Menu

Filter op
content
PONT Klimaat

0

ECLI:NL:RBDHA:2026:18552

Bewaring, 59-1-a

Rechtbank Den Haag 6 July 2026

Jurisprudentie – Uitspraken

ECLI:NL:RBDHA:2026:18552 text/xml public 2026-07-06T17:00:21 2026-07-06 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-07-06 26.35191 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Groningen Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18552 text/html public 2026-07-06T15:44:59 2026-07-06 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:18552 Rechtbank Den Haag , 06-07-2026 / 26.35191
Bewaring, 59-1-a
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

zaaknummer: NL26.35191
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser], eiser,
geboren op [geboortedatum],

van Marokkaanse nationaliteit,

V-nummer: [nummer],

(gemachtigde: mr. M.H.K. van Middelkoop),

en
de minister van Asiel en Migratie, de minister,
(gemachtigde: L. Ploeger).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw. Eiser is het niet eens met die maatregel. Hij voert daartegen een aantal beroepsgronden aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van die maatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Het opleggen van de maatregel van bewaring is niet onrechtmatig. De maatregel van bewaring voldoet aan de voorwaarden. De minister hoefde niet te kiezen voor een lichter middel. Er is dus geen reden voor het toekennen van een schadevergoeding. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.
Procesverloop
2. Met het bestreden besluit van 24 juni 2026 heeft de minister aan eiser de maatregel van bewaring opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.
2.1.
Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 3 juli 2026 met behulp van telehoren, op zitting behandeld. Eiser en zijn gemachtigde zijn op het detentiecentrum in Rotterdam verschenen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde op de rechtbank in Groningen. Hier is ook een tolk verschenen. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting gesloten.


Beoordeling door de rechtbank
Toetsingskader

3. De minister kan als het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid dat vordert, de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft in bewaring stellen. De minister stelt een vreemdeling slechts in bewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast en de bewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de bewaring. Deze vreemdeling kan in bewaring worden gesteld op grond dat het belang van de openbare orde of nationale veiligheid zulks vordert, indien a) een onderduikrisico bestaat, of b) de vreemdeling de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, indien ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vb zich voordoen.

De aan eiser opgelegde maatregel van bewaring

4. De minister heeft aan eiser de maatregel van bewaring opgelegd. In deze maatregel staat dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat er onderduikrisico bestaat en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.
4.1.
In de maatregel heeft de minister als gronden vermeld dat eiser:

a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan, waarbij de vreemdeling zich gedurende enige tijd aan het toezicht heeft onttrokken of zich zonder toestemming tussen de lidstaten van de Europese Unie beweegt;

b. eerder een besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht de Europese Unie dan wel Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;

c. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;

d. onjuiste of tegenstrijdige gegevens heeft verstrekt in verband met zijn aanvraag om toelating met betrekking tot zijn identiteit, nationaliteit of de reis naar Nederland of een andere lidstaat of een aan hem verstrekt visum voor een ander doel heeft gebruikt dan waarvoor dit is verleend.

h. heeft te kennen gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan de verplichting tot terugkeer;

j. een aanvraag voor het verlenen van een verblijfsvergunning asiel heeft ingediend die niet-ontvankelijk is verklaard of is afgewezen als kennelijk ongegrond;

p. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;

q. meerdere aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning heeft ingediend die niet tot verlening van een verblijfsvergunning hebben geleid;

r. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;

s. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.

Voortraject

5. De rechtbank stelt vast dat eiser de procedure voorafgaand aan de bewaringstelling niet heeft bestreden. De bewaring is niet op die grond onrechtmatig.

Grondslag

6. De rechtbank stelt vast dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft. Eiser heeft op

4 juni 2021 een terugkeerbesluit en op 22 oktober 2024 een inreisverbod voor de duur van twee jaar opgelegd gekregen. Eiser valt daarom onder de in artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw genoemde categorie vreemdelingen. De maatregel is op de juiste grondslag opgelegd.

Gronden

7. De rechtbank stelt vast dat eiser geen van de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd heeft betwist. De rechtbank ziet ambtshalve toetsend geen aanleiding voor het oordeel dat deze gronden, in samenhang gezien, de maatregel van bewaring niet kunnen dragen. Er bestaat dan ook voldoende grond voor het standpunt van de minister dat er een onderduikrisico bestaat en dat eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.

Lichter middel

8. Eiser stelt dat de maatregel van bewaring voor hem onevenredig bezwarend is, omdat hij medicijnen gebruikt voor zijn psychische gesteldheid. Hij ervaart veel stress in detentie.

9. De rechtbank is van oordeel dat de minister terecht geen aanleiding heeft gezien om aan eiser een lichter middel dan de maatregel van bewaring op te leggen. Daarbij acht de rechtbank van belang dat, zoals hiervoor is overwogen, de aan de maatregel ten grondslag gelegde gronden de maatregel kunnen dragen en daarmee het risico op onttrekking is gegeven.
9.1.
De rechtbank is verder van oordeel dat de minister de medische omstandigheden van eiser voldoende heeft betrokken bij de oplegging van de maatregel. De minister heeft eiser gewezen op de beschikbare medische faciliteiten en voorzieningen binnen het detentie- en uitzetcentrum, alsmede op de mogelijkheid van overplaatsing naar een regulier ziekenhuis, een penitentiair psychiatrisch centrum of een gesloten zorginstelling indien de benodigde zorg niet binnen die voorzieningen kan worden geboden. In dit verband heeft de minister terecht gesteld dat de medische zorgverlening binnen deze centra gelijkwaardig is aan de gezondheidszorg in de vrije maatschappij. Voor zover eiser heeft gesteld dat hij zijn medicatie niet krijgt, overweegt de rechtbank dat eiser zich hiervoor kan melden bij de medische dienst in het detentiecentrum.
9.2.
Verder is de rechtbank niet gebleken van persoonlijke belangen van eiser die de bewaring voor hem onevenredig bezwarend maken en waarin de minister aanleiding had moeten zien eiser een lichter middel dan bewaring op te leggen.

Voortvarendheid

7. De rechtbank is van oordeel dat de minister voldoende voortvarend werkt aan de uitzetting van eiser. Op 23 juni 2026 heeft de minister een LP-aanvraag verstuurd naar de autoriteiten van Marokko. De minister heeft hierop op 26 juni 2026 gerappelleerd. Ook heeft de minister op 25 juni 2026 een vertrekgesprek gevoerd met eiser. De rechtbank acht deze gang van zaken voldoende voortvarend.

Zicht op uitzetting

10. De rechtbank overweegt dat in zijn algemeenheid zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn Marokko niet ontbreekt. De rechtbank ziet geen aanleiding voor het oordeel dat in het concrete geval van eiser het zicht op uitzetting naar Marokko ontbreekt. Niet is gebleken dat de Marokkaanse autoriteiten hebben aangegeven geen laissez-passer voor eiser te zullen verstrekken.
Conclusie en gevolgen.
11. De rechtbank ziet verder ambtshalve geen aanleiding voor het oordeel dat de maatregel, gelet op de 6 maanden-termijn en de beoordeling van het non-refoulementbeginsel, onrechtmatig is.

12. Het beroep tegen de maatregel van bewaring is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

13. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;

- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. N.M. van Waterschoot, rechter, in aanwezigheid van mr. M.A. van der Meulen-Postma, griffier en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.

De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Hierna: bewaring.

Vreemdelingenwet 2000.

Het beroep tegen een maatregel van bewaring wordt ook aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.

Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.

Dit volgt uit artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw.

Dit volgt uit artikel 59c van de Vw.

Dit volgt uit artikel 5.5 van het Vb.

Dit volgt uit artikel 5.6, eerste lid, van het Vb.

Vreemdelingebesluit 2000.

Laissez-passer.

Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, van 27 januari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:219.

Zie ook de arresten Adrar van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) van 4 september 2025 (ECLI:EU:C:2025:647) en Aroja van het Hof van 5 maart 2026 (ECLI:EU:C:2026:148).

Artikel delen