bewaring, vervolgberoep, verlenging bewaring op grond van artikel 59b, derde lid, van de Vw, voortduren van de bewaring, ongegrond.
Rechtbank Den Haag 6 July 2026
Jurisprudentie – Uitspraken
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2026:18542
Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
06-07-2026
Datum publicatie
06-07-2026
Zaaknummer
NL26.30378
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI:NL:RBDHA:2026:18542text/xmlpublic2026-07-06T15:04:132026-07-06Raad voor de RechtspraaknlRechtbank Den Haag2026-06-24NL26.30378UitspraakEerste aanleg - enkelvoudigNLRotterdamBestuursrecht; VreemdelingenrechtRechtspraak.nlhttp://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18542text/htmlpublic2026-07-06T15:03:062026-07-06Raad voor de RechtspraaknlECLI:NL:RBDHA:2026:18542 Rechtbank Den Haag , 24-06-2026 / NL26.30378 bewaring, vervolgberoep, verlenging bewaring op grond van artikel 59b, derde lid, van de Vw, voortduren van de bewaring, ongegrond.
RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Rotterdam Bestuursrecht zaaknummer: NL26.30378
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiseres], eiseres V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. S.T.V. Le), en de minister van Asiel en Migratie, verweerder (gemachtigde: mr. A.E. van der Burg). Procesverloop Verweerder heeft op 25 februari 2026 aan eiseres de maatregel van bewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a en b en onder c, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort. Eiseres heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft zij verzocht om schadevergoeding. Verweerder heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiseres heeft hierop gereageerd. De rechtbank heeft het beroep op 17 juni 2026 op zitting behandeld. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Overwegingen Toetsingskader 1. Als de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan. 2. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 3 april 2026 (in de zaak NL26.16491) volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek op 1 april 2026. De in deze uitspraak te toetsen periode loopt dus van 1 april 2026 tot 17 juni 2026. Verlenging bewaring op grond van artikel 59b, derde lid, van de Vw 3. Eiseres betoogt dat het besluit van verweerder van 29 maart 2026, waarbij de bewaring van eiseres met ten hoogste drie maanden is verlengd met toepassing van artikel 59b, derde lid, van de Vw, niet deugdelijk gemotiveerd is. De verlenging van de maatregel van bewaring van 25 februari 2026 ziet op artikel 59b, eerste lid, onder a en b en onder c, van de Vw. Uit de verlengingsbeschikking van 29 maart 2026 blijkt echter dat verweerder de verlenging uitsluitend heeft gebaseerd op de omstandigheid dat nader onderzoek naar de identiteit en nationaliteit van eiseres noodzakelijk is. Dit ziet alleen op grond artikel 59b, eerste lid, onder a, van de Vw. Verweerder motiveert niet waarom de verlenging noodzakelijk is in verband met de gronden genoemd in artikel 59b, eerste lid, onder b en c, van de Vw, terwijl deze gronden wel onderdeel uitmaken van de maatregel van bewaring. 3.1. Volgens verweerder kan de maatregel op grond van artikel 59b, eerste lid, onder a en c, van de Vw, worden verlengd. Een maatregel van bewaring op de grondslag van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw is geoorloofd wanneer de bewaring noodzakelijk is met het oog op verkrijgen van gegevens die noodzakelijk zijn voor de beoordeling van de asielaanvraag. Daarvan kan na het afwijzen van die aanvraag op 29 maart 2026 geen sprake meer zijn. Verweerder heeft daarom ter zitting grond artikel 59b, eerste lid, onder b, van de Vw laten vallen. 3.2. Verweerder stelt zich naar het oordeel van de rechtbank terecht op het standpunt dat de identiteit en nationaliteit van eiseres niet vaststaan, omdat zij geen documenten heeft overgelegd die haar gestelde identiteit en nationaliteit onderbouwen. Eiseres heeft geen concrete aanknopingspunten gegeven waaruit blijkt dat de maatregel van bewaring niet kan voortduren op grond van artikel 59b, eerste lid, onder a, van de Vw. De maatregel kon dus vanaf de verlenging van 29 maart 2026 in ieder geval verlengd worden op de a-grondslag. De beroepsgrond slaagt niet. Voortduren van de bewaring 4. Eiseres stelt zich op het standpunt dat de bewaringsmaatregel geen gerechtvaardigd doel meer dient omdat verweerder in redelijkheid moet inzien dat het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening niet voor afloop van de maximale duur van de bewaring, welke eindigt op 29 juni 2026, zullen worden behandeld. Zij verwijst hiervoor naar een uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Groningen, van 12 september 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:16853. Verweerder spant zich niet in voor een eerdere zittingsdatum. 4.1. Verweerder heeft op de zitting gesteld dat op 12 juni 2026 een verzoek aan de rechtbank is gedaan om het verzoek om een voorlopige voorziening met spoed op zitting te plaatsen vanwege de maatregel van bewaring, maar dat daarop nog geen reactie is ontvangen. In ieder geval is de periode van drie maanden nog niet verstreken en staat niet vast dat de rechtbank voor het verstrijken van deze periode de voorlopige voorziening niet zal behandelen. Verweerder stelt zich daarom op het standpunt dat de bewaring nog altijd rechtmatig voortduurt. 4.2. De rechtbank stelt voorop dat de bewaring zo kort mogelijk moet duren. De behandeling op zitting van het beroep en verzoek om een voorlopige voorziening stonden gepland op 2 juli 2026, maar dit gaat niet door vanwege roosterwijzigingen bij de rechtbank. Verweerder heeft, weliswaar aan de late kant, op 12 juni 2026 verzocht om een eerdere behandeling van het verzoek om een voorlopige voorziening. Deze rechtbank wil niet vooruitlopen op de beslissing op dit verzoek van een andere rechtbank. Dat betekent dat de rechtbank verweerder volgt in zijn standpunt dat het nog mogelijk is dat de voorlopige voorziening binnen de termijn met spoed zal worden behandeld. De rechtbank ziet om diezelfde reden ook onvoldoende aanleiding voor het oordeel dat de maatregel van bewaring bijvoorbeeld had moeten worden opgeheven op het moment dat de behandeling ter zitting op 2 juli 2026 gepland werd of het moment dat deze zitting werd geannuleerd door de rechtbank. Ook toen was het namelijk nog mogelijk voor de rechtbank om – al dan niet op verzoek van verweerder – te beslissen het beroep en/of het verzoek om een voorlopige voorziening voor afloop van de bewaring te behandelen. De beroepsgrond slaagt dus niet. 4.3. De rechtbank merkt hierbij wel op dat het waarschijnlijk anders zou zijn als de rechtbank al wel had laten weten geen aanleiding te zien de behandeling van het verzoek om een voorlopige voorziening naar voren te halen. Dan zou namelijk eenzelfde soort situatie zijn ontstaan als in de uitspraak van de zittingsplaats Groningen waarnaar eiseres verwijst, waarbij er al een afwijzing van de rechtbank lag en hetzelfde verzoek opnieuw werd gedaan. De reactie op zo’n herhaald verzoek afwachten had volgens de rechtbank geen zin omdat met de afwijzing al vast stond dat de termijn niet zou worden gehaald. Ambtshalve toetsing 5. De rechtbank overweegt tot slot dat zij, zoals blijkt uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) van 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858, gehouden is ambtshalve de rechtmatigheidsvoorwaarden van de maatregel van bewaring te toetsen. Ook met inachtneming van deze ambtshalve toetsing ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat het voortduren van de maatregel van bewaring sinds 1 april 2026 tot het moment van sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was. Conclusie 6. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. 7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank: verklaart het beroep ongegrond; wijst het verzoek om schadevergoeding af. Deze uitspraak is gedaan door mr. E.C. Harting, rechter, in aanwezigheid van mr. N. Felić, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.