Menu

Filter op
content
PONT Klimaat

0

ECLI:NL:RBDHA:2026:17900

Asiel, Syrië, 15c Kri, standpunt minister ondeugdelijk gemotiveerd, beroep gegrond.

Rechtbank Den Haag 2 July 2026

Jurisprudentie – Uitspraken

ECLI:NL:RBDHA:2026:17900 text/xml public 2026-07-02T08:58:19 2026-07-02 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-04-28 NL26.2884 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Utrecht Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:17900 text/html public 2026-07-02T08:57:39 2026-07-02 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:17900 Rechtbank Den Haag , 28-04-2026 / NL26.2884
Asiel, Syrië, 15c Kri, standpunt minister ondeugdelijk gemotiveerd, beroep gegrond.
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: NL26.2884
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser
(gemachtigde: mr. M.M. van Woensel),

en
de minister van Asiel en Migratie,
(gemachtigde: mr. N. Hamzaoui).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van de Vw. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal

beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.

2. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag niet in stand kan blijven. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
3. Eiser heeft op 20 januari 2024 een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft deze aanvraag met het bestreden besluit van 9 januari 2026 in de algemene procedure afgewezen als ongegrond.
3.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
3.2.
De rechtbank heeft het beroep op 8 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, J. Al-Sayid als tolk en de gemachtigde van de minister.
3.3.
Bij sluiting van het onderzoek op zitting heeft de rechtbank meegedeeld binnen twee weken uitspraak te doen. De rechtbank heeft deze termijn niet gehaald en partijen bericht een week later uitspraak te doen.
Beoordeling door de rechtbank
Het asielrelaas

4. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Hij is afkomstig uit [plaats] , Syrië. In 1999 is hij vertrokken naar Saoedi-Arabië om daar te werken. In 2011 is hij een korte periode terug geweest in Syrië, maar daarna is hij niet meer teruggekeerd vanwege het uitbreken van de oorlog. In 2015 kwam hij erachter dat hij en zijn twee broers zich moesten melden bij de veiligheidsdienst. Hij weet niet waarom en heeft hier geen gehoor aan gegeven, en weet niet of hij nog steeds gezocht wordt.

Het bestreden besluit

5. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:

1. identiteit, nationaliteit en herkomst;

2. dat eiser zich moest melden bij de veiligheidsdienst.

6. De minister acht beide asielmotieven geloofwaardig. Volgens de minister betekent dit echter niet dat eiser een vluchteling is zoals bedoeld in het Vluchtelingenverdrag. Ook loopt hij bij terugkeer geen reëel risico op ernstige schade. De minister houdt vast aan zijn beleid ten aanzien van artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn dat in heel Syrië sprake is van een relatief lager niveau van willekeurig geweld. In het bestreden besluit heeft de minister daarbij opgemerkt dat de humanitaire omstandigheden in Syrië geen (doorslaggevende) rol spelen, omdat de huidige situatie niet of slechts in beperkte mate te wijten is aan een lopend gewapend conflict, maar meer het gevolg is van de jarenlange oorlog, economische sancties en nalatigheid van de regering van Assad, die nu geen actor meer is in het conflict. Eiser heeft geen individuele omstandigheden naar voren gebracht waardoor hij meer risico loopt om slachtoffer te worden van willekeurig geweld. Eiser heeft ook geen aanvullende informatie overgelegd over zijn vermoeden dat hij zich in Syrië moet melden bij de veiligheidsdienst.

Artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn

7. Eiser voert aan dat de minister zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat in Syrië sprake is van een relatief lager niveau van willekeurig geweld, als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn. Eiser verwijst hiertoe naar de Algemeen ambtsberichten Syrië van mei 2025 en januari 2026 en naar verschillende rapporten en nieuwsberichten. Volgens eiser volgt daaruit dat nog in hoge mate sprake is van willekeurig geweld waar burgers slachtoffer van worden. Verder stelt eiser dat alle humanitaire omstandigheden die in verband staan met het willekeurig geweld betrokken moeten worden bij de beoordeling.

8. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zijn standpunt dat voor heel Syrië sprake is van een relatief lager niveau van willekeurig geweld, ondeugdelijk gemotiveerd. De rechtbank verwijst naar haar uitspraken van 11 december 2025 (zittingsplaats Haarlem) en 23 maart 2026 (zittingsplaats Rotterdam). De toelichting van de minister in de procedure van eiser en de informatie waarnaar hij heeft verwezen, leiden niet tot een ander oordeel. Uit het Algemeen ambtsbericht Syrië van januari 2026 volgt dat in Syrië nog altijd sprake is van een groot gebrek aan stabiliteit en van aanhoudende geweldsincidenten, waaronder geweld tegen burgers.

9. Daarnaast heeft de minister ten onrechte de humanitaire omstandigheden niet,

althans onvoldoende, bij de beoordeling betrokken. De rechtbank verwijst ook in dit verband naar de uitspraken van 11 december 2025 en 23 maart 2026.

10. De beroepsgrond slaagt. Wat partijen verder hebben aangevoerd, behoeft geen bespreking.
Conclusie en gevolgen
11. De minister heeft de aanvraag ten onrechte afgewezen als ongegrond. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit in strijd is met het motiveringsbeginsel. Dit betekent dat eiser gelijk krijgt. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank ziet geen reden om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten. Ook draagt de rechtbank niet aan de minister op om het gebrek te herstellen met een betere motivering of een ander besluit (een zogenoemde bestuurlijke lus). Dit omdat dit volgens de rechtbank geen doelmatige en efficiënte manier is om de zaak af te doen.
11.1.
De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht dat de minister een nieuw besluit moet nemen en daarbij rekening houdt met deze uitspraak. De rechtbank geeft de minister hiervoor twaalf weken.
11.2.
Omdat het beroep gegrond is krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
Beslissing
De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit van 9 januari 2026;

- draagt de minister op binnen twaalf weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag, waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak;

- veroordeelt de minister tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.

Deze uitspraak is gedaan door mr. P.J. Blok, rechter, in aanwezigheid van mr. S.J. Valk, griffier.

Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op 28 april 2026

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Vreemdelingenwet 2000.

Richtlijn 2004/83/EG.

Dit beleid is neergelegd in paragraaf C7/33.4.2 van de Vreemdelingencirculaire 2000.

ECLI:NL:RBDHA:2025:23822 en ECLI:NL:RBDHA:2026:7137.

Artikel delen