Vervolgberoep. Maatregel van bewaring ogv 59.1.a Zicht op uitzetting Algerije. Geen aanleiding lichter middel
Rechtbank Den Haag 7 July 2026
Jurisprudentie – Uitspraken
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2026:17811
Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
01-07-2026
Datum publicatie
07-07-2026
Zaaknummer
NL26.34871
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI:NL:RBDHA:2026:17811text/xmlpublic2026-07-07T12:00:112026-07-01Raad voor de RechtspraaknlRechtbank Den Haag2026-06-30NL26.34871UitspraakEerste aanleg - enkelvoudigNLZwolleBestuursrecht; VreemdelingenrechtRechtspraak.nlhttp://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:17811text/htmlpublic2026-07-01T11:06:432026-07-07Raad voor de RechtspraaknlECLI:NL:RBDHA:2026:17811 Rechtbank Den Haag , 30-06-2026 / NL26.34871 Vervolgberoep. Maatregel van bewaring ogv 59.1.a Zicht op uitzetting Algerije. Geen aanleiding lichter middel
RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Zwolle Bestuursrecht zaaknummer: NL26.34871
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], V-nummer: [V-nummer], eiser gemachtigde: mr. H.W. Omvlee, en de minister van Asiel en Migratie.Procesverloop De minister heeft op 9 april 2026 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort. Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding. De minister heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd. De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft en heeft het onderzoek gesloten op 25 juni 2026. Overwegingen 1. Eiser stelt van Algerijnse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 2002. 2. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan. 3. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 29 april 2026 in de zaak NL26.20239 volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek op 23 april 2026.
4. Eiser stelt zich op het standpunt dat er geen zicht op uitzetting meer is, nu er nog geen enkele reactie is ontvangen van de Algerijnse autoriteiten op zijn laissez passer (lp) aanvraag. Eiser stelt zich op het standpunt dat de minister met een lichter middel moet volstaan. Eiser heeft verklaard dat zijn zus in Frankrijk een kopie van zijn paspoort zou opsturen/langsbrengen. Hiermee heeft hij geprobeerd om zijn documenten te verstrekken. Ook geeft hij daarbij aan zo spoedig mogelijk te willen vertrekken. Hieruit blijkt dat hij zich meewerkend opstelt en ook voornemens is om te vertrekken. Op de minister rust, naarmate de bewaring voortduurt, de verplichting om telkens te beoordelen of een lichter middel kan worden toegepast. Betrokkene verblijft inmiddels ruim drie maanden in bewaring. Gelet op zijn meewerkende houding en zijn bereidheid om zich aan een meldplicht te houden, bestaat er aanleiding om de bewaring te vervangen door een minder ingrijpende maatregel en dient de belangenafweging in het voordeel van eiser uit te vallen. 5. De rechtbank is van oordeel dat er nog zicht op uitzetting van eiser naar Algerije bestaat. Allereerst geldt dat de Algerijnse autoriteiten in zijn algemeenheid bereid zijn tot afgifte van lp’s. Uit de voortgangsrapportage blijkt dat de lp-aanvraag loopt en er regelmatig wordt gerappelleerd, laatstelijk op 4 juni 2026. In het vooralsnog uitblijven van een reactie van de Algerijnse autoriteiten op deze aanvraag, ziet de rechtbank op dit moment geen aanleiding voor het oordeel dat het zicht op uitzetting ontbreekt. Verder is niet gebleken dat de Algerijnse autoriteiten hebben laten weten dat zij geen lp voor eiser zullen afgeven. 6. In de maatregel heeft de minister voldoende gemotiveerd waarom in het geval van eiser niet met een lichter middel kan worden volstaan. Uit het dossier volgt verder dat de belangen van eiser regelmatig worden afgewogen. Zo wordt na elk vertrekgesprek beoordeeld of eiser omstandigheden heeft aangevoerd die maken dat de bewaringsmaatregel niet langer zou kunnen voortduren. De rechtbank is van oordeel dat zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat niet met een lichter middel kan worden volstaan en dat een belangenafweging niet in het voordeel van eiser uitvalt. De rechtbank stelt vast dat eiser ten aanzien van zijn paspoort wisselend heeft verklaard. Eiser heeft verklaard dat hij zelf zijn terugkeer niet kan bespoedigen, omdat hij geen identiteitsdocumenten heeft en ook geen kopieën hiervan. Later verklaart eiser dat hij zijn zus heeft gevraagd zijn paspoort te brengen. Eiser stelt weliswaar te hebben geprobeerd om aan zijn paspoort te komen, maar tot op heden is dat paspoort er nog niet. In de enkele verklaring van eiser dat hij wil terugkeren, ziet de rechtbank dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat de minister had moeten volstaan met een lichter middel. De enkele duur van de vreemdelingenbewaring maakt gelet op de gronden en de motivering daarvan ook niet dat de belangenafweging in het geval van eiser in zijn voordeel dient uit te vallen. De beroepsgrond slaagt niet 7. Ook overigens ziet de rechtbank geen aanleiding om de bewaring onrechtmatig te achten. 8. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. 9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af. Deze uitspraak is gedaan door mr. M.M. van Veelen, rechter, in aanwezigheid van
H.B. Slot - Akkerman, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open. ECLI:EU:C:2025:647, ECLI:EU:C:2022:858 en ECLI:NL:RVS:2026:329.