Menu

Filter op
content
PONT Klimaat

0

ECLI:NL:RBDHA:2026:17680

Het beroep is niet-ontvankelijk. Eiser is met onbekende bestemming vertrokken en onderhoudt geen contact meer met zijn gemachtigde. Daarom moet worden aangenomen dat eiser kennelijk geen prijs meer stelt op de door hem aanvankelijk gezochte internationale bescherming in Nederland.

Rechtbank Den Haag 1 July 2026

Jurisprudentie – Uitspraken

ECLI:NL:RBDHA:2026:17680 text/xml public 2026-07-01T17:00:08 2026-06-30 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-06-29 NL26.2223 Uitspraak Proces-verbaal NL Arnhem Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:17680 text/html public 2026-06-30T08:28:42 2026-07-01 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:17680 Rechtbank Den Haag , 29-06-2026 / NL26.2223
Het beroep is niet-ontvankelijk. Eiser is met onbekende bestemming vertrokken en onderhoudt geen contact meer met zijn gemachtigde. Daarom moet worden aangenomen dat eiser kennelijk geen prijs meer stelt op de door hem aanvankelijk gezochte internationale bescherming in Nederland.

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummer: NL26.2223

proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de meervoudige kamer van 29 juni 2026 in de zaak tussen
<?linebreak?> [eiser], v-nummer: [nummer], eiser
(gemachtigde: mr. M. Demirtas),

en
de minister van Asiel en Migratie,
(gemachtigde: mr. L. Rog).
Inleiding
1. Bij het bestreden besluit van 6 januari 2026 heeft de minister de termijn voor overdracht onder de Dublinverordening van eiser naar Slovenië van 6 maanden verlengd tot 12 maanden wegens eisers gevangenzetting.
1.1.
Eiser heeft tegen dit besluit beroep ingesteld.
1.2.
Het beroep is op 11 maart 2026 op zitting behandeld, waarna het onderzoek door de rechtbank is gesloten. Bij uitspraak van 14 april 2026 is het onderzoek in deze zaak heropend, omdat de rechtbank nog aanvullende vragen had.
1.3.
Op 16 juni 2026 is het beroep voor de tweede keer op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister.
1.4.
Na afloop van de behandeling van de zaak is onmiddellijk uitspraak gedaan.
Beslissing
2. De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Beoordeling door de rechtbank
3. De rechtbank geeft hiervoor de volgende overweging.
3.1.
De rechtbank beoordeelt of er in het onderhavige beroep sprake is van procesbelang. De reden hiervoor is dat de minister op 15 juni 2026 heeft gemeld dat eiser op 3 juni 2026 met onbekende bestemming uit de opvang is vertrokken. Dit blijkt uit opgave door het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COa). Hiermee is volgens de minister het procesbelang van eiser vervallen en moet het beroep niet-ontvankelijk worden verklaard.
3.2.
Als een vreemdeling die in Nederland bescherming heeft gevraagd, met onbekende bestemming vertrekt zonder aan de minister te laten weten waar hij verblijft, moet er in beginsel vanuit worden gegaan dat die vreemdeling geen prijs meer stelt op de door hem aanvankelijk gezochte bescherming in Nederland. Op basis van een melding door de minister aan de rechtbank dat eiser met onbekende bestemming is vertrokken, mag een beroep daarom niet-ontvankelijk worden verklaard wegens gebrek aan belang. Vanwege het fundamentele belang van recht op toegang tot de rechter en het bieden van doeltreffende en effectieve rechtsbescherming, is dit anders als een vreemdeling na die melding nog contact met zijn gemachtigde onderhoudt. In dat geval kan worden aangenomen dat de vreemdeling nog prijs stelt op bescherming in Nederland.
3.3.
De gemachtigde van eiser heeft tijdens de zitting laten weten dat zij na de uitnodiging voor de zitting van 5 juni 2026 contact heeft gezocht met eiser door middel van WhatsApp, waarop eiser niet heeft gereageerd. Niet gesteld is dat eiser na zijn vertrek met onbekende bestemming nog contact met haar heeft opgenomen. Ook kan uit hetgeen gemachtigde ter zitting stelde opgemaakt worden dat zij voor de datum van vertrek uit de opvang al enige tijd geen contact meer met eiser heeft gehad.
3.4.
Nu gemachtigde van eiser niet heeft gesteld dat eiser sinds zijn vertrek met onbekende bestemming nog contact met haar onderhoudt, moet worden aangenomen dat eiser kennelijk geen prijs meer stelt op de door hem aanvankelijk gezochte internationale bescherming in Nederland. Daarom heeft eiser geen belang meer bij zijn beroep tegen de verlenging van de overdrachtstermijn. De gemachtigde van eiser heeft nog betoogd dat een inhoudelijk oordeel over het beroep ertoe kan leiden dat de verlenging van de overdrachtstermijn onrechtmatig blijkt en dat Nederland nu al verantwoordelijk is, wat procesbelang oplevert. De rechtbank volgt gemachtigde daarin niet. Dit doet er niet aan af dat eiser door met onbekende bestemming te vertrekken laat blijken dat de behandeling van het beroep geen feitelijke betekenis voor hem heeft. De rechtbank verwijst wat dit betreft naar overweging 2.2 van de eerdergenoemde Afdelingsuitspraak van 1 juli 2024.
3.5.
Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Deze uitspraak is in het openbaar uitgesproken door mr. T.G. Noordhof, voorzitter,

mr. G.W.B. Heijmans en mr. G.A. van der Straaten, leden, in aanwezigheid van

mr. G.T.J. Kouwenberg, griffier, op 16 juni 2026.

Dit proces-verbaal is bekend gemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking van dit proces-verbaal.

Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 1 juli 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2662.

Artikel delen