Vovo hangende beroep, Chavez aanvraag, terugmelding bij de gemeente vanwege gestelde schijnerkenning, voorlopige voorziening toegewezen
Rechtbank Den Haag 6 July 2026
Jurisprudentie – Uitspraken
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2026:18486
Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
06-07-2026
Datum publicatie
06-07-2026
Zaaknummer
NL26.24419
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI:NL:RBDHA:2026:18486text/xmlpublic2026-07-06T16:54:512026-07-06Raad voor de RechtspraaknlRechtbank Den Haag2026-07-03NL26.24419UitspraakEerste aanleg - enkelvoudigVoorlopige voorzieningNLAmsterdamBestuursrecht; VreemdelingenrechtRechtspraak.nlhttp://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18486text/htmlpublic2026-07-06T16:54:392026-07-06Raad voor de RechtspraaknlECLI:NL:RBDHA:2026:18486 Rechtbank Den Haag , 03-07-2026 / NL26.24419 Vovo hangende beroep, Chavez aanvraag, terugmelding bij de gemeente vanwege gestelde schijnerkenning, voorlopige voorziening toegewezen
RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Amsterdam Bestuursrecht Zaaknummer: NL26.24419 V-nummer: [V-nummer]
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen
[verzoekster] , geboren op [geboortedag] 1984, van Surinaamse nationaliteit, verzoekster
(gemachtigde: mr. J. Werner), en de minister van Asiel en Migratie, verweerder (gemachtigde: [gemachtigde] ). Inleiding 1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoekster tegen de afwijzing van de aanvraag van verzoekster. 2. Verzoekster heeft een aanvraag gedaan tot afgifte van een verblijfsdocument EU/EER op grond van het arrest Chavez-Vilchez voor verblijf bij haar dochter [naam] , die de Nederlandse nationaliteit heeft. 3. Verweerder heeft deze aanvraag met het primaire besluit van 17 juni 2025 afgewezen. Met de beslissing op het bezwaar van 22 april 2026 (het bestreden besluit) is verweerder bij de afwijzing gebleven. Verzoekster mag een eventueel beroep tegen dit besluit niet in Nederland afwachten. 4. Op 30 april 2026 heeft verzoekster beroep en een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend. In het verzoek heeft verzoekster verzocht om de werking van het bestreden besluit op te schorten. Dit houdt volgens verzoekster in ieder geval een verbod op uitzetting in tot nadat op het beroep is beslist en het voortzetten van haar recht om in Nederland te werken. Verweerder heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift. 4.1. De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 30 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoekster, de gemachtigde van verzoekster en de gemachtigde van verweerder. 4.2. Na afloop van de zitting heeft de voorzieningenrechter onmiddellijk uitspraak gedaan. Beoordeling door de voorzieningenrechter Vrijstelling van het griffierecht 5. Verzoekster heeft het verzoek gedaan om van de betaling van griffierecht te worden vrijgesteld. De rechtbank heeft dit verzoek voorlopig toegewezen. Verzoekster heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat zij voldoet aan de voorwaarden voor vrijstelling. Het verzoek om vrijstelling van het griffierecht wordt daarom definitief toegewezen. Beoordeling van het verzoek 6. De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet. Spoedeisend belang 7. De voorzieningenrechter is van oordeel dat sprake is van een spoedeisend belang bij het treffen van de gevraagde voorlopige voorziening. Verzoekster mag het beroep immers niet in Nederland afwachten, zij kan dus uit Nederland worden gezet. De stelling van verweerder dat geen sprake is van spoedeisendheid van het verzoek om een voorlopige voorziening omdat er geen concreet voornemen is of voorbereidingen zijn getroffen om verzoekster uit te zetten, volgt de voorzieningenrechter niet. Dat er nog geen concrete plannen voor uitzetting bestaan, is niet relevant. Het feit dat verzoekster verwijderbaar is, brengt naar het oordeel van de voorzieningenrechter al mee dat sprake is van een spoedeisend belang. Redelijke kans van slagen 8. De voorzieningenrechter stelt vast dat het hier gaat om een Chavez-situatie bij een Nederlands kind. [naam] is geboren in [geboorteland] uit een Surinaamse moeder, verzoekster. [naam] is Nederlander geworden omdat zij door een Nederlander is erkend. Verweerder stelt dat die erkenning een schijnerkenning is, daarom heeft hij aan het college van B&W van de gemeente Utrecht een terugmelding gedaan op grond van artikel 2.34 van de Wet BRP. Verweerder stelt dat hij daarom op grond van artikel 1.7, tweede lid, van de Wet BRP niet langer hoeft uit te gaan van de Nederlandse nationaliteit van [naam] . 9. Op de zitting heeft (de gemachtigde van) verzoekster aangevoerd dat voor het doen van een terugmelding voldoende aanleiding moet zijn en dat daarvan in deze zaak geen sprake is. Bovendien bestaat er ernstige twijfel over het bestaan van een juridische grondslag voor verweerder om onderzoek te mogen doen naar de erkenning. De voorzieningenrechter doet over deze punten geen uitspraak, nu dit niet nodig is voor de toewijzing van het verzoek. 10. De voorzieningenrechter vraagt zich af of het bestreden besluit in stand kan blijven. Zij vindt het niet onbegrijpelijk dat verweerder twijfels heeft bij de situatie van verzoekster. De erkenner van [naam] heeft volgens de terugmelding van verweerder aan de gemeente Utrecht kennelijk elf kinderen erkend bij negen verschillende moeders, waarvan de moeders daarna allemaal aanspraak hebben gemaakt op dezelfde procedure als verzoekster. 11. Daartegenover staat dat de voorzieningenrechter wel twijfelt over of de werkwijze van verweerder met het doen van een terugmelding en daardoor niet uitgaan van de Nederlandse nationaliteit, wel klopt. [naam] heeft namelijk wel de Nederlandse nationaliteit verkregen, toen zij werd erkend door een Nederlandse man. Deze erkenner hoeft ook niet de biologische ouder te zijn, in een andere situatie kan ook erkend worden. In principe dient dan uit te gaan van die erkenning. Het klopt verder wel dat verweerder op grond van artikel 2.34 van de Wet BRP een terugmelding kan doen. In artikel 1.7, eerste en tweede lid, onder b, van de Wet BRP staat vervolgens dat het bestuursorgaan dat bij de vervulling van zijn taak informatie over een ingeschrevene nodig heeft die in de vorm van een authentiek gegeven beschikbaar is in de basisregistratie, voor die informatie dat gegeven gebruikt en dat het eerste lid niet van toepassing is indien het bestuursorgaan ten aanzien van het gegeven een mededeling als bedoeld in artikel 2.34 van de Wet BRP doet. De voorzieningenrechter vraagt zich zeer af of dit betekent dat verweerder niet meer uit hoeft te gaan van de Nederlandse nationaliteit. Het verkrijgen en het verliezen van het Nederlanderschap wordt immers geregeld in de Rijkswet op het Nederlanderschap. Deze wet beschrijft ook welke procedures gevolgd moeten worden om te bepalen dat iemand geen Nederlander meer is. Zolang [naam] de Nederlandse nationaliteit niet heeft verloren conform die wet, gaat de voorzieningenrechter vooralsnog uit van haar Nederlandse nationaliteit. Tot slot is ook gebleken dat de gemeente Utrecht (nog) niets met de terugmelding heeft gedaan. Concluderend vraagt de voorzieningenrechter zich dus af of het bestreden besluit in stand kan blijven. Het beroep kan geen redelijke kans van slagen ontzegd worden. Belangenafweging 12. De voorzieningenrechter zal vervolgens een belangenafweging maken. Hierin weegt zij de belangen van verzoekster die pleiten vóór het treffen van een voorlopige voorziening en de belangen van verweerder die pleiten tegen het treffen daarvan. 13. De voorzieningenrechter acht het aan de kant van verweerder van groot belang dat misbruik wordt tegengegaan, dat betekent dus ook dat schijnerkenningen niet mogen worden beloond. Ook betekent dat, als inderdaad sprake is van een schijnerkenning, er geen verblijfsrecht ontstaat en dat degene die ten onrechte een beroep doet op die erkenning geen recht heeft om in Nederland te blijven. Daartegenover acht de voorzieningenrechter aan de kant van verzoekster van groot belang dat het onderzoek zorgvuldig wordt gedaan en dat geen verstrekkende beslissingen worden genomen, zoals het mogelijk uitzetten van verzoekster met gevolgen voor [naam] , die afhankelijk van haar is, zolang niet duidelijk is of het besluit wel stand kan houden. Bovendien gaat het om een tijdelijke maatregel, alleen totdat op het beroep is beslist. Dat maakt dat naar het oordeel van de voorzieningenrechter het belang van verzoekster en haar dochter, die van haar afhankelijk is, zwaarder weegt dan het belang van verweerder. Conclusie en gevolgen 14. De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe en treft de voorlopige voorziening dat het bestreden besluit is geschorst tot de uitspraak op het beroep. 15. Omdat het verzoek wordt toegewezen krijgt verzoekster een vergoeding van haar proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. De gemachtigde heeft het verzoekschrift ingediend en aan de zitting deelgenomen. Elke proceshandeling heeft een waarde van € 934,-. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 1.868,-. 16. Partijen zijn erop gewezen dat tegen deze mondelinge uitspraak geen hoger beroep of verzet openstaat. Beslissing De voorzieningenrechter:
- schorst het bestreden besluit tot de uitspraak op het beroep;
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan verzoekster. Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 30 juni 2026 door mr. L.Z. Achouak El Idrissi, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M.A.H. Gonera, griffier.
Dit proces-verbaal is bekendgemaakt op: Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open. Europese Unie/Europese Economische Ruimte. Arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (Hof) van 10 mei 2017, ECLI:EU:2017:354. Burgemeester en wethouders. Wet basisregistratie personen. Zie ook de uitspraak van de voorzieningenrechter van deze rechtbank en zittingsplaats van