nederlands recht van toepassing.

Voogdij

Wettelijk kader

Uit artikel 1:295 BW volgt dat de rechtbank een voogd benoemt over een minderjarige, als die niet onder ouderlijk gezag staat en in de voogdij over de minderjarige niet op wettige wijze is voorzien. Op grond van artikel 1:299 BW kan de rechtbank een voogd ambtshalve en op verzoek benoemen. De te treffen voorziening moet het meest in het belang van de minderjarige worden geacht.

Standpunt verzoekers

De verzoekers, woonachtig in Nederland, hadden al geruime tijd een grote kinderwens en konden zelf wegens medische redenen geen kinderen krijgen. In 2020 raakte de (schoon)zus van de verzoekers, woonachtig in Mongolië, ongewenst zwanger en er ontstond de mogelijkheid tot adoptie. Dit heeft geleid tot de adoptie van [de minderjarige] door de verzoekers in Mongolië. Toen de biologische moeder van [de minderjarige] zwanger raakte, hebben de verzoekers een adoptieverzoek gedaan bij het Ministerie van Justitie en Veiligheid in Nederland. Dit verzoek werd in februari 2021 afgewezen gelet op de schorsing van het Nederlandse adoptiebeleid. Aanvankelijk werd [de minderjarige] in Mongolië door een familielid verzorgd vanwege het feit dat de verzoekers hem niet konden meekrijgen naar Nederland. Ondertussen gingen verzoekers zoveel mogelijk naar Mongolië, maar zij konden door visum restricties niet langer dan 90 dagen blijven. Als zij niet naar Mongolië konden, videobelden zij [de minderjarige] elke dag en ook op afstand bleven zij zorg voor hem dragen. Het familielid dat [de minderjarige] feitelijk opvoedde, deed dit alleen in lijn met de opvoeding van verzoekers. Op 14 juli 2025 zijn verzoekers met [de minderjarige] afgereisd naar Nederland op een Duits Schengenvisum. Sindsdien woont hij bij de verzoekers in Nederland en gaat hij sinds oktober 2025 naar school. Het is voor de verzoekers van groot belang dat [de minderjarige] zonder belemmeringen kan opgroeien en zekerheid verkrijgt over zijn positie in Nederland.

De Raad

Ter zitting heeft de zittingsvertegenwoordiger van de Raad - kort weergegeven - aangegeven dat het maar de vraag is of er voldoende spoedeisendheid is bij een nu al, zonder nader onderzoek, te nemen – al dan niet tijdelijke - voogdijmaatregel. Zij heeft erop gewezen dat een tijdelijke voogdijregel mogelijk consequenties zal hebben, al dan niet verblijfsrechtelijk, die op dit moment niet te overzien zijn. Zij heeft aangegeven dat de Raad een onderzoek gaat doen maar dat nog niet te zeggen is wanneer dat onderzoek gereed zal zijn.

Inhoudelijke beoordeling

De rechtbank stelt voorop dat in deze procedure niet voorligt de vraag of de adoptiebeslissing uit Mongolië in Nederland kan worden erkend. Ook ligt niet voor de vraag of [de minderjarige] in aanmerking zou komen voor adoptie naar Nederlands recht. Deze verzoeken worden behandeld in de zaak met zaaknummer 699887 FA RK 26-1671.

De rechtbank richt zich bij de beoordeling van dit verzoek uitsluitend op de vraag of er sprake is van openstaand gezag en zo ja, of en hoe daarin moet worden voorzien.

De rechtbank komt op basis van de stukken en stellingen van verzoekers tot de conclusie dat er sprake is van openstaand gezag ten aanzien van [de minderjarige] . De rechtbank komt daartoe op grond van het volgende. De biologische ouders hebben naar Mongools recht bij de geboorte van [de minderjarige] het gezag over hem verkregen. Er is vervolgens een uitspraak in Mongolië geweest waarbij naar Mongools recht de adoptie door verzoekers van [de minderjarige] is uitgesproken. De vorm van gezag die verzoekers ingevolge deze in Mongolië uitgesproken adoptiebeschikking naar Mongools recht hebben verkregen, komt weliswaar overeen met het gezag over minderjarigen zoals het Nederlands recht dat kent, echter slechts in het geval dat de adoptie (- en daarmee de gezags)beslissing in Nederland voor erkenning in aanmerking komt, kan de rechtbank aannemen dat verzoekers met het gezag zijn belast. Het komt de rechtbank voorlopig voor dat dit niet het geval is en de rechtbank overweegt daartoe als volgt. Mongolië is sinds 2000 aangesloten bij het Haags Adoptieverdrag 1993 (hierna: HAV) en was dit dus ook ten tijde van de adoptiebeslissing uit 2021. Dit betekent dat het HAV in deze zaak van toepassing was en is. Een adoptiebeslissing wordt op grond van het verdrag in andere verdragslanden van rechtswege erkend, wanneer de staat van herkomst schriftelijk heeft verklaard (artikel 23 HAV) dat de adoptie in overeenstemming met het verdrag tot stand is gekomen. Een dergelijke verklaring is er niet. Namens verzoekers is ter zitting verklaard dat een dergelijke verklaring niet is afgegeven en ook niet zal worden afgegeven. Er is door verzoekers ook geen beginseltoestemming verkregen. Het ontbreken van deze verklaring en de beginseltoestemming heeft tot gevolg dat de rechtbank het er in deze procedure voor moet houden dat de in Mongolië uitgesproken adoptie niet van rechtswege in Nederland wordt erkend. Dit betekent dat de rechtbank het er voor houdt dat verzoekers niet door de adoptiebeslissing van rechtswege het gezag over [de minderjarige] hebben verkregen.

Nu de rechtbank niet kan vaststellen dat verzoekers bekleed zijn met het gezag over [de minderjarige] , terwijl zijn biologische ouders in Mongolië verblijven (en daar naar Mongools recht ook niet meer met het gezag zijn bekleed) is de rechtbank van oordeel is dat er sprake is van openstaand gezag ten aanzien van [de minderjarige] . De rechtbank is van oordeel dat daarin in het belang van [de minderjarige] moet worden voorzien. Er is op dit moment niemand die beslissingen over [de minderjarige] kan nemen. Dat is wel nodig. De verzoekers hebben op de zitting aangegeven dat [de minderjarige] van school moet wisselen en dat [de minderjarige] ingeënt moet worden volgens het Rijksvaccinatieprogramma. Zij lopen bij dit soort in het belang van [de minderjarige] te nemen beslissingen ertegen aan dat zij niet beslisbevoegd zijn. Voorts is gebleken dat het raadsonderzoek en de behandeling van de overige verzoeken in deze zaak nog enige tijd op zich zullen laten wachten. De rechtbank acht het dan ook aannemelijk dat er in afwachting van het raadsonderzoek en de bodemprocedure gezagsbeslissingen inzake [de minderjarige] genomen zullen moeten worden. De rechtbank volgt de Raad dus niet, dat er geen belang is bij een nu al te geven voorziening in het gezag. De rechtbank acht een voorziening in het gezag in het belang van [de minderjarige] noodzakelijk.

Beoordeeld moet worden op welke wijze in het gezag moet worden voorzien. De rechtbank kan de Raad volgen, dat een raadsonderzoek nodig is om meer zicht te krijgen op de opvoedsituatie van [de minderjarige] , voordat een definitieve beslissing over de adoptie kan worden genomen. De rechtbank is echter van oordeel dat het in het belang is van [de minderjarige] dat verzoekers voor nu, totdat een eventueel andere gezagsbeslissing wordt genomen, met de voogdij worden belast. De rechtbank betrekt daarbij het volgende.

Uit de stukken en uit wat op de zitting naar voren is gebracht, is het de rechtbank gebleken dat de verzoekers de verzorging en opvoeding sinds juli 2025 in Nederland op zich nemen en dat zij ook daarvóór zeer betrokken waren bij zijn verzorging en opvoeding. De rechtbank ziet voldoende aanknopingspunten waaruit blijkt dat de verzoekers het belang van [de minderjarige] daarbij centraal stellen. De rechtbank baseert zich daarbij mede op de verklaringen van de verzoekers op de zitting waaruit blijkt dat ze de hulpverlening van Centrum Jeugd en Gezin hebben ingeschakeld en meerdere gesprekken met de school van [de minderjarige] hebben gehad.

De rechtbank heeft in overweging genomen en ter zitting aan de Raad voorgehouden of Stichting Jeugdbescherming West Haaglanden met de voogdij over [de minderjarige] zou moeten worden belast. De Raad heeft echter op de zitting aangegeven dat dit niet in de rede ligt omdat er geen sprake is van een acute situatie die een voorlopige voogdij maatregel (1:241 BW) in deze zaak noodzakelijk maakt.

Gelet hierop, alsmede gelet op het feit dat de verzoekers [de minderjarige] al geruime tijd verzorgen en opvoeden, ziet de rechtbank aanleiding om de verzoekers met de voogdij over [de minderjarige] te belasten.
Beslissing
De rechtbank:

*

benoemt de verzoekers tot voogden over de minderjarige [de minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2021 in [geboorteplaats] , Mongolië;

*

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

*

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. S.M. Westerhuis-Evers, (kinder)rechter, bijgestaan door P.F. Weenink als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 28 mei 2026.

Artikel delen