Menu

Filter op
content
PONT Klimaat

0

ECLI:NL:RBDHA:2026:18665

Stalking en openlijk geweldpleging. Verwerping noodweerverweer ten aanzien van de openlijk geweldpleging. Veroordeling tot een gevangenisstraf voor de duur van acht maanden met aftrek en oplegging van de maatregel tbs met dwangverpleging. Geen meerwaarde om daarnaast een gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel op te leggen. Vorderingen benadeelde partijen deels toegewezen. Vorderi...

Rechtbank Den Haag 7 July 2026

Jurisprudentie – Uitspraken

ECLI:NL:RBDHA:2026:18665 text/xml public 2026-07-07T14:45:03 2026-07-07 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-06-29 09/290140-25 (dagvaarding I), 09/029669-25 (dagvaarding II, ttz.gev.) en 16/177451-20 (tul) Uitspraak Eerste aanleg - meervoudig Op tegenspraak NL Den Haag Strafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18665 text/html public 2026-07-07T14:32:45 2026-07-07 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:18665 Rechtbank Den Haag , 29-06-2026 / 09/290140-25 (dagvaarding I), 09/029669-25 (dagvaarding II, ttz.gev.) en 16/177451-20 (tul)
Stalking en openlijk geweldpleging. Verwerping noodweerverweer ten aanzien van de openlijk geweldpleging. Veroordeling tot een gevangenisstraf voor de duur van acht maanden met aftrek en oplegging van de maatregel tbs met dwangverpleging. Geen meerwaarde om daarnaast een gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel op te leggen. Vorderingen benadeelde partijen deels toegewezen. Vordering tot tenuitvoerlegging afgewezen. Toewijzing van deze vordering niet meer opportuun, gelet op de reeds op te leggen straf en maatregel.
Rechtbank DEN HAAG
Strafrecht

Meervoudige kamer

Parketnummers: 09/290140-25 (dagvaarding I), 09/029669-25 (dagvaarding II, ttz.gev.) en

16/177451-20 (tul)

Datum uitspraak: 29 juni 2026

Tegenspraak

De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1989 te [geboorteplaats],

BRP-adres: [adres 1] te [woonplaats],

op dit moment gedetineerd in de penitentiaire inrichting te [plaats].
<nr>1</nr>Het onderzoek ter terechtzitting
Het onderzoek is gehouden op de terechtzitting van 15 juni 2026.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. S. van Dongen en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsman mr. F.C. Knoef naar voren is gebracht.
<nr>2</nr>De tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

Ten aanzien van dagvaarding I

hij in of omstreeks 29 maart 2025 tot en met 26 oktober 2025 te 's-Gravenhage, althans in Nederland, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op eens anders persoonlijke levenssfeer, te weten die van [aangeefster],door op verschillende data en/of tijdstippen in voormelde periode- één of meermalen sms-berichten en/of whatsapp-berichten aan die [aangeefster] te sturen,- één of meermalen te bellen naar die [aangeefster] en/of haar voicemail in te spreken,- daarbij gebruik te maken van meerdere verschillende telefoonnummersmet het oogmerk die [aangeefster], te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en/of vrees aan te jagen;

Ten aanzien van dagvaarding II

hij op of omstreeks 26 januari 2025 te 's-Gravenhage openlijk, te weten, ter hoogte van [adres 2] te 's-Gravenhage, in elk geval op of aan de openbare weg en/of op een voor het publiek toegankelijke plaats, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een persoon te weten [aangever] door die voornoemde [aangever] een of meerdere malen tegen zijn hoofd, althans tegen zijn lichaam te slaan en/of een of meerdere malen tegen zijn lichaam te schoppen.
<nr>3</nr>De bewijsbeslissing 3.1.
Inleiding

De verdachte wordt – kort samengevat – verweten dat hij zich in de periode van 29 maart 2025 tot en met 26 oktober 2025 schuldig heeft gemaakt aan belaging van zijn ex-vriendin [aangeefster] (hierna ook: de aangeefster) (dagvaarding I) en dat hij op 26 januari 2025 samen met een ander of anderen openlijk geweld heeft gepleegd tegen [aangever] (hierna ook: de aangever) (dagvaarding II).
3.2.
Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de bij dagvaarding I en II ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen kunnen worden.
3.3.
Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte moet worden vrijgesproken van het bij dagvaarding II ten laste gelegde wegens het ontbreken van wettig en overtuigend bewijs. Naar zijn mening is de verklaring van [aangever] onvoldoende betrouwbaar.

Ten aanzien van dagvaarding I heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
3.4.
Gebruikte bewijsmiddelen

De rechtbank heeft in de bijlage opgenomen de wettige bewijsmiddelen met de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden voor het ten laste gelegde onder dagvaarding I.
3.5.
Bewijsoverwegingen

Ten aanzien van dagvaarding I

De verdachte heeft na een ruzie met de aangeefster op 29 maart 2026 een whatsapp-bericht aan haar gestuurd inhoudende “Weet niet wat er met jou aan de hand is maar je ken beter iemand anders zoeken”. De aangeefster begreep daaruit dat de relatie was beëindigd. Zij heeft vervolgens niet gereageerd en verder geen enkel contact meer met de verdachte gehad. De verdachte heeft daarop met verschillende telefoonnummers meerdere sms-berichten en whatsapp-berichten aan aangeefster gestuurd en haar meerdere malen gebeld en haar voicemail ingesproken. Ook nadat de aangeefster op 10 juli 2025 aangifte tegen de verdachte heeft gedaan, is hij met dit gedrag doorgegaan. De verdachte heeft hierin volhard tot kort voor zijn aanhouding, namelijk tot en met 26 oktober 2025. Met dit gedrag heeft de verdachte stelselmatig inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van aangeefster. Dat de verdachte aangeeft dat hij recht heeft op duidelijkheid en alleen een antwoord te hebben gewild over de status van de relatie en het voorgenomen huwelijk tussen hem en aangeefster, rechtvaardigt niet dat hij eenzijdig contact met haar bleef zoeken. Het kan gelet op de voortdurende radiostilte niet anders dan dat het voor de verdachte duidelijk was dat aangeefster geen contact meer met hem wilde. Temeer nu de verdachte verschillende telefoonnummers gebruikte om contact te krijgen met aangeefster, en zij op geen van de berichten heeft gereageerd. Voor de volledigheid wijst de rechtbank nog op het arrest van de Hoge Raad waaruit volgt dat niet is vereist dat aangeefster aan de verdachte expliciet kenbaar heeft gemaakt geen contact meer met hem te willen hebben (Hoge Raad, ECLI:NL:HR:2015:1447, 2 juni 2015). Het ten laste gelegde feit kan dan ook wettig en overtuigend bewezen worden.

Ten aanzien van dagvaarding II

De verklaring van de aangever, inhoudende dat hij buiten op straat bij de woning van de moeder van de verdachte door de verdachte en zijn broer(s) is geslagen en geschopt, wordt in voldoende mate ondersteund door andere bewijsmiddelen. Dat zijn verklaring op andere (niet ten laste gelegde) onderdelen, zoals de aanwezigheid van een schroevendraaier of een stuk hout, geen steun vindt in het dossier, doet naar het oordeel van de rechtbank niet af aan de betrouwbaarheid van die verklaring.

Bij de aangever is letsel aangetroffen dat past bij zijn verklaring. Ook is uit het buurtonderzoek gebleken dat kinderen hebben gezien dat hij aanbelde bij de woning van de moeder van de verdachte en dat hij daarna werd aangevallen door meerdere mannen. Volgens de kinderen werd hij vervolgens vechtend de straat uit begeleid.

Uit de verklaring van de aangever blijkt tot slot dat de verdachte een significante en wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan het geweld gepleegd tegen de aangever.

De rechtbank acht dan ook het ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen.
3.6.
De bewezenverklaring

De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:

Ten aanzien van dagvaarding I

hij in de periode van 29 maart 2025 tot en met 26 oktober 2025 in Nederland wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op eens anders persoonlijke levenssfeer, te weten die van [aangeefster],door op verschillende data en tijdstippen in voormelde periode- meermalen sms-berichten en whatsapp-berichten aan die [aangeefster] te sturen,- meermalen te bellen naar die [aangeefster] en haar voicemail in te spreken,- daarbij gebruik te maken van meerdere verschillende telefoonnummersmet het oogmerk die [aangeefster], te dwingen iets te doen en te dulden;

Ten aanzien van dagvaarding II

hij op 26 januari 2025 te 's-Gravenhage openlijk, te weten, ter hoogte van [adres 2] te 's-Gravenhage, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een persoon te weten [aangever] door die voornoemde [aangever] meerdere malen tegen zijn hoofd, althans tegen zijn lichaam te slaan en meerdere malen tegen zijn lichaam te schoppen.

Voor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd en gecursiveerd weergegeven, zonder dat de verdachte daardoor in de verdediging is geschaad.
<nr>4</nr>De strafbaarheid van het bewezen verklaarde 4.1.
Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft verzocht de verdachte ten aanzien van dagvaarding II te ontslaan van alle rechtsvervolging, nu hij heeft gehandeld uit noodweer. Er was volgens de raadsman sprake van een (onmiddellijk dreigende) wederrechtelijke aanranding, waartegen verdediging door de verdachte geboden was. Het is aannemelijk dat de aangever (het slachtoffer), toen hij aanbelde bij de woning van de moeder van de verdachte, het conflict over zijn opgeslagen goederen bij de verdachte die hij terug wilde, met (dreiging met) geweld heeft proberen te beslechten. Het handelen van de verdachte voldoet voorts aan de vereisten van proportionaliteit en subsidiariteit.
4.2.
Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het noodweerverweer van de verdachte moet worden verworpen, nu in het dossier geen aanknopingspunten aanwezig zijn dat er sprake was van een noodweersituatie.
4.3.
Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht de feiten en omstandigheden die de raadsman aan het verweer ten grondslag heeft gelegd, niet aannemelijk geworden. De door de raadsman gegeven lezing van de gebeurtenissen vindt zijn weerlegging in de bewijsmiddelen ontleende feiten en omstandigheden. Daaruit volgt immers niet dat het slachtoffer met geweld of dreiging met geweld de woning van de moeder van de verdachte probeerde binnen te dringen.

Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat de verdachte de hem verweten gedraging(en) niet heeft verricht in een situatie waarin en op een tijdstip waarop voor hem de noodzaak bestond tot verdediging van eigen of eens anders lijf, eerbaarheid of goed tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding, dan wel het onmiddellijk dreigend gevaar daarvoor. Het noodweerverweer wordt dan ook verworpen.

Het bewezen verklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er voor het overige ook geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.
<nr>5</nr>De strafbaarheid van de verdachte
De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.
<nr>6</nr>De strafoplegging 6.1.
De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van acht maanden, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht, alsmede dat aan de verdachte wordt opgelegd de maatregel van terbeschikkingstelling (hierna: tbs) met een bevel tot verpleging van overheidswege (hierna: dwangverpleging) en voorts een contactverbod als vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 38v lid 2 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr).
6.2.
Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft verzocht aan de verdachte, mede gelet op de verzochte vrijspraak, dan wel ontslag van alle rechtsvervolging ten aanzien van dagvaarding II, een gemaximeerde tbs met voorwaarden op te leggen.
6.3.
Het oordeel van de rechtbank

Na te melden straf en maatregel zijn in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken.

De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.

De ernst van de feiten

De verdachte heeft gedurende een periode van ruim zeven maanden het slachtoffer, zijn ex-partner, stelselmatig lastiggevallen door haar veelvuldig te bellen en berichten te sturen.

Door zo te handelen heeft de verdachte de privacy van het slachtoffer ernstig geschonden en bij haar gevoelens van angst en onveiligheid teweeggebracht. De verdachte is een paar maanden voor het bewezenverklaarde ook veroordeeld voor belaging van een andere ex-partner, waarvoor hij onder andere tbs met voorwaarden opgelegd heeft gekregen. Ook liep verdachte in een proeftijd van een veroordeling uit 2021, eveneens ter zake van belaging. De rechtbank kent aan de herhaling van het stalkingsgedrag van de verdachte strafverzwarende betekenis toe, ondanks de verminderde toerekenbaarheid van dit gedrag aan de verdachte, waarover hieronder meer. Bij het plegen van dit feit heeft de verdachte zijn frustratie vanwege het verbreken van de relatie door zijn ex-partner niet kunnen beheersen en haar op dwingende manier en niet aflatend benaderd om duidelijkheid van haar te krijgen. Het is algemeen bekend dat slachtoffers van een feit als dit hiervan nog geruime tijd psychische schade kunnen ondervinden.

De verdachte heeft zich daarnaast samen met anderen schuldig gemaakt aan openlijke geweldpleging. Het slachtoffer heeft aan het incident fysiek letsel overgehouden. De verdachte heeft met zijn handelen een grove inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer. Naast de gevolgen voor het slachtoffer, leiden dit soort strafbare feiten tot gevoelens van onrust en angst in de maatschappij. Het feit heeft zich immers in het openbaar afgepeeld, waarbij buurtbewoners getuigen zijn geweest van het geweld.

Het strafblad van de verdachte

De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 30 april 2026. Hieruit blijkt dat de verdachte in het verleden diverse malen veroordeeld is geweest voor soortgelijke feiten, laatstelijk op 30 augustus 2024, waarbij aan de verdachte onder andere de maatregel van tbs met voorwaarden is opgelegd. Hoewel deze veroordeling niet onherroepelijk is, weegt de rechtbank dit in het nadeel van de verdachte mee. Voorts liep hij in een proeftijd voor een veroordeling uit 2021 voor een soortgelijk delict.

De persoon van de verdachte

De rechtbank heeft kennisgenomen van het Pro Justitia rapport van [naam 1], psychiater, van 16 april 2026.

De rapporteur heeft geconcludeerd dat de verdachte ten tijde van het tenlastegelegde leed aan een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens, waarbij er sprake is van een licht verstandelijke beperking. Voorts was er sprake van evidente trekken van een antisociale persoonlijkheidsstoornis. De trekken van de persoonlijkheidsstoornis en de licht verstandelijke beperking hebben invloed gehad op de gedragingen van de verdachte tijdens de ten laste gelegde feiten en beïnvloedde zijn gedragskeuzes. De rapporteur adviseert daarom de tenlastegelegde feiten in verminderde mate aan de verdachte toe te rekenen.

Het recidiverisico wordt door de rapporteur als hoog ingeschat. De kans op agressie of antisociale opvattingen of handelingen wordt sterk verhoogd als de verdachte geconfronteerd wordt met een niet te beïnvloeden externe stressor, die hij als krenkend, denigrerend en prikkelend ervaart, met name als hij de situaties niet goed begrijpt of als onduidelijk ervaart. Adequate hulpverlening en begeleiding is daarom noodzakelijk, maar dit is tot op heden moeizaam gebleken, om welke reden reeds getracht is de lopende maatregel tbs met voorwaarden om te zetten naar een tbs met dwangverpleging. Dit bleek echter niet mogelijk, gezien de lopende cassatie met betrekking tot die veroordeling. De rapporteur adviseert de maatregel van tbs op te leggen. Een tbs met voorwaarden zou daarin theoretisch de voorkeur hebben, gezien de bereidwilligheid van de verdachte om mee te werken aan behandeling en begeleiding. Gelet op het voorgaande is de maatregel van tbs volgens de rapporteur aangewezen. Een tbs met voorwaarden zou daarin theoretisch de voorkeur hebben, maar mocht een tbs met voorwaarden niet haalbaar worden geacht, is een tbs met dwangverpleging aangewezen. De rapporteur benadrukt de noodzakelijkheid van een adequate behandeling en een uitbreid resocialisatietraject met stringente controle en begeleiding.

De rechtbank heeft voorts kennisgenomen van het Pro Justitia rapport van drs. [naam 2], gezondheidszorgpsycholoog, van 16 april 2026.

De rapporteur concludeert dat er bij de verdachte sprake is van een combinatie van een licht verstandelijke beperking en trekken van een antisociale persoonlijkheidsstoornis. Dit beïnvloedde zijn gedragskeuzes en gedragingen ook ten tijde van het ten laste gelegde. De rapporteur adviseert dan ook de ten laste gelegde feiten in (licht) verminderde mate aan de verdachte toe te rekenen. De rapporteur schat het recidiverisico zonder passende hulpverlening en juridisch kader als matig tot hoog in. De verdachte recidiveert opnieuw in agressief gedrag en stalking van een ex-partner. Dit ondanks de langdurige behandeling die hij heeft gehad en het juridisch kader dat hem boven het hoofd hangt. De rapporteur adviseert een tbs met voorwaarden. In dit kader is behandeling gegarandeerd. De rapporteur is van mening dat een tbs met voorwaarden in deze strafzaak de voorkeur heeft. Als een dergelijk kader niet haalbaar is, resteert er niets anders dan een tbs met dwangverpleging.

De rechtbank heeft tevens kennisgenomen van het reclasseringsadvies van 9 juni 2026. Ook is de rapporteur ter zitting als deskundige gehoord.

De reclassering adviseert negatief ten aanzien van een tbs met voorwaarden. Volgens de reclassering is het recidiverisico en het risico op onttrekken aan voorwaarden hoog.

Bij herhaling is gebleken dat de verdachte in woord meewerkt, maar niet in daad. De verdachte kent een uitgebreid justitieel verleden, waarbij er gesproken kan worden van een zorgwekkend delict- en gedragspatroon. De reclassering acht het zorgwekkend dat de eerdergenoemde (behandel)interventies tot op heden niet hebben geresulteerd in een aanvaardbaar laag recidiverisico en in een langdurige positieve gedragsverandering bij betrokkene.

Gelet op de bescherming van de maatschappij acht de reclassering het niet verantwoord dat de verdachte zonder adequate behandeling en begeleiding terugkeert in de maatschappij. De reclassering is van mening dat het zwaartepunt moet liggen bij een intensieve, langdurende klinische behandeling binnen een strikt- en gestructureerd kader, zonder tijdsdruk. Primair voor het vergroten van het eigen probleeminzicht, het reguleren van de eigen emoties en het vergroten van het probleemoplossende- en reflectieve vermogen, en secundair om binnen een veilige- en stabiele context te kunnen toetsen of de verdachte profiteert van de ingezette interventies om vervolgens de resocialisatie van de verdachte - onder strike voorwaarden - De reclassering is van mening dat de elementen die noodzakelijk zijn om te kunnen interveniëren binnen het kader van een tbs met voorwaarden niet- of onvoldoende aanwezig zijn. De reclassering ziet in het kader van recidivebeperking geen mogelijkheden om een resocialisatieplan met passende (behandel)interventies op te stellen, geen mogelijkheden om voorwaarden te concretiseren en geen mogelijkheden om uitvoering te geven aan een effectief toezicht.

Bij een veroordeling adviseert de reclassering daarnaast een gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel ex artikel 38z Sr aan de verdachte op te leggen. Voorts adviseert de reclassering een contactverbod als vrijheidsbeperkende maatregel op grond van artikel 38v Sr aan de verdachte op te leggen en de dadelijke uitvoerbaarheid van deze maatregel.

De op te leggen straf en maatregel

De rechtbank neemt de bevindingen en conclusies van de Pro Justitia rapporteurs over en legt deze ten grondslag aan haar beslissing dat de bewezen verklaarde feiten de verdachte verminderd kunnen worden toegerekend. Dit heeft een matigende werking op de op te leggen straf.

Gelet op de ernst van de feiten en het strafblad van de verdachte kan naar het oordeel van de rechtbank niet anders dan met een onvoorwaardelijke gevangenisstraf als strafsoort worden volstaan. Mede indachtig de persoon van de verdachte en diens verminderde toerekeningsvatbaarheid acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van acht maanden passend en geboden.

Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma als bedoeld in artikel 4 van de Penitentiaire beginselenwet.

De rechtbank neemt de conclusies uit de Pro Justitia rapporten en het reclasseringsrapport over en legt die ten grondslag aan haar oordeel dat bij de verdachte sprake is van een hoog recidiverisico en dat, teneinde dat risico te verminderen, een intensieve en op de verdachte toegesneden behandeling, zoals door de gedragsdeskundigen beschreven, noodzakelijk is.

De rapporteur van de reclassering concludeert dat er onvoldoende mogelijkheden zijn om met voorwaarden de risico’s te beperken of het gedrag van de verdachte te veranderen. Daarnaast zijn in het verleden al diverse ambulante en klinische behandelingen mislukt. Voorts is aan de verdachte vlak voor de thans bewezenverklaarde feiten een tbs met voorwaarden opgelegd en heeft hij zich tijdens dat traject ook niet aan de voorwaarden gehouden. Hoewel aan de verdachte in dat traject wellicht nog niet alle hulp is geboden, zijn er geen indicaties dat aan de verdachte niet een reële kans is geboden om mee te werken aan dat traject en zich aan de voorwaarden te houden. Gelet op deze omstandigheden acht de rechtbank een tbs-maatregel met voorwaarden thans niet meer aan de orde.

De vraag resteert of de door de rechtbank noodzakelijk geachte behandeling in het kader van tbs met dwangverpleging kan en moet worden opgelegd. De rechtbank stelt vast dat is voldaan aan het wettelijke vereiste voor het opleggen van tbs nu in ieder geval het begane feit (onder dagvaarding II) een misdrijf is waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaren of meer is gesteld. De rechtbank is verder van oordeel dat is voldaan aan het wettelijke vereiste dat de algemene veiligheid van personen en goederen het opleggen van de maatregel eist en dat zulks tevens geldt voor verpleging van overheidswege. Daartoe is redengevend dat de begane feiten ernstig zijn, dat het recidiverisico hoog is en dat de complexe problematiek van de verdachte die daaraan ten grondslag ligt intensieve en op de verdachte toegesneden behandeling vereist. Voorts zijn minder verstrekkende mogelijkheden door de Pro Justitia rapporteurs overwogen maar deze mogelijkheden zijn ontoereikend (gebleken) om het recidiverisico tot een aanvaardbaar niveau te kunnen verminderen.

De rechtbank zal dan ook de maatregel van de tbs met dwangverpleging opleggen.

De rechtbank stelt vast dat ten aanzien van dagvaarding II sprake is van een misdrijf dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen, zodat de totale duur van de terbeschikkingstelling langer kan duren dan vier jaren.

De rechtbank ziet gelet daarop geen meerwaarde om daarnaast aan de verdachte een gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel ex artikel 38z Sr of een vrijheidsbeperkende maatregel ex artikel 38v Sr op te leggen.
<nr>7</nr>De vordering van de benadeelde partij/de schadevergoedingsmaatregel
[aangeefster] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een schadevergoeding van € 7.311,-, te vermeerderen met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit € 588,- aan materiële schade en € 6.723,- aan immateriële schade.

[aangever] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een schadevergoeding van € 11.127,33, en te vermeerderen met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit € 127,33 aan materiële schade en € 11.000,- aan immateriële schade.
7.1.
Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot:

- gehele toewijzing van de vordering van de benadeelde partij [aangeefster], vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel;

- gedeeltelijke toewijzing van de vordering van de benadeelde partij [aangever] tot een bedrag van € 1.127,33, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, en tot niet-ontvankelijk verklaring van de benadeelde partij voor het overige.
7.2.
Het standpunt van de verdediging

Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [aangeefster] heeft de raadsman matiging verzocht voor wat betreft de immateriële schade, gelet op de Rotterdamse schaal. Ten aanzien van de gevorderde materiële schade heeft de raadsman afwijzing verzocht, nu causaal verband ontbreekt.

Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [aangever] heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank voor wat betreft de materiële schade.

Ten aanzien van de immateriële schade heeft de raadsman verzocht de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in de vordering voor wat betreft € 10.000,- die is ingediend met het oog op een eventueel hoger beroep. Ten aanzien van de € 1.000,- immateriële schade heeft de raadsman matiging verzocht wegens eigen schuld van de benadeelde partij.
7.3.
Het oordeel van de rechtbank

Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [aangeefster]

De vordering, voor zover deze betrekking heeft op de materiële schade, is door de benadeelde partij voldoende onderbouwd. Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij schade heeft geleden door het bij dagvaarding I bewezenverklaarde feit, ter grootte van het gevorderde bedrag.

Deze schade is ook rechtstreeks ontstaan door het bewezenverklaarde feit. Hoewel de belaging niet mede bestond uit het opzoeken van de benadeelde partij bij haar woning, is de rechtbank van oordeel dat sprake is van een voldoende rechtstreeks verband tussen de geleden schade en het gepleegde strafbare feit. Zonder de belaging zou de benadeelde partij hier niet toe zijn overgegaan, terwijl de gevorderde schade gelet op de voorgeschiedenis van de verdachte ter zake van belaging van een andere ex-partner ook in redelijkheid aan de verdachte kan worden toegerekend. De benadeelde partij heeft gerechtvaardigd ervan kunnen uitgaan dat de verdachte ook in haar geval bij de woning zou kunnen komen, waarmee de rechtbank de kosten van maatregelen ter bescherming van haar veiligheid kwalificeert als schade als gevolg van het strafbare feit.

De rechtbank zal ten aanzien van de materiële schade de gevorderde wettelijke rente toewijzen met ingang van 23 juli 2025, omdat vast is komen te staan dat de betreffende kosten op die datum zijn gemaakt.

Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks immateriële schade heeft geleden door het bij dagvaarding I bewezenverklaarde feit. Gelet op wat door de benadeelde partij ter toelichting op haar vordering is aangevoerd, zal de rechtbank de geleden immateriële schade naar billijkheid vaststellen op een bedrag van € 3.000,-. Daarbij heeft de rechtbank tevens aansluiting gezocht bij de Rotterdamse schaal, uitgaande van een aantasting van de persoon van de benadeelde partij op andere wijze, gezien de aard en ernst van de normschending en de gevolgen hiervan. De rechtbank is van oordeel dat hier sprake is van een ernstige vorm van belaging, categorie 17 sub b.

De rechtbank zal de vordering tot vergoeding van immateriële schade voor het overige afwijzen.

De rechtbank zal ten aanzien van de immateriële schade de gevorderde wettelijke rente toewijzen met ingang van 26 oktober 2025, de laatste dag van de bewezenverklaarde periode.

De rechtbank zal - gelet op het voorgaande - de vordering toewijzen tot een bedrag van

€ 3.588,- , bestaande uit € 588,- aan materiële schade en € 3.000,- aan immateriële schade.

Nu de vordering gedeeltelijk wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Schadevergoedingsmaatregel.

De verdachte zal voor het bij dagvaarding I bewezenverklaarde strafbare feit worden veroordeeld en hij is daarom tegenover de benadeelde partij aansprakelijk voor schade die door dit feit aan haar is toegebracht. De rechtbank zal aan de verdachte de verplichting opleggen om aan de Staat te betalen:

- een bedrag van € 588,-, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 23 juli 2025 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald;

- een bedrag van € 3.000,-, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 26 oktober 2025 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald;

ten behoeve van [aangeefster].

Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [aangever]

Ten laste van de verdachte is bewezen verklaard dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan openlijk geweld in vereniging dat bestond uit slaan en schoppen tegen [aangever]. Hoewel niet kan worden vastgesteld welk letsel van [aangever] door de verdachte is toegebracht, brengt in dit geval het bepaalde in artikel 6:166 Burgerlijk Wetboek (BW) (groepsaansprakelijkheid) met zich mee dat de schade, die door het openlijk geweld is veroorzaakt, aan ieder van de verdachten kan worden toegerekend. Voor hoofdelijke aansprakelijkheid is de deelname aan het groepsgeweld voldoende, ongeacht de vorm die deze deelname heeft aangenomen. Voor de aansprakelijkheid in de zin van artikel 6:166 BW is verder vereist dat de groepsleden wisten, of behoorden te weten dat het groepsoptreden de kans op de schade zoals die nu geleden is, vergrootte. Vast is komen te staan dat de verdachte een voldoende wezenlijke en significante bijdrage aan het groepsgeweld heeft geleverd door de benadeelde partij te slaan en schoppen. Door zo te handelen behoorde de verdachte op zijn minst te weten dat hij daarmee de kans vergrootte op het ontstaan van de geleden schade.

De vordering, voor zover deze betrekking heeft op de materiële schade, is door de verdachte niet (gemotiveerd) betwist en door de benadeelde partij voldoende onderbouwd. Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan dan ook worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door het bij dagvaarding II bewezenverklaarde feit, ter grootte van het gevorderde bedrag.

Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks immateriële schade heeft geleden door het bij dagvaarding II bewezenverklaarde feit. Gelet op wat door de benadeelde partij ter toelichting op zijn vordering is aangevoerd, zal de rechtbank de geleden immateriële schade naar billijkheid vaststellen op een bedrag van € 1.000,-. De rechtbank heeft daarbij tevens aansluiting gezocht bij de Rotterdamse schaal, licht lichamelijk letsel (categorie 13 sub c). De rechtbank ziet geen aanleiding om het gevorderde bedrag te matigen vanwege eigen schuld van de benadeelde partij.

De rechtbank zal de vordering tot vergoeding van immateriële schade voor het overige afwijzen. Dit deel van de vordering betreft een verhoging van de immateriële schade bij een eventueel hoger beroep. Enig concreet aanknopingspunt op grond waarvan aannemelijk is of kan zijn dat meer schade is geleden, dan wel in de toekomst wordt geleden, dan de rechtbank hiervoor heeft vastgesteld, is niet aangevoerd. Bij die stand van zaken ziet de rechtbank geen grond voor een niet-ontvankelijkverklaring van de benadeelde partij wegens een onevenredige belasting van het strafproces en zal zij de vordering dus voor het overige afwijzen.

De rechtbank zal - gelet op het voorgaande - de vordering toewijzen tot een bedrag van

€ 1.127,33, bestaande uit € 127,33 aan materiële schade en € 1.000,- aan immateriële schade.

De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente toewijzen met ingang van 26 januari 2025, omdat vast is komen te staan dat de schade vanaf die datum is ontstaan.

Nu de vordering gedeeltelijk wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Omdat de verdachte het bewezenverklaarde strafbare feit ter zake waarvan schadevergoeding zal worden toegekend samen met medeverdachten heeft gepleegd, zijn zij daarvoor ieder hoofdelijk aansprakelijk. Hetzelfde geldt voor de toegewezen proceskosten. Daarbij geldt dat de verdachte, voor zover één van de medeverdachten een bedrag aan de benadeelde partij heeft betaald, dat deel van de schadevergoeding en/of proceskosten niet meer aan de benadeelde partij hoeft te betalen.

Schadevergoedingsmaatregel

De verdachte zal voor het bij dagvaarding II bewezenverklaarde strafbare feit worden veroordeeld en hij is daarom tegenover de benadeelde partij aansprakelijk voor schade die door dit feit aan hem is toegebracht. De rechtbank zal aan de verdachte de verplichting opleggen om aan de Staat te betalen een bedrag van € 1.127,33, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 26 januari 2025 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald, ten behoeve van [aangever].
<nr>8</nr>De vordering tot tenuitvoerlegging
De rechtbank is – met de officier van justitie en de raadsman – van oordeel dat de vordering tot tenuitvoerlegging moet worden afgewezen, nu de toewijzing van deze vordering niet meer opportuun wordt geacht, gelet op de reeds op te leggen straf en maatregel aan de verdachte.
<nr>9</nr>De toepasselijke wetsartikelen
De op te leggen straf en maatregelen zijn gegrond op de artikelen:

- 36f, 37a, 37b, 57, 141 en 285b van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.
<nr>10</nr>De beslissing
De rechtbank:

verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de bij dagvaarding I en II ten laste gelegde feiten heeft begaan, zoals hierboven onder 3.6. bewezen is verklaard;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart dat het bewezen verklaarde uitmaakt:

ten aanzien van dagvaarding I

belaging

ten aanzien van dagvaarding II

openlijk in vereniging geweld plegen tegen een persoon

verklaart het bewezen verklaarde en de verdachte daarvoor strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 8 (ACHT) MAANDEN;

bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

gelast de terbeschikkingstelling van de verdachte en beveelt dat hij van overheidswege zal worden verpleegd;

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [aangeefster] deels toe tot een bedrag van € 3.588,- en veroordeelt de verdachte om dit bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente over een bedrag van € 588,- vanaf 23 juli 2025, en over een bedrag van

€ 3.000,- vanaf 26 oktober 2025, beide tot aan de dag dat dit bedrag is betaald, te betalen aan [aangeefster];

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij voor het overige af;

veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten van de benadeelde partij, begroot op nihil, en de kosten die ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog gemaakt moeten worden;

legt aan de verdachte op de verplichting om aan de Staat te betalen een bedrag van € 3.588,-,

vermeerderd met de wettelijke rente over een bedrag van € 588,- vanaf 23 juli 2025, en over een bedrag van € 3.000,- vanaf 26 oktober 2025, beide tot aan de dag dat dit bedrag is betaald, ten behoeve van [aangeefster];

bepaalt dat als het verschuldigde bedrag niet volledig wordt betaald of kan worden verhaald, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 35 dagen; de toepassing van gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op;

bepaalt dat gehele of gedeeltelijke betaling van het verschuldigde bedrag aan de benadeelde partij de betalingsverplichting aan de Staat in zoverre doet vervallen, en dat gehele of gedeeltelijke betaling van het verschuldigde bedrag aan de Staat de betalingsverplichting aan de benadeelde partij in zoverre doet vervallen;

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [aangever] deels toe tot een bedrag van € 1.127,33 en veroordeelt de verdachte hoofdelijk om dit bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 26 januari 2025, tot aan de dag dat dit bedrag is betaald, te betalen aan [aangever];

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij voor het overige af;

veroordeelt de verdachte tevens hoofdelijk in de proceskosten van de benadeelde partij, begroot op nihil, en de kosten die ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog gemaakt moeten worden;

legt aan de verdachte hoofdelijk op de verplichting om aan de Staat te betalen een bedrag van € 1.127,33, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 26 januari 2025, ten behoeve van [aangever];

bepaalt dat als het verschuldigde bedrag niet volledig wordt betaald of kan worden verhaald, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 11 dagen; de toepassing van gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op;

bepaalt dat gehele of gedeeltelijke betaling van het verschuldigde bedrag aan de benadeelde partij de betalingsverplichting aan de Staat in zoverre doet vervallen, en dat gehele of gedeeltelijke betaling van het verschuldigde bedrag aan de Staat de betalingsverplichting aan de benadeelde partij in zoverre doet vervallen;

wijst af de vordering tot tenuitvoerlegging met het parketnummer 16/177451-20.

Dit vonnis is gewezen door

mr. C. Hofman, voorzitter,

mr. M.C. Ritsema van Eck-van Drempt, rechter,

mr. R.P. van der Weide, rechter,

in tegenwoordigheid van W.H. Ng, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 29 juni 2026.

Artikel delen