Menu

Filter op
content
PONT Klimaat

0

ECLI:NL:RBDHA:2026:17723

Artikel 59b sub a,b,c, en e Vw , maatregel van 17 juni 2026, ook proceskostenvergoeding (pkv) voor kennisgeving als is opgeheven vóór de zitting, omdat terecht beroep is ingesteld.

Rechtbank Den Haag 6 July 2026

Jurisprudentie – Uitspraken

ECLI:NL:RBDHA:2026:17723 text/xml public 2026-07-06T12:00:22 2026-06-30 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-06-29 NL26.33873 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Zwolle Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:17723 text/html public 2026-06-30T13:03:06 2026-07-06 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:17723 Rechtbank Den Haag , 29-06-2026 / NL26.33873
Artikel 59b sub a,b,c, en e Vw , maatregel van 17 juni 2026, ook proceskostenvergoeding (pkv) voor kennisgeving als is opgeheven vóór de zitting, omdat terecht beroep is ingesteld.
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Zwolle

Bestuursrecht

zaaknummer: NL26.33873
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser], V-nummer: [V-nummer], eiser
(gemachtigde: mr. H. Postma),

en
de minister van Asiel en Migratie,
(gemachtigde: mr. K. Diender).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a, b en e van de Vw. Eiser is het niet eens met die maatregel. Hij voert daartegen een aantal beroepsgronden aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van die maatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is. De rechtmatigheid van het opleggen van de maatregel is niet in geschil, maar het voortduren van de maatregel van vreemdelingenbewaring is onrechtmatig, omdat op enig moment na oplegging duidelijk werd dat eiser geen asielaanvraag meer wilde indienen. De rechtbank kent daarom een schadevergoeding toe. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.
Procesverloop
2. Met het bestreden besluit van 17 juni 2026 heeft de minister aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.
2.1.
Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 25 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling door de rechtbank
Toetsingskader

3. De voor de beoordeling van de overige beroepsgronden belangrijke wet- en regelgeving is te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.

De aan eiser opgelegde maatregel van vreemdelingenbewaring

4. De minister heeft aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd. In deze maatregel staat dat de vreemdelingenbewaring noodzakelijk is met het oog op de vaststelling van de identiteit of nationaliteit van eiser en met het oog op het verkrijgen van gegevens die noodzakelijk zijn voor beoordeling van een asielaanvraag. Daarnaast heeft de minister deze maatregel opgelegd omdat eiser (1o) in vreemdelingenbewaring werd gehouden in het kader van een terugkeerprocedure uit hoofde van de Terugkeerrichtlijn, (2o) reeds de mogelijkheid van toegang tot de asielprocedure heeft gehad en (3o) op redelijke gronden kan worden aangenomen dat hij de aanvraag louter heeft ingediend om de uitvoering van het terugkeerbesluit uit te stellen of te verijdelen.
4.1.
In de maatregel heeft de minister als gronden vermeld dat eiser:

a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan, waarbij de vreemdeling zich gedurende enige tijd aan het toezicht heeft onttrokken of zich zonder toestemming tussen de lidstaten van de Europese Unie beweegt;b. eerder een besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht de Europese Unie dan wel Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;c. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;d. in verband met zijn aanvraag om toelating onjuiste of tegenstrijdige gegevens heeft verstrekt over zijn identiteit, nationaliteit of de reis naar Nederland of een andere lidstaat;h. heeft te kennen gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan de verplichting tot terugkeer;n. zich niet heeft gehouden aan een hem opgelegde maatregel ter beperking van beweging van de vrijheid, bedoeld in artikel 56, eerste lid, van de Vw;r. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;s. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.

5. De rechtbank stelt vast dat eiser de gronden die door de minister in de maatregel van vreemdelingenbewaring zijn opgenomen, inhoudelijk niet betwist. De gronden zijn voldoende om de maatregel te dragen. Daarom kan worden aangenomen dat er een risico op onderduiken bestaat.

6. Ook overigens ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat het opleggen van de maatregel ten tijde van de oplegging daarvan onrechtmatig was.

Is de maatregel van vreemdelingenbewaring na oplegging onrechtmatig geworden?

7. De rechtbank stelt verder vast dat niet in geschil is dat de maatregel na oplegging daarvan onrechtmatig is geworden, omdat op 18 juni 2026 duidelijk werd dat eiser geen asielaanvraag wilde doen en de grondslag had moeten worden omgezet naar artikel 59, eerste lid, van de Vw. Dit heeft de minister niet tijdig gedaan en daarom is de maatregel vanaf 18 juni 2026 onrechtmatig. De minister heeft daarom terecht schadevergoeding aangeboden vanaf 18 juni 2026. De rechtbank acht gronden aanwezig om schadevergoeding toe te kennen voor vijf dagen onrechtmatige (tenuitvoerlegging van de) vrijheidsontnemende maatregel van 5 x € 120,- (verblijf detentiecentrum) = €600,-

Is er aanleiding voor proceskostenvergoeding?

8. Eiser voert aan dat er bij de brief van de minister van 24 juni 2026 naast schadevergoeding ook proceskostenvergoeding had moeten worden aangeboden. Eiser heeft zijn gemachtigde genoemd als voorkeursadvocaat en die heeft maandag 22 juni 2026 contact opgenomen met de DTenV om de grondslag van de maatregel omgezet te krijgen. Aangezien je ter zitting nog gronden mag aanvoeren is het onjuist dat alleen proceskostenvergoeding wordt aangeboden als een advocaat schriftelijk gronden indient. Het is niet mogelijk om zelf beroep in te stellen, dus dat het met een kennisgeving aanhangig is gemaakt, is onvermijdelijk. Bovendien werden vroeger bij de 28-dagen kennisgevingen ook proceskosten vergoed.
8.1.
De minister stelt dat een automatische kennisgeving geen beroep is waarvoor de gemachtigde handelingen heeft moeten verrichten. De minister verwijst daarbij naar de uitspraak van de Afdeling van 23 februari 2024. In dit geval is vóór de zitting al schadevergoeding aangeboden, waardoor een zitting met werkzaamheden niet nodig was geweest.
8.2.
De rechtbank is van oordeel dat eiser procesbelang heeft bij de beoordeling van dit punt, omdat de minister te kennen heeft gegeven dit standpunt in alle zaken die voorafgaand aan de zitting worden opgeheven te zullen hanteren. De rechtbank is van oordeel dat eiser in dit geval om twee redenen recht heeft op een proceskostenvergoeding:
8.2.1.
De eerste reden is dat de zitting plaatsvond op 25 juni 2026 en de minister pas bij brief van 24 juni 2026 om 14:25 uur te kennen heeft gegeven schadevergoeding te willen aanbieden. Voorstelbaar is dat de gemachtigde op dat tijdstip, net als de rechtbank, de zitting al had voorbereid en dus werkzaamheden had verricht. Bovendien ontbrak nog de M113 ter bevestiging dat de maatregel daadwerkelijk is opgeheven; dat is pas ter zitting bevestigd en pas op 26 juni 2026 geüpload in het dossier.
8.2.2.
De tweede reden is dat, zodra de rechtbank de kennisgeving heeft ontvangen, de vreemdeling geacht wordt beroep te hebben ingesteld tegen het besluit tot oplegging van een vrijheidsontnemende maatregel. Iemand heeft recht op een proceskostenvergoeding als het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen. Daarbij is niet bepalend of er al gronden van beroep zijn ingediend. In dit geval is de maatregel niet opgeheven vanwege bijvoorbeeld een reeds geplande uitzetting, maar rechtstreeks vanwege een fout die aan het licht is gekomen na het aanhangig worden van de zaak bij de rechtbank. De rechtbank is daarom van oordeel dat eiser terecht beroep heeft ingesteld (door middel van een kennisgeving) en er daarom recht is op een proceskostenvergoeding.
8.2.3.
Omdat de bevestiging van de opheffing pas is ontvangen na de zitting, heeft eiser ook recht op proceskostenvergoeding voor de zitting.
Conclusie en gevolgen
9. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is gegrond. Deze maatregel is vanaf 18 juni 2026 onrechtmatig.

10. Eiser krijgt een vergoeding van zijn proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiser geacht wordt beroep te hebben ingesteld en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
Beslissing
De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van een schadevergoeding aan eiser tot een bedrag van € 600,00, te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;

- veroordeelt de minister tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.M. van Veelen, rechter, in aanwezigheid van S. Hitijahubessy - Brussaard, griffier.

Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.
Bijlage: wettelijk kader
Artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw. De minister kan in vreemdelingenbewaring stellen de vreemdeling die rechtmatig verblijf heeft op grond van artikel 8, aanhef en onder f, subonderdeel 2° of onder h, subonderdeel 2°, van de Vw voor zover dit betrekking heeft op een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel als bedoeld in artikel 28 van de Vw, als vreemdelingenbewaring noodzakelijk is met het oog op vaststelling van de identiteit of nationaliteit van de vreemdeling. Deze grond voor vreemdelingenbewaring is aanwezig, als de identiteit of de nationaliteit van de vreemdeling met onvoldoende zekerheid bekend is en zich ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vb zich voordoen.

Artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw. De minister kan in vreemdelingenbewaring stellen de vreemdeling die die rechtmatig verblijf heeft op grond van artikel 8, aanhef en onder f, subonderdeel 2° of onder h, subonderdeel 2°, van de Vw voor zover dit betrekking heeft op een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel als bedoeld in artikel 28 van de Vw, als vreemdelingenbewaring noodzakelijk is met het oog op het vaststellen van de gegevens gegevens die ten grondslag liggen aan een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel als bedoeld in artikel 28 van de Vw en die niet zouden kunnen worden verkregen indien de aanvrager niet in vreemdelingenbewaring zou worden gehouden, met name wanneer er sprake is van een onderduikrisico. Deze grond voor vreemdelingenbewaring is aanwezig, als door middel van vreemdelingenbewaring de gegevens die noodzakelijk zijn voor beoordeling van een aanvraag tot het verkrijgen van een verblijfsvergunning kunnen worden verkregen en zich ten minste van de twee gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vb zich voordoen.

Artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw. De minister kan in vreemdelingenbewaring stellen de vreemdeling die die rechtmatig verblijf heeft op grond van artikel 8, aanhef en onder f, subonderdeel 2° of onder h, subonderdeel 2°, van de Vw voor zover dit betrekking heeft op een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel als bedoeld in artikel 28 van de Vw, als de vreemdeling:

in vreemdelingenbewaring werd gehouden in het kader van een terugkeerprocedure uit hoofde van de Terugkeerrichtlijn;

reeds de mogelijkheid van toegang tot de asielprocedure heeft gehad; en

op redelijke gronden aangenomen kan worden dat hij de aanvraag louter heeft ingediend om de uitvoering van het terugkeerbesluit uit te stellen of te verijdelen.

Bij de beoordeling of sprake is van een dergelijke aanvraag worden alle omstandigheden van het geval betrokken, waaronder met name:

of de vreemdeling eerder een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd heeft gedaan;

de termijn waarbinnen de vreemdeling zijn aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd kenbaar heeft gemaakt in het licht van zijn verklaringen hieromtrent;

de omstandigheden waaronder de vreemdeling is aangetroffen dan wel zijn aanvraag kenbaar heeft gemaakt;

of de vreemdeling in het Schengeninformatiesysteem ter zake van een inreisverbod gesignaleerd staat;

de gestelde nationaliteit in het licht van de toepassing van artikel 30b, eerste lid, onder b van de Vw;

de onderbouwing van de aanvraag.

Artikel 59c van de Vw. De minister stelt een vreemdeling slechts in vreemdelingenbewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast en de vreemdelingenbewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de vreemdelingenbewaring. In het besluit tot vreemdelingenbewaring vermeldt de minister de feitelijke en juridische gronden waarop de vreemdelingenbewaring is gebaseerd en de reden dat geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast.

Vreemdelingenwet 2000.

Het beroep tegen een maatregel van bewaring wordt ook aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.

Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.

Zie het arrest C, B en X van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858.

Uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 23 februari 2024, ECLI:NL:RVS:2024:777, r.o. 12.1.

Dit volgt uit artikel 94, eerste lid, van de Vw.

Dit volgt uit artikel 8:75a, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht.

Dit volgt uit artikel 5.7, eerste lid, van het Vb.

Dit volgt uit artikel 5.7, tweede lid, van het Vb.

Artikel delen