Menu

Filter op
content
PONT Klimaat

0

ECLI:NL:RBDHA:2026:18156

VA – Pakistan – waarde aangifte – verklaringen vormen geen samenhangend en aannemelijk geheel omdat eiser onlogisch, wisselend en vaag heeft verklaard – affidavit – schuldslavernij – geen reëel risico op ernstige schade als eiser zou terugkeren naar Pakistan. Beroep ongegrond.

Rechtbank Den Haag 3 July 2026

Jurisprudentie – Uitspraken

ECLI:NL:RBDHA:2026:18156 text/xml public 2026-07-03T08:45:17 2026-07-03 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-06-08 NL25.24414 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Lelystad Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18156 text/html public 2026-07-03T08:44:39 2026-07-03 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:18156 Rechtbank Den Haag , 08-06-2026 / NL25.24414
VA – Pakistan – waarde aangifte – verklaringen vormen geen samenhangend en aannemelijk geheel omdat eiser onlogisch, wisselend en vaag heeft verklaard – affidavit – schuldslavernij – geen reëel risico op ernstige schade als eiser zou terugkeren naar Pakistan. Beroep ongegrond.
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: NL25.24414
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser
(gemachtigde: mr. E. Stap),

en
de minister van Asiel en Migratie,
(gemachtigde: mr. E.M.G. Walraven).
Samenvatting
Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser. Eiser is het daar niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
3. Eiser stelt dat hij de Pakistaanse nationaliteit heeft en dat hij is geboren op

[geboortedatum] 2000. Hij is afkomstig uit Pakistan, maar voorafgaand aan zijn komst naar Nederland verbleef hij in Oekraïne op een studievisum. Direct na de inval door Rusland op 24 februari 2022 is eiser gevlucht. Op 15 mei 2022 heeft hij in Nederland een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Met een besluit van 16 mei 2025 (het bestreden besluit) heeft de minister de asielaanvraag afgewezen als ongegrond.
3.1.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
3.2.
De minister heeft een verweerschrift ingediend.
3.3.
De rechtbank heeft het beroep op 8 januari 2026 op zitting behandeld. Eiser heeft vanwege de weersomstandigheden telefonisch deelgenomen, bijgestaan door de waarnemer van zijn gemachtigde, mr. J.W.F. Menick. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde mr. R.A. Mandersloot. Er was geen tolk aanwezig. Omdat eiser niet voldoende in staat was om op de vragen van de rechtbank te antwoorden, heeft de rechtbank de zaak aanhouden.
3.4.
Op 11 maart 2026 heeft eiser op het verweerschrift van de minister gereageerd.
3.5.
De rechtbank heeft het beroep op 1 april 2026 opnieuw op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door mr. J.W.F. Menick, als waarnemer van zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen V. Sharma. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Wat aan deze procedure voorafging
Het asielrelaas

4. Eiser legt aan zijn asielaanvraag ten grondslag dat toen Covid-19 uitbrak, zijn familiebedrijf verliezen leed. Eiser is naar klanten geweest om betalingen te vorderen. Meerdere klanten weigerden te betalen en eiser werd daarna twee keer fysiek en twee keer telefonisch bedreigd. Eisers vader heeft vervolgens de opslag verkocht. Van de opbrengst is eiser naar Oekraïne gereisd en heeft hij zijn studie kunnen betalen. Omdat het familiebedrijf grote schulden heeft, werken eisers vader en broertje inmiddels voor een schuldeiser,

[persoon1] , om de schulden terug te betalen. Eiser vreest dat hij bij terugkeer naar Pakistan ook onder dwang voor de schuldeiser moet werken en onder onmenselijke omstandigheden zijn vaders schuld moet aflossen. Eiser vreest daarnaast dat de klanten van wie hij geld heeft geëist hem zullen doden.

Het bestreden besluit

5. Het asielrelaas van eiser bevat volgende de minister de volgende asielmotieven:

1. Identiteit, nationaliteit en herkomst;

2. Problemen vanwege het verlies dat het familiebedrijf leed.
5.1.
De minister heeft de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser geloofwaardig geacht. De door eiser gestelde problemen vanwege het verlies dat het familiebedrijf leed heeft de minister gedeeltelijk ongeloofwaardig geacht.
5.2.
De minister volgt de verklaringen van eiser dat zijn familie in financiële problemen is gekomen vanwege tekorten die zijn ontstaan in het familiebedrijf. Enerzijds is sprake van schuldenaren die niet betalen en anderzijds kan het bedrijf zelf de schulden aan [persoon1] niet betalen. Ook volgt de minister eisers verklaring dat zijn vader en zijn broer op dit moment aan het werk zijn om de ontstane schulden af te lossen. De minister vindt het echter ongeloofwaardig dat eiser vervolgd en bedreigd is door schuldenaren. De minister vindt dat eisers verklaringen over de bedreigingen geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen. Volgens de minister zijn de verklaringen over de datum waarop de bedreigingen zouden hebben plaatsgevonden onlogisch. Verder vindt de minister dat eiser wisselend heeft verklaard over de aangiftes en dat hij vaag heeft verklaard over de reden waarom de schuldenaren eiser zouden willen vermoorden.
5.3.
De minister vindt dat uit de verklaringen van eiser niet blijkt dat hij gegronde vrees heeft voor vervolging. De financiële problemen waarin het familiebedrijf verkeert en de financiële gevolgen voor eiser en zijn familieleden hebben geen raakvlakken met het Vluchtelingenverdrag. De minister vindt verder dat eiser bij terugkeer geen reëel risico loopt op ernstige schade. Eiser kan zijn familie ondersteunen door elders in Pakistan een baan te zoeken. Als eiser bij terugkeer zou moeten helpen om de familieschulden in te lossen, dan leidt dit niet tot een onmenselijke situatie, aldus de minister. Uit de verklaringen van eiser blijkt niet dat zijn familie verkeert in een situatie die voldoet aan de omschrijving van het fenomeen schuldslavernij (bonded labour) als bedoeld in de Algemene Ambtsberichten van Pakistan van 2022 en 2024. Tenslotte acht de minister de kans dat eiser bij terugkeer problemen zal ondervinden van de kant van schuldeiser [persoon1] niet reëel. Eiser is niet persoonlijk benaderd of bedreigd en heeft niets van deze schuldeiser vernomen, ook niet na twee keer terug te zijn geweest in zijn ouderlijk huis.
De beroepsgronden en het oordeel van de rechtbank
Beroepsgronden

6. Eiser heeft in beroep verwezen naar hetgeen in de zienswijze was aangevoerd en verzocht dit als herhaald en ingelast te beschouwen in de beroepsprocedure. Volgens eiser dient hij in aanmerking te komen voor een asielvergunning ofwel omdat hij dient te worden erkend als vluchteling, ofwel omdat hij op grond van persoonlijke feiten en omstandigheden aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij terugkeer naar Pakistan een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM. Eiser heeft verwezen naar een stuk waaruit volgens hem blijkt dat hij op 10 juni 2021 aangifte heeft gedaan bij de politie. Eiser stelt dat de politie de zaak alleen wilde oppakken als hij veel geld zou betalen. De tegenpartij had ook al veel geld betaald aan de politie om niets met de aangifte te doen. Eiser wijst er op dat schuldslavernij in Pakistan voorkomt in de regio waar eiser en zijn familie wonen. De kans is volgens eiser heel groot dat hij bij terugkeer naar Pakistan gedwongen wordt in deze vorm van arbeid te werken voor de schuldeisers. Eiser verwijst hiertoe naar een verklaring (affidavit) van zijn vader.
6.1.
Tijdens de zitting heeft de waarnemer van de gemachtigde van eiser de beroepsgronden, inhoudende dat er ten onrechte geen reguliere verblijfsvergunning is toegekend en geen uitstel van vertrek om medische redenen is verleend ingetrokken. Ook de beroepsgrond over de rechterlijke dwangsom is tijdens de zitting ingetrokken.Oordeel van de rechtbank

7. Uit het in algemene zin herhalen en inlassen van wat eiser eerder in de procedure naar voren heeft gebracht, kan de rechtbank niet afleiden waarom eiser van mening is dat het bestreden besluit onjuist is. Daarom ziet de rechtbank hierin geen aanleiding het bestreden besluit te vernietigen.

8. De rechtbank begrijpt dat eiser met zijn verwijzing naar de aangifte stelt dat hij daarmee een document heeft overgelegd waarmee hij één van de bedreigingen als gevolg van de financiële problemen heeft onderbouwd, zodat de minister zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat zijn asielrelaas ongeloofwaardig is.
8.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. De minister heeft niet ten onrechte geringe waarde toegekend aan de aangifte. Daarbij is van belang dat uit het document niet kan worden afgeleid dat daadwerkelijk aangifte is gedaan en tegen wie precies. De minister mocht het opmerkelijk vinden dat als naam van de bedreiger enkel ‘ [persoon2] ’ ( [persoon2] ) is vermeld omdat eisers familie de volledige naam niet zou kennen, terwijl eiser ook heeft verklaard dat deze persoon bekend was als [persoon2] (op zitting heeft eiser toegelicht dat dit betekent: ‘uit de plaats [plaats 1] ’). Ook heeft de minister hierbij kunnen betrekken dat uit algemene landeninformatie volgt dat een aangifte in Pakistan doorgaans op het politiebureau wordt gedaan, waarbij een First Information Report en eventueel een proces-verbaal wordt opgesteld. Dergelijke stukken heeft eiser niet overgelegd.
8.2.
Eiser stelt verder dat hij zijn vader direct heeft verteld over de eerste bedreiging (door een schuldenaar) en dat deze hem adviseerde nog geen aangifte te doen omdat de kans dat deze schuldenaar daarna nog zou terugbetalen nihil zou worden. Daarmee stelt eiser, naar de rechtbank begrijpt, dat de minister het niet onlogisch heeft mogen vinden dat eiser niet meteen na de eerste (ernstige) bedreiging naar de politie is gegaan.
8.3.
Naar het oordeel van de rechtbank zou deze toelichting van eiser over het ‘niet meteen aangifte doen’, als deze op zichzelf zou staan, niet onlogisch hoeven zijn. De minister heeft er echter terecht op gewezen dat het wel opmerkelijk is dat eiser (althans zijn vader) kennelijk nog hoop hield dat de schuld betaald zou worden ondanks de omstandigheid dat de schuldenaar eiser met een vuurwapen had bedreigd vanwege diens incassopoging. De minister heeft bovendien niet ten onrechte opgemerkt dat hij dit niet los kan zien van de aangifte na de tweede bedreiging door een andere schuldenaar, die minder ernstig van karakter was (niet fysiek, geen vuurwapen), maar waarna wél aangifte is gedaan. Verder heeft de minister terecht opgemerkt dat de toelichting van eiser in beroep strijdig is met een eerdere verklaring van eiser, namelijk dat hij vanwege het vuurwapen geen aangifte had gedaan na de éérste bedreiging. De minister heeft zich ook terecht op het standpunt gesteld dat eiser wisselend heeft verklaard over de reden waarom het nodig was om de politie geld te betalen. Ook over de consequenties van het (niet) betalen van geld aan de politie heeft eiser wisselend verklaard. Wat eiser hierover in beroep heeft aangevoerd, leidt niet tot een ander oordeel.
8.4.
De minister heeft voldoende gemotiveerd waarom de verklaringen van eiser over de bedreigingen geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen omdat eiser onlogisch, wisselend en vaag heeft verklaard. De rechtbank constateert dat eiser tegen de (overige) elementen waarop de minister die conclusie heeft gebaseerd geen gronden heeft gericht.De rechtbank komt dan ook tot het oordeel dat de conclusie van de minister dat eisers verklaringen over de bedreigingen ongeloofwaardig zijn, voldoende is gemotiveerd. De beroepsgrond slaagt niet.

9. Ten aanzien van de stelling van eiser dat hij bij terugkeer naar Pakistan een groot risico loopt om in een situatie van schuldslavernij terecht te komen, overweegt de rechtbank als volgt. Met de minister is de rechtbank van oordeel dat uit het asielrelaas van eiser niet naar voren komt dat zijn vader en broer momenteel in een situatie verkeren die kan worden gelijkgesteld met schuldslavernij en dat hij daarom zelf ook een risico loopt. Wel wordt duidelijk dat eisers vader en broer momenteel werken om de schuld af te lossen. De waarnemer van de gemachtigde van eiser heeft op de zitting ook erkend dat ‘dwang’ niet blijkt uit de door eiser aangehaalde affidavit. Dat het, naar de waarnemer van de gemachtigde op zitting heeft gesteld, niet uit het affidavit blijkt maar wel uit de praktijk, te meer daar de schuld naar Pakistaanse begrippen heel groot is, heeft eiser geheel niet nader onderbouwd. Ook eisers stelling dat schuldslavernij een risico vormt omdat dit voorkomt in de regio waar eiser vandaan komt, is niet onderbouwd. Daar staat tegenover dat uit het AAB waar de minister naar verwijst volgt dat schuldslavernij voorkomt in geïsoleerde gebieden. Hieruit volgt niet dat het ook voorkomt in [plaats 2] , waar eiser vandaan komt. Eiser en zijn familie bezitten volgens de minister ook niet de kenmerken van mensen die een risico op gedwongen arbeid lopen: eiser is niet laag opgeleid en zijn familie behoort niet tot een lagere sociale kaste. Eisers stelling op zitting dat het niet juist is dat alleen mensen met deze kenmerken een risico lopen, is niet onderbouwd. De minister heeft verder kunnen wijzen op de omstandigheid dat eiser nimmer persoonlijk is benaderd door de schuldeiser, ook niet toen hij na zijn vertrek uit Pakistan nog tweemaal terugreisde naar zijn ouderlijk huis.
9.1.
Daarmee bestaat er geen grond voor het oordeel dat de minister zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat geen sprake is van een reëel risico op ernstige schade als eiser zou terugkeren naar Pakistan. In hetgeen eiser heeft aangevoerd ziet de rechtbank geen argumenten op grond waarvan moet worden geoordeeld dat de conclusie van de minister onjuist zou zijn dat eiser niet als vluchteling kan worden aangemerkt. De beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie en gevolgen
10. De minister heeft de asielaanvraag terecht afgewezen als ongegrond. Het beroep is ongegrond. Dit betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Voor een proceskostenveroordeling bestaat bij deze uitkomst geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. O. Veldman, rechter, in aanwezigheid van

mr. A.C. Hummel, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 8 juni 2026.
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.

Artikel 31, zesde lid, aanhef en onder c, van de Vreemdelingenwet 2000.

Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden (EVRM).

Algemeen Ambtsbericht Pakistan, juli 2024 (AAB 2024), pagina 95.

AAB 2024, pagina 77.

Artikel delen