Menu

Filter op
content
PONT Klimaat

0

ECLI:NL:RBDHA:2026:18575

spoedvovo, bezwaar tegen intrekking van verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd ongegrond is verklaard, gevaar openbare orde, belangen van eiser om beroepsprocedure in Nederland af te wachten wegen zwaarder dan belangen van verweerder, verzoek toegewezen.

Rechtbank Den Haag 8 July 2026

Jurisprudentie – Uitspraken

ECLI:NL:RBDHA:2026:18575 text/xml public 2026-07-08T09:04:47 2026-07-06 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-04-16 NL26.17277 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig Voorlopige voorziening NL Amsterdam Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18575 text/html public 2026-07-06T16:57:31 2026-07-08 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:18575 Rechtbank Den Haag , 16-04-2026 / NL26.17277
spoedvovo, bezwaar tegen intrekking van verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd ongegrond is verklaard, gevaar openbare orde, belangen van eiser om beroepsprocedure in Nederland af te wachten wegen zwaarder dan belangen van verweerder, verzoek toegewezen.

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam

Bestuursrecht

Zaaknummer: NL26.17277

V-nummer: [v-nummer]
uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen
[verzoeker],
geboren op [geboortedag] 1988, van Marokkaanse nationaliteit, verzoeker,

(gemachtigde: mr. A.M. van Eik)

en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: mr. W.J. Poot).
Inleiding
1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker tegen het besluit van 23 maart 2026 (het bestreden besluit), waarbij verzoekers bezwaar tegen de intrekking van zijn verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd ongegrond is verklaard en waarbij aan hem een terugkeerbesluit en een inreisverbod is uitgevaardigd voor de duur van tien jaar. Verzoeker heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
1.1.
Verweerder heeft per brief van 10 april 2026 laten weten zich te verzetten tegen toewijzing van de voorlopige voorziening.
1.2.
De voorzieningenrechter doet op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Awb uitspraak zonder zitting.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
2. De voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, kan op verzoek een voorlopige voorziening treffen als tegen een besluit beroep is ingesteld en onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
2.1.
Als gevolg van de uitspraak van de voorlopige voorzieningenrechter van

14 februari 2025 eindigt de opschortende werking van het bezwaar op 21 april 2026. Vanaf dat moment heeft verzoeker geen rechtmatig verblijf meer in Nederland. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is het spoedeisend belang daarmee gegeven.

3. Deze rechtbank en zittingsplaats heeft het beroep van verzoeker, geregistreerd onder zaaknummer NL26.17275, bij beslissing van 13 april 2026 gelet op de complexiteit en het principiële karakter van de zaak verwezen naar een zitting van de meervoudige kamer. Gelet hierop, kan aan het beroep in deze zaak een redelijke kans van slagen niet worden ontzegd.

4. De voorzieningenrechter overweegt daarbij dat de belangen van verzoeker bij het afwachten van de beroepsprocedure in Nederland zwaarder wegen dan de belangen van verweerder. Verzoeker is inmiddels 37 jaar oud en in Nederland geboren en getogen. Zonder rechtmatig verblijf kan hij zijn werk en stage niet voortzetten. Ook worden zijn Wajong-uitkering, zorgverzekering en zorgtoeslag beëindigd. Daarnaast dreigt uitzetting naar Marokko, terwijl verzoeker hier een duurzame relatie heeft met zijn Nederlandse vrouw en zoontje met de Nederlandse nationaliteit. Zijn vrouw is voor specialistische behandeling vanwege de ziekte Multiple Sclerose aangewezen op zorg in Nederland. Verweerders belang dat verzoekers aanwezigheid in Nederland een gevaar zou vormen voor de openbare orde, aangezien verzoeker ernstige misdrijven heeft gepleegd in Nederland en België, weegt tegen het voorgaande niet op. De voorzieningenrechter kent hieraan minder gewicht toe, mede gelet op het tijdsverloop sinds de gepleegde misdrijven en het feit dat de intrekkingsprocedure al geruime tijd loopt, waarbij verweerder in de onderhavige procedure al in 2023 het voornemen heeft uitgebracht de vergunning in te trekken. Daarbij acht de voorzieningenrechter van belang dat het laatste misdrijf waarvoor verzoeker is veroordeeld alweer dateert uit 2015 en dat verzoeker inmiddels bijna vijf jaar op vrije voeten is zonder nieuwe strafbare feiten te plegen. Ook in beroep heeft verzoeker aanknopingspunten naar voren gebracht die afbreuk kunnen doen aan de stelling dat hij een (actueel) gevaar vormt. Zo heeft verweerder ter onderbouwing van het vermeende gevaar vooral gewezen naar het arrest van het Hof van Beroep Antwerpen, d.d. [datum],waarin eiser is veroordeeld tot een gevangenisstraf van 10 jaren, terwijl een individuele recidivebeoordeling ten aanzien van verzoeker daarin ontbreekt. Daarnaast heeft verzoeker in deze procedure herhaaldelijk benadrukt dat zijn gedrag dusdanig goed werd bevonden dat hij vervroegd in vrijheid kon worden gesteld. Nu het in deze procedure vooral ook gaat om de vraag of verzoeker een actuele bedreiging vormt, is de voorzieningenrechter, gezien voorgaande feiten en omstandigheden, van oordeel dat het belang van verweerder niet opweegt tegen het zwaarwegend belang van verzoeker om zijn beroepsprocedure in Nederland te kunnen afwachten.
Conclusie en gevolgen
5. De voorzieningenrechter schorst het bestreden besluit tot vier weken nadat op het beroep is beslist. Dat houdt in dat verzoeker, tot vier weken nadat op het beroep is beslist, niet mag worden uitgezet en hij moet worden behandeld als ware hij nog in het bezit van zijn verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd.

6. Omdat de voorzieningenrechter het verzoek toewijst, bepaalt de voorzieningenrechter dat verweerder aan verzoeker het door hem betaalde griffierecht van

€ 200,- vergoedt.

7. De voorzieningenrechter veroordeelt verweerder in de door verzoeker gemaakte proceskosten. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt verzoeker een vast bedrag per proceshandeling. De gemachtigde heeft het verzoekschrift ingediend. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 934,-.
Beslissing
De voorzieningenrechter,

- wijst het verzoek toe in die zin dat het bestreden besluit wordt geschorst;

- bepaalt dat tot vier weken nadat op het beroep geregistreerd onder zaaknummer: NL26.17275 is beslist, verzoeker niet mag worden uitgezet en hij gedurende deze periode moet worden behandeld als ware hij nog in het bezit van zijn verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd.

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 200,- aan verzoeker te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 934,- te betalen aan verzoeker.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.B. de Boer, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. I.I. Mooij, griffier.
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open.

Algemene wet bestuursrecht.

Dat staat in artikel 8:81 van de Awb.

Zaaknummer: NL25.3524.

Verzoeker heeft voorafgaand aan deze procedure ruim drie jaar een procedure inzake

intrekking van zijn verblijfsvergunning doorlopen waarvan inmiddels in rechte vaststaat dat die intrekking onrechtmatig was.

Artikel delen