Menu

Filter op
content
PONT Klimaat

0

ECLI:NL:RBDHA:2026:18484

Aanvraag met als doel “Verblijf als familie- of gezinslid". Eiseres valt niet onder de reikwijdte van het Turks associatierecht. De rechtbank is van oordeel dat er wel bijkomende elementen van afhankelijkheid zijn en dat daarmee sprake is van familieleven in de zin van artikel 8 van het EVRM. De belangenafweging zoals die nu beschreven staat in het bestreden besluit houdt geen stand. De rechtba...

Rechtbank Den Haag 6 July 2026

Jurisprudentie – Uitspraken

ECLI:NL:RBDHA:2026:18484 text/xml public 2026-07-06T16:50:51 2026-07-06 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-07-03 NL25.16541 en NL25.16546 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig Voorlopige voorziening+bodemzaak NL Amsterdam Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18484 text/html public 2026-07-06T16:50:38 2026-07-06 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:18484 Rechtbank Den Haag , 03-07-2026 / NL25.16541 en NL25.16546
Aanvraag met als doel “Verblijf als familie- of gezinslid". Eiseres valt niet onder de reikwijdte van het Turks associatierecht. De rechtbank is van oordeel dat er wel bijkomende elementen van afhankelijkheid zijn en dat daarmee sprake is van familieleven in de zin van artikel 8 van het EVRM. De belangenafweging zoals die nu beschreven staat in het bestreden besluit houdt geen stand. De rechtbank is met verweerder van oordeel dat de belangenafweging ten aanzien van het privéleven in het nadeel van eiseres uitvalt. Tot slot is de rechtbank met verweerder van oordeel dat de situatie van eiseres geen schrijnende individuele omstandigheden zijn. Het beroep is gegrond.

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam

Bestuursrecht

Zaaknummers: NL25.16541 (beroep)

NL25.16546 (voorlopige voorziening)

V-nummer: [V-nummer]

uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaak tussen
<?linebreak?> [eiseres] ,
geboren op [geboortedag] 1933, van Turkse nationaliteit, eiseres/verzoekster (hierna: eiseres),

(gemachtigde: mr. J.P.W. Temminck Tuinstra),

en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder,
(gemachtigde: mr. A. Al-Edani).
Inleiding
1. In het besluit van 23 augustus 2023 (het primaire besluit) is de aanvraag van eiseres voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd met het verblijfsdoel ’familieleven op grond van artikel 8 van het EVRM’ voor verblijf bij haar zoon (die in deze procedure optreedt als referent), afgewezen. Eiseres heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt.
1.1.
Met het besluit van 7 april 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.
1.2.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit en de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen die ertoe strekt uitzetting te verbieden totdat op het beroep is beslist.
1.3.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
1.4.
De rechtbank heeft het beroep op 10 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres, referent, M. Sivridag als tolk in de Turkse taal en de gemachtigde van verweerder.
1.5.
Bij sluiting van het onderzoek op zitting heeft de rechtbank meegedeeld binnen zes weken uitspraak te doen. De rechtbank heeft deze termijn niet gehaald en partijen bericht de uitspraaktermijn met zes weken te verlengen.
Beoordeling door de rechtbank
2. De rechtbank beoordeelt of verweerder op goede gronden de aanvraag van eiseres heeft afgewezen. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiseres.

3. De rechtbank is van oordeel dat het beroep gegrond is en de voorlopige voorziening wordt afgewezen. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Achtergrond

4. Eiseres woonde voor haar komst naar Nederland in Turkije. Haar echtgenoot is in oktober 2021 overleden. Referent en een dochter van eiseres wonen in Nederland. Twee andere dochters wonen in Oostenrijk en Zwitserland. Voordat eiseres naar Nederland kwam bezochten haar kinderen haar om de beurt en bezocht eiseres hen. Eiseres is laatstelijk in december 2022 voor een familiebezoek naar Nederland gekomen. Turkije werd vervolgens getroffen door aardbevingen die haar huis hebben verwoest. De gezondheid van eiseres is de afgelopen jaren achteruit gegaan. Gezien het vorenstaande kan eiseres niet langer in Turkije wonen. Daarom heeft zij een vergunning aangevraagd voor verblijf bij referent.

Besluitvorming

5. Verweerder heeft de aanvraag van eiseres afgewezen, omdat zij niet in het bezit is van een geldige mvv en ook niet in aanmerking komt voor een vrijstelling daarvan. Eiseres kan niet worden vrijgesteld van het mvv-vereiste op medische gronden, omdat zij in staat wordt geacht te reizen en er geen sprake is van een medische noodsituatie. Ook is er geen vrijstelling mogelijk op grond van het Turks associatierecht. Eiseres moet in dat geval een gezinslid van een Turkse werknemer zijn. Omdat zij de moeder van referente is, is zij alleen ‘gezinslid’ als zij ten laste van referente komt. Eiseres heeft volgens verweerder niet onderbouwd dat dit het geval is. Verder is haar uitzetting niet in strijd is met artikel 8 van het EVRM. Ook om die reden komt eiseres niet in aanmerking voor een vrijstelling van het mvv-vereiste. Volgens verweerder zijn er geen bijkomende elementen van afhankelijkheid, zodat er tussen eiseres en haar familieleden in Nederland geen familie- of gezinsleven bestaat. Volgens verweerder is de uitzetting van eiseres ook niet in strijd met het recht op eerbiediging van het privéleven als bedoeld in artikel 8 van het EVRM, omdat de belangenafweging in haar nadeel uitvalt. Tot slot is er geen aanleiding om eiseres wegens bijzondere omstandigheden ambtshalve een verblijfsvergunning te verlenen zoals bedoeld in artikel 3.6ba, eerste lid, van het Vb.

Turks associatierecht

6. Allereerst voert eiseres aan dat zij ten laste van referent komt. Zij werd ook al vóór haar komst naar Nederland door haar zoon voor een belangrijk deel onderhouden, mede doordat hij steeds garant heeft gestaan. Dat hij de cash giften en de giften in natura niet heeft kunnen aantonen door de liquide aard ervan, doet hier niet aan af. Dat hij lange perioden bij zijn moeder heeft verbleven en zij ook lange perioden bij hem, en nu nog altijd voor haar eerste levensbehoeften financiële verantwoordelijkheid draagt maakt dat zij onder de werking van het Turks associatierecht valt. Verweerder heeft de lat voor de bewijsvoering dan ook ten onrechte te hoog gelegd.

7. De rechtbank overweegt als volgt. Niet ter discussie staat dat eiseres onder het begrip ‘gezinslid’ valt zoals bedoeld in artikel 7 van Besluit 1/80. Een familielid komt ten laste van een Turkse werknemer als dit familielid, gelet op zijn economische en sociale toestand, niet in staat is om in zijn basisbehoeften te voorzien. Dat betekent dat de Turkse werknemer ondersteuning moet geven aan dit familielid en dat die ondersteuning noodzakelijk moet zijn. Verweerder moet dat beoordelen aan de hand van een of meerdere peilmoment(-en). Welke dat zijn, hangt af van de vraag wáár het familielid zich bevindt en hoe lang hij zich daar (al) bevindt.
7.1.
Als het familielid zich op het moment van de aanvraag in zijn land van herkomst bevindt of zich slechts korte tijd in Nederland bevindt, dan kijkt verweerder naar de vraag of het familielid in zijn land van herkomst ten laste komt of zou komen van de Turkse werknemer. In dat geval moet het familielid dus aannemelijk maken dat hij in zijn land van herkomst noodzakelijke ondersteuning ontvangt of zou ontvangen. Bevindt het familielid zich al in Nederland, dan beoordeelt verweerder dus een fictieve situatie. Het peilmoment is in dit geval (dus) het moment waarop het familielid zijn aanvraag doet.
7.2.
Verweerder stelt zich allereerst terecht op het standpunt dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij regelmatige financiële ondersteuning van referent heeft ontvangen en dat deze ondersteuning noodzakelijk was. Referent heeft niet tenminste één jaar ononderbroken op regelmatige basis een som geld betaald die voor eiseres noodzakelijk was om in haar basisbehoeften te voorzien. Eiseres heeft bankafschriften overgelegd waaruit blijkt dat zij van april 2023 tot augustus 2023 een aantal keren geld van referent heeft ontvangen. Dat referent ook contante bedragen heeft betaald en aankopen voor zijn moeder heeft gedaan, is niet met stukken onderbouwd. Gelet op het feit dat het aan eiseres is om aannemelijk te maken dat zij ten laste van referent kwam, mocht verweerder de overgelegde stukken van eiseres onvoldoende vinden en een nadere onderbouwing van haar verlangen. Die nadere onderbouwing ontbreekt echter.
7.3.
Verweerder heeft zich dus terecht op het standpunt gesteld dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij ten tijde van haar komst naar Nederland ten laste van referent kwam. Daarom heeft verweerder zich ook terecht op het standpunt gesteld dat eiseres niet onder de reikwijdte van het Turks associatierecht valt. De beroepsgrond slaagt niet.

Is uitzetting in strijd is met artikel 8 van het EVRM?

Is er sprake van bijkomende elementen van afhankelijkheid tussen eiseres en referent?

8. Allereerst stelt eiseres zich op het standpunt dat verweerder ten onrechte heeft aangenomen dat er geen sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid tussen eiseres en referent.
8.1.
Het is vaste rechtspraak van het EHRM dat pas kan worden gesproken van een door artikel 8 van het EVRM beschermd gezinsleven tussen ouders en hun meerderjarige kinderen en meerderjarige broers en zussen, als sprake is van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie; er moet sprake zijn van bijkomende elementen van afhankelijkheid. Hierbij kan onder meer relevant zijn: de eventuele samenwoning, de mate van financiële afhankelijkheid, de mate van emotionele afhankelijkheid, de gezondheid van de betrokkenen en de banden met het land van herkomst. De rechtbank toetst de vraag of sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid – evenals het EHRM doet en conform de jurisprudentie van het EHRM– vol. De rechtbank verwijst daarvoor naar de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 20 november 2025 en maakt deze overwegingen de hare.
8.2.
De rechtbank oordeelt als volgt. Vaststaat dat eiseres, die hoogbejaard is, sinds haar komst naar Nederland in december 2022 tot het bestreden besluit van 7 april 2025 met referent en zijn gezin heeft samengewoond en dat zij financieel door referent is onderhouden. Daarmee is er dus sprake van samenwoning en financiële afhankelijkheid tussen eiseres en referent. Ook staat vast dat eiseres met meerdere gezondheidsklachten kampt, waaronder aortaklepstenose, staar en cognitieve en mobiliteitsbeperkingen. Daarom heeft eiseres van referent en zijn zus hulp nodig bij de dagelijkse praktische taken, zoals medicatie innemen, het aan- en uitkleden en haar zelfverzorging. Op de zitting is ook gesteld dat eiseres dementeert. Het vorenstaande is niet bestreden. Hiermee staat dus ook vast dat eiseres vanwege haar gezondheid afhankelijk is van referent en zijn gezin. Onder deze omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat er wel bijkomende elementen van afhankelijkheid zijn en dat daarmee sprake is van familieleven in de zin van artikel 8 van het EVRM. De beroepsgrond slaagt.

Belangenafweging ten aanzien van familieleven

9. De belangenafweging zoals die nu beschreven staat in het bestreden besluit houdt geen stand nu naar het oordeel van de rechtbank sprake is van beschermingswaardig gezinsleven in de zin van artikel 8 van het EVRM. Hoewel strikt genomen ten overvloede, ziet de rechtbank in het kader van een finale beslechting van het geschil wel aanleiding om enkele handvatten te geven voor de nieuw te maken belangenafweging.
9.1.
Eiseres was ten tijde van het bestreden besluit bijna 92 jaar. Zij heeft toegelicht in Turkije geen familieleden meer te hebben, behalve een neef met wie zij geen contact meer heeft. In Turkije zal zij na terugkeer naar alle verwachting in een verzorgingstehuis in [plaats 1] terechtkomen, aanzienlijk ver van [plaats 2] waar zij tot december 2022 woonde. Eiseres heeft voorts toegelicht dat zij tot de Armeens-Christelijke gemeenschap behoort en niet volledig de Turkse taal beheerst waardoor een verblijf in een verzorgingstehuis extra belastend is. Verweerder moet betrekken waarom het voor haar niet onredelijk belastend is om zonder enig sociaal netwerk naar een verzorgingstehuis te gaan in een regio waar zij nooit eerder heeft verbleven, terwijl zij ook de Turkse taal niet goed beheerst. Dit geldt ook voor de door verweerder genoemde mogelijkheid om de familieband voort te zetten door middel van digitale middelen en regelmatig bezoek. Volgens verweerder is niet gebleken dat referent (en zijn gezin) zich niet met eiseres in Turkije kunnen vestigen en dat zij daar geen bestaan kunnen opbouwen. Verweerder moet in de belangenafweging betrekken waarom dit, ondanks de hoge leeftijd van eiseres, en nu verweerder ook erkent dat dit waarschijnlijk niet makkelijk is, nog een realistische mogelijkheid is en dat dit toch van hen kan worden verlangd.
9.2.
Verder overweegt de rechtbank dat verweerder de eerste toelating van eiseres ten onrechte in de belangenafweging in haar nadeel heeft meegewogen, nu deze weging neutraal had moeten zijn.

Belangenafweging ten aanzien van privéleven

10. Daarnaast stelt eiseres zich op het standpunt dat de belangenafweging in het kader van haar privéleven ten onrechte in haar nadeel uitvalt. Verweerder heeft ten onrechte niet betrokken dat eiseres al eerder op basis van tijdelijk legaal verblijf voor lange periodes bij referent in Nederland heeft verbleven. Daarnaast is het gezien de aardbevingen in Turkije en de leeftijd en gezondheid van eiseres onmogelijk en onredelijk om weer een bestaan op te bouwen in Turkije.
10.1.
De rechtbank is met verweerder van oordeel dat de belangenafweging ten aanzien van het privéleven in het nadeel van eiseres uitvalt. Verweerder heeft daarbij in aanmerking mogen nemen dat eiseres in Nederland niet heeft gewerkt en geen opleiding heeft gevolgd en zij ook de Nederlandse taal niet spreekt. Verweerder heeft zich op het standpunt mogen stellen dat van bijzondere banden met Nederland niet is gebleken. Tot slot heeft eiseres weliswaar eerdere periodes legaal in Nederland verbleven, maar deze periodes zien enkel op het uitoefenen van haar familieleven en niet op haar privéleven. Verweerder heeft deze omstandigheid daarom niet bij de beoordeling van het privéleven hoeven betrekken. De beroepsgrond slaagt niet.

Schrijnendheid

11. Tot slot voert eiseres aan dat er sprake is van schrijnende individuele omstandigheden, gezien haar individuele omstandigheden.
11.1.
De rechtbank oordeelt als volgt. Volgens artikel 3.6ba, eerste lid, van het Vb kan ambtshalve een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd worden verleend indien sprake is van een schrijnende situatie die gelegen is in een samenstel van bijzondere omstandigheden die de vreemdeling betreffen. Hierbij is van belang dat de individuele omstandigheden zich hebben voorgedaan in Nederland.
11.2.
Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat de medische problemen van eiseres niet in Nederland zijn ontstaan. Ook stelt de minister zich op het standpunt dat de aardbeving heeft zich heeft voorgedaan in Turkije en er met eiseres vele slachtoffers zijn waardoor er geen sprake is van een individuele omstandigheid. De situatie van eiseres voldoet daarmee echter niet aan het criterium dat er sprake moet zijn van individuele omstandigheden die binnen Nederland hebben plaatsgevonden. De rechtbank is dan ook met verweerder van oordeel dat de situatie van eiseres geen schrijnende individuele omstandigheden zijn. Verweerder heeft eiseres ambtshalve daarom geen vergunning hoeven geven. De beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie en gevolgen
12. Het beroep is gegrond. Dat betekent dat eiseres gelijk krijgt.

13. Omdat de rechtbank nu beslist op het beroep van eiseres, is er voor het treffen van de voorlopige voorziening geen reden meer. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daarom af.

14. De rechtbank veroordeelt verweerder in het door eiseres betaalde griffierecht en de door eiseres gemaakte proceskosten. De proceskosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 2.802,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het indienen van het verzoekschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).
Beslissing
De rechtbank, in de zaak geregistreerd onder nummer: NL25.16541,

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- bepaalt dat verweerder binnen 6 weken een nieuw besluit moet nemen op het bezwaar van eiseres met inachtneming van deze uitspraak;

- bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 194,- aan eiseres moet vergoeden.

De voorzieningenrechter, in de zaak geregistreerd onder nummer: NL25.16546,

- wijst het verzoek af.

De rechtbank, in beide zaken:

- veroordeelt verweerder tot betaling van € 2.802,- aan proceskosten aan eiseres.

Deze uitspraak is gedaan door mr. K.S. Man, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. L. Kooring, griffier.

Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen de

uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.

Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.

Machtiging tot voorlopig verblijf.

Besluit nr. 1/80 van de Associatieraad d.d. 19 september 1980 betreffende de ontwikkeling van de Associatie.

Vreemdelingenbesluit 2000.

Zie het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: HvJEU) van 16 januari 2014, C-423/12, ECLI:EU:C:2014:16 (Reyes), r.o. 22 en het arrest van het HvJEU van 9 januari 2007,

C-1/05, ECLI:EU:C:2007:1 (Yunying Jia), r.o. 37.

Zie het arrest Reyes, r.o. 22 en Yunying Jia, r.o. 37.

Zie het arrest van het HvJEU van 10 april 2025, C-607/21, ECLI:EU:C:2025:264 (XXX), r.o. 35-37.

Europees Hof voor de Rechten van de Mens.

ECLI:NL:RBDHA:2025:22362, r.o. 9-9.5.

Zie IB 2019/81 Ambtshalve toets schrijnende situatie.

Artikel delen