ECLI:NL:RBDHA:2026:18584text/xmlpublic2026-07-06T18:42:082026-07-06Raad voor de RechtspraaknlRechtbank Den Haag2026-07-06NL26.22602UitspraakEerste aanleg - enkelvoudigNLGroningenBestuursrecht; VreemdelingenrechtRechtspraak.nlhttp://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18584text/htmlpublic2026-07-06T18:38:462026-07-06Raad voor de RechtspraaknlECLI:NL:RBDHA:2026:18584 Rechtbank Den Haag , 06-07-2026 / NL26.22602 Dublin Bulgarije. Interstatelijk vertrouwensbeginsel. Artikel 17 Dublinverordening.
RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Groningen Bestuursrecht zaaknummer: NL26.22602
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam], eiser, V-nummer: [v-nummer:],
(gemachtigde: mr. J.J. de Vries), en de minister van Asiel en Migratie, de minister, (gemachtigde: mr. G.W. Wezelman). Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 20 april 2026 niet in behandeling genomen omdat Bulgarije verantwoordelijk is voor de aanvraag. 1.1. De rechtbank heeft het beroep, gelijktijdig met het verzoek om een voorlopige voorziening, op 2 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, een tolk en de gemachtigde van de minister. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting gesloten. 1.2. Op het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening wordt apart beslist. Beoordeling door de rechtbank 2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiser. Zij doet dat mede aan de hand van de argumenten die eiser heeft aangevoerd, de beroepsgronden. 3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiser ongelijk krijgt en het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Totstandkoming van het besluit
4. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Met ingang van 12 juni 2026 gelden de regels die zijn neergelegd in Verordening (EU) 2024/1351 betreffende asiel- en migratiebeheer (AMB-verordening). 4.1. Welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een verzoek om internationale bescherming dat vóór 12 juni 2026 is geregistreerd, wordt bepaald volgens de in Verordening (EU) nr. 604/2013 (Dublinverordening) vastgelegde criteria. 4.2. Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. In dit geval heeft Nederland bij Bulgarije op 11 maart 2026 een verzoek om terugname gedaan. Bulgarije heeft dit verzoek op 17 maart 2026 aanvaard. Interstatelijk vertrouwensbeginsel
5. Eiser stelt dat de minister ten aanzien van Bulgarije niet mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Eiser verwijst hierbij naar het AIDA-rapport van maart 2025 (update 2024). Verder heeft eiser bij de zienswijze drie foto’s overgelegd, waarop onder meer verstopte wasbakken zijn te zien. 5.1. Bij uitspraak van 6 juli 2023 is de rechtbank ingegaan op soortgelijke gronden als die in onderhavige procedure zijn aangevoerd. De Afdeling heeft op 27 juni 2024 en 20 april 2026 geoordeeld dat ten aanzien van Dublinclaimanten in Bulgarije van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. 5.2. De door eiser overgelegde foto’s, die niet door hem zelf zijn gemaakt, zijn onvoldoende om anders te oordelen dan de Afdeling heeft gedaan. De foto’s zijn zonder enige context ingebracht. Zo is niet vermeld waar en wanneer deze foto’s zijn genomen. 5.3. De rechtbank heeft op de zitting aan eiser voorgelegd of het rapport van AIDA van mei 2026 informatie bevat die een ander beeld geeft dan waar de Afdeling van uit is gegaan.
Eiser heeft -na een onderbreking van de zitting- gewezen op de een op bladzijde 22-23 opgenomen passage in het AIDA-rapport: “In many cases, they failed to provide even the most essential services, including adequate nutrition and sanitation in both personal and communal spaces. Access to regular and hot water, as well as maintenance and repairs in bathrooms, rooms, and common areas, remained highly problematic due to the absence of a dedicated budget for upkeep. Long-standing issues such as infestations of bedbugs, lice, cockroaches, and rats persisted across facilities. The Ovcha Kupel shelter in Sofia, the oldest reception centre, deteriorated to such an extent that at one point, the previous SAR management considered its complete closure. By the end of 2025, the only remaining functional space within the facility continued to be the safe zone for unaccompanied children, managed by the IOM. Residents across all reception centres, except for the Pastrogor transit centre, which remained closed for the duration of 2025 until December, continued to express concerns about poor living conditions, in particular the persistent issue of bedbug infestations, which frequently led to health problems such as chronic skin inflammations and allergic reactions. Despite regular disinfections throughout 2025, the issue, which first emerged in 2013 and was largely neglected until 2023, remained a serious and ongoing concern.” 5.4. De minister heeft erop gewezen dat deze passage vrijwel exact hetzelfde is als de passage op bladzijde 17 van het eerdere AIDA-rapport van maart 2025 (update 2024), welke reeds door de Afdeling is betrokken. Daarnaast heeft de minister erop gewezen dat ook ten aanzien van de state of facilities op bladzijde 96 van het meest recente AIDA-rapport (van mei 2026) geen wezenlijke wijziging is te zien ten opzichte van bladzijde 83 van het eerdere rapport (update 2024). Tot slot heeft de minister erop gewezen dat het nieuwe rapport eveneens vergelijkbaar is met het eerdere rapport ten aanzien van de informatie over de huisvesting van Dublinclaimanten die de asielprocedure definitief hebben doorlopen. 5.5. De rechtbank leest in de door eiser aangehaalde passage geen verslechtering ten opzichte van het eerdere rapport. Het gaat om informatie die in het rapport van maart 2025 is genoemd, maar onder state of facilities ook is te vinden in de in het bestreden besluit aangehaalde rapporten van maart 2023 (update 2022, blz. 76-77) en april 2024 (update 2023, blz. 83-84). Als het gaat om de huisvesting leest de rechtbank op de door eiser aangehaalde bladzijde 22 verder dat budget is vrijgemaakt voor renovatie: “In 2025 however, due to the political appointment of a SAR leadership by the government, the SAR received a budget of BGN 16,000,000, of which BGN 3,900,000 solely for capital investments and refurbishment.” 5.6. Alles overwegende ziet de rechtbank in hetgeen eiser heeft aangevoerd dan ook geen aanleiding om anders te oordelen dan in de hiervoor aangehaalde uitspraken is gedaan.
Artikel 17 Dublinverordening
6. In het bestreden besluit is overwogen dat de IND, ook al is Bulgarije verantwoordelijk, op grond van artikel 17 van de Dublinverordening en paragraaf C2/5 Vc kan besluiten om de asielaanvraag zelf te behandelen. 6.1. Op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening moet worden bekeken of er bijzondere, individuele omstandigheden zijn aangevoerd die aanleiding geven om de asielaanvraag van eisers toch in Nederland te behandelen. 6.2. Paragraaf C2/5. van de Vc bepaalt dat de minister terughoudend gebruik maakt van de bevoegdheid om het verzoek om internationale bescherming in Nederland te behandelen op grond van artikel 17, eerste en tweede lid, van de Dublinverordening, ook al is Nederland op grond van de in de verordening neergelegde criteria daartoe niet verplicht. 6.3. De rechtbank is van oordeel dat de minister, gelet op hetgeen eiser heeft aangevoerd, in het besluit van 20 april 2026 deugdelijk heeft gemotiveerd waarom -onder het destijds geldende beleid- geen aanleiding is gezien om de asielaanvraag van eiser aan zich te trekken. Conclusie en gevolgen 7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en mag worden overgedragen aan Bulgarije. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. A.W. Wassink, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Strating, griffier en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl. De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op: Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Dit verzoek staat geregistreerd onder zaaknummer: NL26.22603. Rectificatie van Verordening (EU) 2024/1351, 2025/90929, 25 november 2025. Artikel 84 lid 2 van de AMB-verordening (overgangsmaatregelen). Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000. Asylum Information Database. ECLI:NL:RBDHA:2023:9791. Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. ECLI:NL:RVS:2024:2647. ECLI:NL:RVS:2026:2133. Vergelijkbaar met artikel 35 van de AMB-verordening. Vreemdelingencirculaire 2000. In WBV 2026/8 (Stcrt. 2026, nr. 17856) is dit verder ingeperkt. Artikel 35 is niet genoemd in art. 43 AMB-Verordening (dat de draagwijdte van een rechtsmiddel beperkt).