Vreemdelingenbewaring op grond van 59b, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Vw
Recht op rechtsbijstand niet geschonden. Geen aanleiding lichter middel.
Rechtbank Den Haag 9 July 2026
Jurisprudentie – Uitspraken
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2026:18198
Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
03-07-2026
Datum publicatie
09-07-2026
Zaaknummer
NL26.35462
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI:NL:RBDHA:2026:18198text/xmlpublic2026-07-09T12:00:052026-07-03Raad voor de RechtspraaknlRechtbank Den Haag2026-07-02NL26.35462UitspraakEerste aanleg - enkelvoudigNLZwolleBestuursrecht; VreemdelingenrechtRechtspraak.nlhttp://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18198text/htmlpublic2026-07-03T11:25:342026-07-09Raad voor de RechtspraaknlECLI:NL:RBDHA:2026:18198 Rechtbank Den Haag , 02-07-2026 / NL26.35462 Vreemdelingenbewaring op grond van 59b, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Vw
Recht op rechtsbijstand niet geschonden. Geen aanleiding lichter middel.
RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Zwolle Bestuursrecht zaaknummer: NL26.35462
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], V-nummer: [V-nummer], eiser gemachtigde: mr. D. Schaap, en de minister van Asiel en Migratie, gemachtigde: mr. S. Bozkurt. Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser is het niet eens met die maatregel. Hij voert daartegen een aantal beroepsgronden aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van die maatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend. 1.1. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Het opleggen van de maatregel van vreemdelingenbewaring is niet onrechtmatig. De maatregel van vreemdelingenbewaring voldoet aan de voorwaarden. De minister hoefde niet te kiezen voor een lichter middel. Er is dus geen reden voor het toekennen van een schadevergoeding. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft. Procesverloop 2. Met het bestreden besluit van 25 juni 2026 heeft de minister aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld. 2.1. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding. 2.2. De rechtbank heeft het beroep op 2 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, W. Woning als tolk en de gemachtigde van de minister. Beoordeling door de rechtbank Toetsingskader 2.3. De minister kan in vreemdelingenbewaring stellen de vreemdeling die rechtmatig verblijf heeft op grond van artikel 8, aanhef en onder f, subonderdeel 2° of onder h, subonderdeel 2° van de Vw voor zover dit betrekking heeft op een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel als bedoeld in artikel 28 van de Vw, als vreemdelingenbewaring noodzakelijk is met het oog op vaststelling van de identiteit of nationaliteit van de vreemdeling. Deze grond voor vreemdelingenbewaring is aanwezig, als de identiteit of de nationaliteit van de vreemdeling met onvoldoende zekerheid bekend is en zich ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6., tweede lid van het Vb zich voordoen, dan wel vreemdelingenbewaring noodzakelijk is met het oog op het vaststellen van de gegevens die ten grondslag liggen aan een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel als bedoeld in artikel 28 en die niet zouden kunnen worden verkregen indien de aanvrager niet in vreemdelingenbewaring zou worden gehouden, met name als sprake is van een onderduikrisico. Deze grond is aanwezig indien door middel van vreemdelingenbewaring de gegevens die ten grondslag liggen aan een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel kunnen worden verkregen, en zich ten minste twee van de gronden, bedoeld in artikel 5.6, tweede lid, voordoen. 2.4. De minister stelt een vreemdeling slechts in vreemdelingenbewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast en de vreemdelingenbewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de vreemdelingenbewaring. In het besluit tot vreemdelingenbewaring vermeldt de minister de feitelijke en juridische gronden waarop de vreemdelingenbewaring is gebaseerd en de reden dat geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast. De aan eiser opgelegde maatregel van vreemdelingenbewaring
3. De minister heeft aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd. In deze maatregel staat dat de vreemdelingenbewaring noodzakelijk is met het oog op de vaststelling van de identiteit of nationaliteit van eiser en noodzakelijk is met het oog op het vaststellen van de gegevens die ten grondslag liggen aan een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel als bedoeld in artikel 28 en die niet zouden kunnen worden verkregen indien de aanvrager niet in vreemdelingenbewaring zou worden gehouden. 3.1. In de maatregel heeft de minister als gronden vermeld dat eiser:
a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan, waarbij de vreemdeling zich gedurende enige tijd aan het toezicht heeft onttrokken of zich zonder toestemming tussen de lidstaten van de Europese Unie beweegt;e. zich zonder noodzaak heeft ontdaan van zijn reis- of identiteitsdocumenten;p. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;r. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;s. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan. 3.1 Ter zitting heeft de minister de gronden onder p en s laten vallen. 4. De rechtbank stelt vast dat eiser de overige aan de maatregel van vreemdelingenbewaring ten grondslag gelegde gronden niet heeft betwist. De gronden zijn voldoende om de maatregel van vreemdelingenbewaring te dragen. 5. Eiser stelt dat het recht op rechtsbijstand is geschonden omdat aan eiser niet is meegedeeld dat hij zich kosteloos kon laten bijstaan door een advocaat. 5.1 De rechtbank volgt eiser hierin niet. Uit het proces-verbaal van gehoor van 25 juni 2026 blijkt dat aan eiser in de Turkse taal, met behulp van een tolk is meegedeeld dat hij zich bij het gehoor van de inbewaringstelling kosteloos kon doen bijstaan door een raadsman. Waarop eiser verklaarde geen advocaat bij het gehoor te willen. Dat hier sprake zou zijn van een standaardtekstblok maakt naar het oordeel van de rechtbank niet dat, zoals gemachtigde van eiser stelt, dit niet aan eiser met behulp van een tolk is meegedeeld. Er mag worden uitgegaan van op ambtseed opgemaakt proces-verbaal. De rechtbank ziet geen aanleiding hieraan te twijfelen. De beroepsgrond slaagt niet. 6. Eiser stelt zich op het standpunt dat de minister ten onrechte niet met een lichter middel heeft volstaan. 6.1 De rechtbank is van oordeel dat de minister terecht geen aanleiding heeft gezien om aan eiser een lichter middel dan de maatregel van vreemdelingbewaring op te leggen. In dit kader acht de rechtbank van belang dat, zoals hiervoor is overwogen, de gronden de maatregel van vreemdelingenbewaring kunnen dragen en dat hiermee het onderduikrisico is gegeven. Daarbij heeft de minister terecht overwogen dat eiser eerder is aangetroffen in een trailer met als doel illegaal uit te reizen, waarna hij op vrije voet is gesteld. In plaats van zijn gedrag te veranderen heeft eiser opnieuw geprobeerd om op illegale wijze uit te reizen. De rechtbank stelt verder vast dat de minister de medische omstandigheden van eiser voldoende heeft betrokken bij de oplegging van de maatregel van vreemdelingenbewaring. Door de minister is eiser erop gewezen dat medische behandeling in het detentiecentrum beschikbaar is die gelijkwaardig is met de gezondheidszorg in de vrije maatschappij. Daarnaast is de rechtbank niet gebleken van andere persoonlijke belangen van eiser die de vreemdelingenbewaring voor hem onevenredig bezwarend maken en waarin de minister aanleiding heeft moeten zien om aan eiser een lichter middel op te leggen. De beroepsgrond slaagt niet. Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?
7. Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door de minister en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan. Conclusie en gevolgen 8. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten. Beslissing De rechtbank: - verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af. Deze uitspraak is gedaan door mr. R.P. van Eerde, rechter, in aanwezigheid van
H.B. Slot - Akkerman, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier. Het beroep tegen een maatregel van bewaring wordt ook aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw. Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw. Dit volgt uit artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw. Dit volgt uit artikel 5.7, eerste lid, van het Vb. Dit volgt uit artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw. Dit volgt uit artikel 59c van de Vw. ECLI:EU:C:2022:858.