Menu

Filter op
content
PONT Klimaat

0

ECLI:NL:RBDHA:2026:18269

Grensdetentie ex artikel artikel 6, derde lid, van de Vw.

Rechtbank Den Haag 3 July 2026

Jurisprudentie – Uitspraken

ECLI:NL:RBDHA:2026:18269 text/xml public 2026-07-03T23:17:24 2026-07-03 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-07-03 NL26.34970 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Groningen Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18269 text/html public 2026-07-03T23:15:14 2026-07-03 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:18269 Rechtbank Den Haag , 03-07-2026 / NL26.34970
Grensdetentie ex artikel artikel 6, derde lid, van de Vw.

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

zaaknummer: NL26.34970
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
<?linebreak?> [naam], eiser,
V-nummer: [v-nummer:],

(gemachtigde: mr. M.L. Hoogendoorn),

en
de minister van Asiel en Migratie, de minister,
(gemachtigde: mr. M.P. Gaal - De Groot).
Inleiding
1. Bij besluit van 23 juni 2026 (het bestreden besluit) is aan eiser met toepassing van artikel 6, derde lid, van de Vw een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd. De minister heeft de rechtbank daarvan in kennis gesteld.
1.1.
Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 30 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft de gemachtigde van de minister deelgenomen. De gemachtigde van eiser heeft op 29 juni 2026 een bericht in het dossier geüpload, waarin hij heeft meegedeeld dat eiser afziet van het recht om te worden gehoord en dat de gemachtigde zelf niet op de zitting zal verschijnen. De rechtbank heeft het onderzoek op zitting gesloten.
Beoordeling door de rechtbank
2. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank of het opleggen en voortduren van de vrijheidsontnemende maatregel rechtmatig is. De rechtbank is van oordeel dat dit het geval is. Het beroep is ongegrond. Zij legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel komt.

3. Eiser is op 23 juni 2026 op Schiphol aangekomen en heeft daar een asielaanvraag ingediend. De minister heeft diezelfde dag het besluit over de toegangsweigering uitgesteld en aan eiser een vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw opgelegd.

4. Op grond van artikel 5.5, tweede lid, van het Vb wordt een vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw opgelegd in het kader van het grensbewakingsbelang. Deze wordt niet opgelegd of voortgezet indien sprake is van bijzondere individuele omstandigheden die vrijheidsontneming onevenredig bezwarend maken.

Had de minister een lichter middel moeten opleggen?

5. Eiser voert aan dat de vrijheidsontnemende maatregel onrechtmatig is omdat de minister niet heeft beoordeeld of het feit dat zijn vrouw en kinderen in een AZC in Nederland verblijven een bijzondere omstandigheid vormt die op grond van artikel 8 EVRM aanleiding geeft tot het toepassen van een lichter middel.
5.1.
De rechtbank stelt vast dat eiser niet heeft betwist dat hij aan de grens een verzoek om internationale bescherming heeft ingediend terwijl hij niet aan de toegangsvoorwaarden voldeed, en dat hij daarmee voldoet aan de voorwaarden voor toepassing van de vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw. Uit vaste rechtspraak volgt dat het grensbewakingsbelang in beginsel steeds het opleggen van een vrijheidsontnemende maatregel vereist, omdat een minder dwingende maatregel tot gevolg heeft dat toegang tot Nederland wordt verkregen. Hiervan wordt slechts in bijzondere gevallen afgeweken.
5.2.
Voorafgaand aan het opleggen van de maatregel is eiser gehoord. Daarbij heeft hij verklaard dat zijn vrouw en kinderen in Nederland verblijven, dat zij een asielaanvraag hebben lopen en dat zij in een AZC verblijven. De minister heeft deze verklaring betrokken bij de beoordeling of aanleiding bestond een lichter middel toe te passen. Daarbij is overwogen dat het enkele feit dat familieleden in Nederland verblijven niet meebrengt dat eiser feitelijk toegang tot het grondgebied dient te worden verleend of dat van de grensprocedure moet worden afgezien. Verder is overwogen dat eiser als meerderjarige zonder zijn gezinsleden is gereisd, zodat niet is gebleken van een zodanige afhankelijkheidsrelatie met de in Nederland verblijvende familieleden dat de vrijheidsontneming onevenredig bezwarend is.
5.3.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de minister, onder verwijzing naar het grensbewakingsbelang, toereikend heeft gemotiveerd dat geen aanleiding bestaat om een lichter middel toe te passen. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat eiser niet nader heeft onderbouwd waarom hij vanwege zijn gestelde familie- en gezinsleven al tot Nederland zou moeten worden toegelaten en niet in bewaring zou kunnen blijven. Daarmee zijn geen bijzondere omstandigheden gebleken die maken dat een lichter middel had moeten worden toegepast. De maatregel kan in het licht van het grensbewakingsbelang in stand blijven.
Conclusie en gevolgen
6. Ook ambtshalve toetsend is de rechtbank niet gebleken dat de vrijheidsontnemende maatregel onrechtmatig is opgelegd of onrechtmatig voortduurt.

7. Het beroep tegen de maatregel van bewaring is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

8. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank

verklaart het beroep ongegrond;

wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. N.M. van Waterschoot, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Strating, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.

De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.

Vreemdelingenwet 2000.

Vreemdelingenbesluit 2000.

Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden.

Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 22 mei 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BW6799.

Artikel delen