Menu

Filter op
content
PONT Klimaat

0

ECLI:NL:RBDHA:2026:18503

Ten onrechte verwezen naar renvooiprocedure. Onbevoegdverklaring en verwijzing naar instantie waar voorafgaand aan faillissement al een procedure aanhangig was (artikelen 29 en 122 Fw).

Rechtbank Den Haag 8 July 2026

Jurisprudentie – Uitspraken

ECLI:NL:RBDHA:2026:18503 text/xml public 2026-07-08T14:55:47 2026-07-06 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-06-10 C/09/705835 / HA ZA 26-519 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Den Haag Civiel recht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18503 text/html public 2026-07-08T14:54:56 2026-07-08 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:18503 Rechtbank Den Haag , 10-06-2026 / C/09/705835 / HA ZA 26-519
Ten onrechte verwezen naar renvooiprocedure. Onbevoegdverklaring en verwijzing naar instantie waar voorafgaand aan faillissement al een procedure aanhangig was (artikelen 29 en 122 Fw).
RECHTBANK Den Haag
Team handel

Zaaknummer: C/09/705835 / HA ZA 26-519 (voorheen C/09/692095 / HA ZA 25-839)

Vonnis van 10 juni 2026 (bij vervroeging)

in de zaak van

ESSENT ENERGIE VERKOOP NEDERLAND B.V. te ‘s-Hertogenbosch,

eisende partij,

hierna te noemen: Essent,

advocaat: mr. P. van Zwijndregt,

tegen

DE HEER [verweerder] te [woonplaats],

verwerende partij,

hierna te noemen: [verweerder],

advocaat: mr. J.P. van Rossum.
<nr>1</nr>De procedure 1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:

het proces-verbaal van de verificatievergadering in het faillissement van [gefailleerde] B.V. (hierna: gefailleerde) van 18 september 2025, waarin de betwiste vorderingen zijn verwezen naar de rol van 8 oktober 2025 van deze rechtbank voor renvooi;

de conclusie van eis van Essent met de producties 1 – 5;

de conclusie van antwoord van [verweerder] met de producties 1 – 8;

het tussenvonnis van 4 februari 2026 (gewezen onder het voormalige zaaknummer), waarin een mondelinge behandeling is bepaald;

de door [verweerder] overgelegde producties A – L.
1.2.
Bij voornoemd tussenvonnis is de mondelinge behandeling bepaald op 28 mei 2026. Op 26 mei 2026 heeft de rechtbank partijen bericht voornemens te zijn zich onbevoegd te verklaren en de procedure te verwijzen. Desgevraagd hebben partijen de rechtbank bericht af te zien van het recht om op die beslissing gehoord te worden. De mondelinge behandeling heeft geen doorgang gevonden. Vervolgens is vonnis bepaald.
<nr>2</nr>De bevoegdheid van de rechtbank 2.1.
Deze renvooi-procedure draait om de vraag of de door Essent in het faillissement van gefailleerde (hierna: het faillissement) ingediende vordering (hierna: de vordering) al dan niet terecht door [verweerder] is betwist tijdens de in het faillissement gehouden verificatievergadering.
2.2.
De rechtbank maakt uit de door partijen overgelegde stukken op dat voorafgaand aan het faillissement al een procedure over de vordering aanhangig was tussen Essent en gefailleerde. Deze procedure heeft geleid tot een vonnis van de kantonrechter van deze rechtbank van 18 augustus 2016, waartegen hoger beroep loopt bij het gerechtshof Den Haag (hierna: het hof) met kenmerk 200.203.353/01.
2.3.
De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de conclusie dat zij om die reden niet bevoegd is. Immers bepaalt art. 29 Fw dat een lopende procedure, als de vordering ziet op voldoening van een verbintenis uit de boedel, na de faillietverklaring wordt geschorst, om voortgezet te worden als de verificatie betwist wordt. Alsdan wordt de betwister in plaats van gefailleerde partij (nog steeds art. 29 Fw.). Daarnaast bepaalt art. 122 Fw dat een op de verificatievergadering betwiste vordering alleen voor renvooi naar de rechtbank wordt verwezen als het geschil nog niet aanhangig is, wat zich hier niet voordoet.
2.4.
Verder maakt de rechtbank uit de processtukken op dat partijen twisten over de vraag of tijdig hoger beroep is ingesteld (en op de juiste wijze) tegen het vonnis van de kantonrechter. Het is echter aan het hof om daar, als hoger beroepsinstantie, over te oordelen.
2.5.
De slotsom is dat de vordering van Essent ten onrechte naar deze rechtbank is verwezen. De rechtbank zal de vordering alsnog verwijzen naar het hof, alwaar de hiervoor bedoelde procedure kan worden voortgezet in de stand waarin deze zich ten tijde van de schorsing bevond.
2.6.
De rechtbank wijst partijen erop dat zij dienen zorg te dragen voor voortzetting van de procedure bij het gerechtshof Den Haag.
2.7.
Nu partijen door een beslissing van de (waarnemend) rechter-commissaris van Team Insolventies van deze rechtbank ten onrechte naar deze procedure zijn verwezen, zal de rechtbank bepalen dat de door partijen in deze procedure betaalde griffierechten aan hen worden gerestitueerd.
2.8.
Nu inhoudelijk nog niet over het geschil tussen partijen is beslist en dus nog niet kan worden gezegd welke partij in het ongelijk is gesteld, zal de rechtbank een beslissing over de proceskosten aanhouden. Denkbaar is dat partijen bij het hof (grotendeels) dezelfde processtukken indienen als zij in deze procedure hebben gedaan, zodat de rechtbank ook de begroting van de kosten aan het hof overlaat.
<nr>3</nr>De beslissing
De rechtbank:
3.1.
verklaart zich onbevoegd ten aanzien van de vordering,
3.2.
verwijst de zaak naar het gerechtshof Den Haag, alwaar de zaak met zaaknummer 200.203.355/01 kan worden voortgezet in de stand waarin deze zich bevindt,
3.3.
houdt iedere beslissing ten aanzien van de proceskosten aan,
3.4.
wijst partijen erop dat het in deze procedure geheven griffierecht door de griffier zal worden teruggestort.

Dit vonnis is gewezen door (dhr.) mr. S.M. de Bruijn en in het openbaar uitgesproken op 10 juni 2026.

Artikel delen