Vreemdelingenbewaring op grond van 59.1.a
De aan de vreemdelingenbewaring ten grondslag gelegde gronden niet betwist. Voldoende gemotiveerd in de maatregel dat geen sprake is van non-refoulement.
Rechtbank Den Haag 9 July 2026
Jurisprudentie – Uitspraken
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2026:18189
Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
03-07-2026
Datum publicatie
09-07-2026
Zaaknummer
NL26.35206
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI:NL:RBDHA:2026:18189text/xmlpublic2026-07-09T12:00:052026-07-03Raad voor de RechtspraaknlRechtbank Den Haag2026-07-02NL26.35206UitspraakEerste aanleg - enkelvoudigNLZwolleBestuursrecht; VreemdelingenrechtRechtspraak.nlhttp://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18189text/htmlpublic2026-07-03T11:18:182026-07-09Raad voor de RechtspraaknlECLI:NL:RBDHA:2026:18189 Rechtbank Den Haag , 02-07-2026 / NL26.35206 Vreemdelingenbewaring op grond van 59.1.a
De aan de vreemdelingenbewaring ten grondslag gelegde gronden niet betwist. Voldoende gemotiveerd in de maatregel dat geen sprake is van non-refoulement.
RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Zwolle Bestuursrecht zaaknummer: NL26.35206
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], V-nummer: [V-nummer], eiser gemachtigde: mr. V.M. Oliana, en de minister van Asiel en Migratie, gemachtigde: mr. S. Bozkurt. Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser is het niet eens met die maatregel. Hij voert daartegen een aantal beroepsgronden aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van die maatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend. 1.1. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Het opleggen van de maatregel van vreemdelingenbewaring is niet onrechtmatig. De maatregel van vreemdelingenbewaring voldoet aan de voorwaarden. Er is dus geen reden voor het toekennen van een schadevergoeding. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft. Procesverloop 2. Met het bestreden besluit van 24 juni 2026 heeft de minister aan eiser, die stelt van Marokkaanse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 1999 de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld. 2.1. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding. 2.2. De rechtbank heeft het beroep op 2 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, M. Bourik als tolk en de gemachtigde van de minister. Beoordeling door de rechtbank Toetsingskader
3. De minister kan als het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid dat vordert, de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft in vreemdelingenbewaring stellen. De minister stelt een vreemdeling slechts in vreemdelingenbewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast en de vreemdelingenbewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de vreemdelingenbewaring. Deze vreemdeling kan in vreemdelingenbewaring worden gesteld op grond dat het belang van de openbare orde of nationale veiligheid zulks vordert, indien a) een onderduikrisico bestaat, of b) de vreemdeling de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, indien ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vb zich voordoen. De aan eiser opgelegde maatregel van vreemdelingenbewaring
4. De minister heeft aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd. In deze maatregel staat dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. 4.1. In de maatregel heeft de minister als gronden vermeld dat eiser:
a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan, waarbij de vreemdeling zich gedurende enige tijd aan het toezicht heeft onttrokken of zich zonder toestemming tussen de lidstaten van de Europese Unie beweegt;c. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;h. heeft te kennen gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan de verplichting tot terugkeer;j. een aanvraag voor het verlenen van een verblijfsvergunning asiel heeft ingediend die niet-ontvankelijk is verklaard of is afgewezen als kennelijk ongegrond;p. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;q. meerdere aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning heeft ingediend die niet tot verlening van een verblijfsvergunning hebben geleid;r. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;s. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan. 4.2 Ter zitting heeft de minister de gronden c en q laten vallen. 5. Eiser betwist de gronden b, d en f. De rechtbank stelt vast dat deze gronden niet aan de maatregel van vreemdelingenbewaring ten grondslag zijn gelegd. De overgebleven, niet betwiste, gronden zijn voldoende om de maatregel van vreemdelingenbewaring te dragen. 6. Eiser stelt zich op het standpunt dat de minister ten onrechte niet heeft getoetst of sprake is van een non-refoulement risico gelet op het arrest Adrar en de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 12 februari 2026. 6.1 De rechtbank volgt eiser hierin niet. Uit de maatregel van vreemdelingenbewaring van 24 juni 2026, pagina 6, onder het kopje “niet is gebleken dat er sprake zal zijn van schending van het non-refoulement beginsel omdat:” heeft de minister overwogen dat hiervan geen sprake is en heeft daarbij ook verwezen naar het besluit van 28 maart 2026.
De minister heeft daarbij ook overwogen dat eiser in het gehoor voorafgaand aan de
inbewaringstelling geen nieuwe zwaarwegende en op feiten berustende omstandigheden heeft benoemd op grond waarvan niet langer van het besluit van 28 maart 2026 kan worden uitgegaan. Deze beroepsgrond slaagt niet. Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?
7. Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door de minister en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan. Conclusie en gevolgen 8. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten. Beslissing De rechtbank: - verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af. Deze uitspraak is gedaan door mr. R.P. van Eerde, rechter, in aanwezigheid van
H.B. Slot - Akkerman, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier. Het beroep tegen een maatregel van bewaring wordt ook aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw. Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw. Dit volgt uit artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw. Dit volgt uit artikel 59c van de Vw. Dit volgt uit artikel 5.5 van het Vb. Dit volgt uit artikel 5.6, eerste lid, van het Vb. ECLI:EU:C:2025:647. ECLI:NL:RVS:2026:329 Vergelijk HvJEU 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858 en 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647.