Menu

Filter op
content
PONT Klimaat

0

ECLI:NL:RBDHA:2026:19993

Voorlopige voorzieningen; toevertrouwing van de kinderen, uitsluitend gebruik van de echtelijke woning, voorlopige zorgregeling en voorlopige kinder- en partneralimentatie

Rechtbank Den Haag 3 August 2026

Jurisprudentie – Uitspraken

ECLI:NL:RBDHA:2026:19993 text/xml public 2026-08-03T16:12:42 2026-07-20 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-06-19 C/09/704533 / FA RK 26-4428 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig Voorlopige voorziening Beschikking NL Den Haag Civiel recht; Personen- en familierecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:19993 text/html public 2026-08-03T16:12:27 2026-08-03 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:19993 Rechtbank Den Haag , 19-06-2026 / C/09/704533 / FA RK 26-4428
Voorlopige voorzieningen; toevertrouwing van de kinderen, uitsluitend gebruik van de echtelijke woning, voorlopige zorgregeling en voorlopige kinder- en partneralimentatie

Rechtbank DEN HAAG

Enkelvoudige kamer

Rekestnummer: FA RK 26-4428

Zaaknummer: C/09/704533

Datum beschikking: 19 juni 2026 (bij vervroeging)
Voorlopige voorzieningen
Beschikking op het op 4 mei 2026 ingekomen verzoek van:
[de vrouw] ,
de vrouw,

wonende op een bij de rechtbank bekend adres,

advocaat: mr. L. da Silva te Den Haag.

Als belanghebbende wordt aangemerkt:
[de man] ,
de man,

wonende op een bij de rechtbank bekend adres,

advocaat: mr. G. Alkilic te Den Haag.
Procedure
De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:

het verzoekschrift;

het F9-formulier van 13 mei 2026 van de zijde van de vrouw;

het verweerschrift, tevens houdende zelfstandige verzoeken;

- het F9-formulier van 15 juni 2026 van de zijde van de vrouw, met bijlagen.

Op 16 juni 2026 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:

de vrouw, bijgestaan door haar advocaat en vergezeld door een tolk N. Epstein;

de advocaat van de man;

[naam] namens de Raad voor de Kinderbescherming (de Raad).

De man is – hoewel behoorlijk opgeroepen – niet op de zitting verschenen.
Feiten
Partijen zijn met elkaar gehuwd op [dag] 2015 te [plaats] (Azerbaijan).

Zij zijn de ouders van de volgende minderjarigen:

[minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2019 te

[geboorteplaats] ,

- [minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2022 te [geboorteplaats] .

- De vrouw heeft de Nederlandse nationaliteit. De man en de kinderen hebben de Azerbeidzjaanse nationaliteit.
Verzoek en verweer
Het verzoek van de vrouw strekt ertoe – zo begrijp de rechtbank – dat:

de vrouw gerechtigd zal zijn tot het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning te [adres] , met inbegrip van de inboedel, met het bevel dat de man die woning dient te verlaten en verder niet mag betreden;

de minderjarige kinderen van partijen aan de vrouw worden toevertrouwd;

een door de man aan de vrouw te betalen voorlopige kinderalimentatie van € 557,- per maand per kind wordt vastgesteld, met ingang van de datum indiening verzoekschrift, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;

een door de man aan de vrouw te betalen voorlopige partneralimentatie van € 543,- per maand wordt vastgesteld, met ingang van de datum van de beschikking, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;

alle reisdocumenten van de minderjarige kinderen, waaronder paspoorten en identiteitskaarten, binnen 24 uur na betekening van het vonnis voorlopig aan de vrouw moeten worden overhandigd, met gelijktijdige overdracht van het voorlopig beheer en het recht op gebruik van deze documenten aan haar;

een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.

De man voert verweer tegen het verzochte, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken. Daarnaast verzoekt de man zelfstandig – zo begrijpt de rechtbank – dat:

- de man gerechtigd zal zijn tot het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning te [adres] ;

- de minderjarige kinderen van partijen aan de man worden toevertrouwd;

- een regeling inzake de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken ten aanzien van de minderjarige kinderen van partijen wordt vastgesteld, in die zin dat:

- totdat één van partijen een eigen geschikte woning heeft gevonden: partijen zorgen om de week voor de kinderen in de echtelijke woning met een wisselmoment op woensdag (birdnesting);

- vanaf het moment dat één van partijen een eigen geschikte woning heeft gevonden: partijen zorgen om de week voor de kinderen in hun eigen woning met een wisselmoment op woensdag (co-ouderschap).

De vrouw voert verweer tegen de zelfstandige verzoeken van de man, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.
Beoordeling
Rechtsmacht en toepasselijk recht

De Nederlandse rechter komt rechtsmacht toe om de wederzijdse verzoeken te beoordelen.

De rechtbank past in deze voorlopige voorzieningenprocedure Nederlands recht toe.

Toevertrouwing van de kinderen en uitsluitend gebruik van de echtelijke woning

De rechtbank zal de verzoeken over het toevertrouwen van de kinderen en het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning samen beoordelen, omdat de hierna te noemen omstandigheden voor beide verzoeken van belang zijn.

Beide partijen hebben de rechtbank verzocht om de kinderen aan hen toe te vertrouwen en het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning aan hen toe te kennen.

De vrouw heeft ter onderbouwing van haar verzoeken het volgende aangevoerd. De vrouw is de hoofdverzorgster van de kinderen. Daarbij is het in het belang van de kinderen dat zij in hun vertrouwde omgeving kunnen blijven. De vrouw is tijdens het huwelijk geconfronteerd met extreem dominant en controlerend gedrag van de man. Zo mocht zij niet werken, werd zij ontmoedigd dan wel verboden om sociale contacten te onderhouden en had zij geen ruimte om zelfstandig keuzes te maken. Daarnaast hebben zich verschillende incidenten voorgedaan, waarbij de politie en Veilig Thuis betrokken zijn (geweest) en waardoor de man een (tijdelijk) huisverbod heeft opgelegd gekregen. Gelet op het voorgaande is de thuissituatie zeer gespannen en onhoudbaar, zowel voor de vrouw als voor de kinderen. De vrouw beschikt niet over alternatieve huisvesting bij familie, vrienden of anderszins en heeft er dan ook belang bij met de kinderen in de echtelijke woning te kunnen blijven.

De man voert verweer. Hij werkt vanuit huis en heeft (mede) hierdoor een gelijk aandeel in de verzorging en opvoeding van de kinderen. De man betwist de beschuldigingen van de vrouw met betrekking tot zijn dominante en controlerende gedrag. Volgens de man kan een huisverbod vrij snel worden opgelegd. Daarbij voelde de vrouw zich na afloop van het huisverbod kennelijk veilig genoeg om weer met de man in de echtelijke woning te verblijven. Daarnaast is de man, anders dan de vrouw, in staat om de vaste lasten van de echtelijke woning te (blijven) voldoen. Ook is hij in staat om de echtelijke woning uiteindelijk over te nemen. Van de man kan echter niet worden verwacht dat hij zowel de vaste lasten van de echtelijke woning voldoet, als de kosten van een eventuele huurwoning en kinder- en partneralimentatie.

De rechtbank overweegt als volgt. Anders dan de man, heeft de vrouw tijdens het huwelijk niet gewerkt. Hierdoor was zij beschikbaar voor de zorg voor de kinderen. De rechtbank acht het dan ook aannemelijk dat de vrouw het grootste gedeelte van de zorg en opvoeding van de kinderen op zich heeft genomen en dat zij deze rol, ondanks het feit dat zij inmiddels werkzaam is als schoonmaakster, ook blijft vervullen. Gelet daarop is de rechtbank van oordeel dat de kinderen voorlopig aan de vrouw moeten worden toevertrouwd. Verder overweegt de rechtbank dat zij het belangrijk vindt dat de kinderen in hun vertrouwde omgeving kunnen blijven. Het is de rechtbank echter duidelijk geworden dat partijen niet meer gezamenlijk in de echtelijke woning kunnen verblijven, dan wel dat er een mogelijkheid bestaat tot birdnesting. De onderlinge verhouding tussen partijen is slecht. De rechtbank acht het gedrag van de man zorgelijk. De burgemeester heeft aanleiding heeft gezien om hem een (tijdelijk) huisverbod op te leggen en hij heeft een camera in de woonkamer geïnstalleerd. Daar komt bij dat de man de vrouw twee dagen vóór de zitting het gebruik van de echtelijke woning heeft ontzegd. Hij heeft de deurklink verwijderd van de kamer waar de vrouw verbleef, net als het matras waarop zij sliep. De rechtbank is van oordeel dat deze situatie niet langer houdbaar is en zal beslissen dat de vrouw met de kinderen in de echtelijke woning zal blijven. De rechtbank neemt daarbij in overweging dat het voor de man gemakkelijker is gezien zijn inkomen om alternatieve woonruimte te vinden dan voor de vrouw. Voorgaande betekent dat de man de woning zal moeten verlaten.

Het verzoek van de vrouw om te bepalen dat dit uitsluitend gebruik ‘met inbegrip van de inboedel’ is, zal de rechtbank bij gebrek aan belang afwijzen. Bij toewijzing van het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning aan een partij is die partij ook uitsluitend gerechtigd tot de tot die woning behorende inboedelgoederen, voor zover niet bij rechterlijke beschikking tot het dagelijks gebruik aan de andere partij toegewezen.

Voorlopige zorgregeling

Op de zitting heeft de rechtbank met de vrouw en de advocaat van de man gesproken over de voorlopige zorgregeling.

De man verzoekt een voorlopige zorgregeling vast te stellen in de vorm van birdnesting. Vanaf het moment dat één van de partijen een eigen woning heeft gevonden, kan deze regeling worden gewijzigd in een co-ouderschapsregeling. Volgens de man doet een dergelijke zorgregeling het meeste recht aan de positie van partijen in de zorg van de kinderen.

De vrouw voert verweer. Zij vindt het weliswaar belangrijk dat de man en de kinderen elkaar zien, maar ziet birdnesting danwel een co-ouderschapsregeling niet zitten. De vrouw heeft op de zitting dan ook een voorlopige zorgregeling voorgesteld, waarbij de kinderen van vrijdag uit school tot zondagavond of maandagochtend bij de man zijn. Op die manier kan de vrouw in de weekenden blijven werken.

De rechtbank overweegt als volgt. Zoals al aangehaald ziet de rechtbank onder de huidige omstandigheden geen mogelijkheid tot birdnesting. Birdnesting vereist dat partijen allebei een alternatieve woonruimte hebben, of een alternatieve woonruimte kunnen delen en deze om en om gebruiken in de week dat zij niet in de echtelijke woning verblijven. Op dit moment heeft geen van beide partijen een alternatieve woonruimte. Met het inkomen van de vrouw valt ook niet te verwachten dat zij op korte termijn alternatieve woonruimte kan verkrijgen. Gelet op de verhouding tussen partijen verwacht de rechtbank niet dat zij samen in staat zijn een alternatieve woonruimte te zoeken en deze te delen.

Nu de man de echtelijke woning zal moeten verlaten, zal hij op zoek moeten gaan naar alternatieve woonruimte. Op de zitting is de rechtbank duidelijk geworden dat de man nog geen alternatieve woonruimte heeft gevonden, dan wel daar enig zicht op heeft. Het is dan ook niet duidelijk waar de man zal verblijven en of hij hier de kinderen kan ontvangen of laten overnachten. Gelet daarop acht de rechtbank het niet in het belang van de kinderen om een uitgebreide voorlopige zorgregeling vast te stellen. De rechtbank zal dan ook bepalen dat de kinderen voorlopig iedere zondag van 10:00 uur tot 16:00 uur met de man doorbrengen. De rechtbank gaat ervan uit dat partijen – zodra de man geschikte woonruimte heeft gevonden, waar hij de kinderen kan opvangen – met elkaar in overleg zullen treden om tot een ruimere zorgregeling te komen, zoals tijdens de zitting besproken. Een ruimere zorgregeling is beginsel in het belang van de kinderen.

Overhandigen/ beheren reisdocumenten van de kinderen

De vrouw verzoekt – zo begrijpt de rechtbank – de man te bevelen de reisdocumenten van de kinderen, waaronder paspoorten en identiteitskaarten, aan de vrouw beschikbaar te stellen. Volgens de vrouw weigert de man deze documenten af te geven. Hierdoor wordt de vrouw belemmerd in de uitoefening van het gezamenlijk gezag. Daarnaast vreest de vrouw dat de man de kinderen zal meenemen naar Azerbeidzjan, omdat hij dit al een keer eerder heeft geprobeerd en hier meermaals mee heeft gedreigd.

De man stelt dat hij niet mag reizen zonder de toestemming van de vrouw, zodat zij niet hoeft te vrezen dat de man met de kinderen naar Azerbeidzjan zal gaan.

De rechtbank overweegt dat op grond van artikel 822 lid 2 sub b van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) afgifte gevraagd kan worden van goederen strekkend tot het dagelijks gebruik (waaronder persoonlijke papieren) van de echtgenoten en de kinderen. De vrouw zal grotendeels belast zijn met de feitelijke zorg voor de kinderen. In dat kader acht de rechtbank het passend dat de reisdocumenten van de kinderen, waar de rechtbank onder verstaat paspoorten en identiteitsbewijzen, in het beheer van de vrouw zullen zijn. De rechtbank zal het verzoek van de vrouw dan ook toewijzen.

Voorlopige kinderalimentatie

De vrouw verzoekt een voorlopige kinderalimentatie vast te stellen. Bij de beoordeling van dit verzoekt stelt de rechtbank voorop dat deze voorlopige vaststelling het karakter heeft van een ordemaatregel. Daarbij is het uitgangspunt dat wordt uitgegaan van de actuele situatie van partijen, voor zover de rechtbank daar voldoende inzicht in heeft. Indien de rechtbank onvoldoende inzicht in de situatie van partijen heeft, zal de rechtbank beoordelen wat zij redelijk acht en in dat kader een schatting maken.

Bij de vaststelling van de voorlopige kinderalimentatie en de berekening neemt de rechtbank de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatie, zoals opgenomen in het Rapport alimentatienormen, als uitgangspunt. De rechtbank rondt hierna in haar berekening de bedragen telkens af op hele euro’s.

Behoefte van de kinderen

Om te berekenen welke bijdrage elk van partijen moet leveren in de kosten van de kinderen, moet eerst worden bepaald wat de kosten van de kinderen zijn (de behoefte). De behoefte van de kinderen is tussen partijen niet in geschil. Partijen zijn het erover eens dat de totale behoefte van de kinderen in 2026 € 1.268,- per maand bedraagt, te weten € 634,- per maand per kind, zodat de rechtbank die behoefte zal vaststellen.

Draagkracht

De behoefte van de kinderen moet door partijen worden opgebracht naar rato van hun beider draagkracht. De financiële draagkracht van partijen moet conform de aanbevelingen van het rapport in beginsel worden vastgesteld aan de hand van de formule 70% van [NBI – (0,3 x NBI + 1.365)].

- draagkracht van de man

Bij de bepaling van de draagkracht van de man gaat de rechtbank, net als partijen, uit van een inkomen van € 108.464,- bruto per jaar, zoals volgt uit de jaaropgave van de man over 2025.

Rekening houdend met de arbeidskorting berekent de rechtbank het NBI van de man op € 5.536,- per maand.

Tussen partijen is in geschil in hoeverre moet worden afgeweken van het gebruikelijke woonbudget. De man is – zo begrijpt de rechtbank – niet bereid om mee te betalen aan de hypotheeklasten als hij het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning niet krijgt toegekend. In dat geval heeft hij namelijk (hoge) kosten voor woonruimte elders, waar mogelijk ook nog een bedrag aan voorlopige kinder- en partneralimentatie bij komt.

De vrouw voert verweer en stelt dat de man al twee maanden de hypotheeklasten niet heeft voldaan.

De rechtbank overweegt als volgt. De woning is gemeenschappelijk eigendom van partijen en zij zijn, zolang de gemeenschap niet is verdeeld, allebei aansprakelijk voor de betaling van de hypotheeklasten. Onderling zijn zij in beginsel allebei gehouden de helft van de hypotheeklasten te betalen. De hypotheeklast bedraagt, zo volgt uit de door de vrouw overgelegde bankafschriften, afgerond € 1.159,-. Onderling zijn partijen gehouden daar de helft aan bij te dragen, dus een bedrag van € 579,-.

Uitgaande van een forfaitair woonbudget van 30 % van het NBI heeft de man een woonbudget van € 1.661,- per maand. Daaruit kan zijn helft van de hypotheeklasten ruimschoots worden voldaan. De man heeft verder niets aangevoerd waaruit de rechtbank kan opmaken dat zijn werkelijke woonlasten, zodra hij een andere woonruimte heeft gevonden, samen met de helft van de hypotheeklasten zijn forfaitaire woonbudget zullen overstijgen. De rechtbank ziet daarom ook geen aanleiding om af te wijken van het woonbudget van 30 % van het NBI.

Aan de hand van bovenstaande uitgangspunten berekent de rechtbank de draagkracht van de man op € 1.757,- per maand.

- draagkracht van de vrouw

Het inkomen van de vrouw is tussen partijen in geschil.

De vrouw stelt dat zij in de opstartfase is voor wat betreft haar werkzaamheden als schoonmaakster. Gelet daarop dient bij de bepaling van de draagkracht van de vrouw van een gemiddeld inkomen, zoals volgt uit haar loonstroken van april en mei 2026, te worden uitgegaan.

De man voert hiertegen verweer en beroept zich op de verdiencapaciteit van de vrouw.

Zoals eerder overwogen, wordt in het kader van de voorlopige voorzieningen procedure zoveel als mogelijk aangesloten bij de actuele situatie van partijen. De vraag of rekening moet worden gehouden met verdiencapaciteit aan de kant van de vrouw bij het berekenen van een voorlopige kinderalimentatie, vergt nader onderzoek waarvoor in deze voorlopige voorzieningenprocedure geen ruimte is. De rechtbank gaat daarom uit van de salarisstroken van april en mei 2026. Namens de vrouw is verklaard dat zij in april in de ‘opstartfase’ zat, waardoor zij minder heeft gewerkt. Anderzijds zal zij niet zoveel kunnen werken als in de maand mei, toen zij op zaterdagen en zondagen heeft gewerkt. Met de voorlopige zorgregeling zal zij niet op de zaterdagen kunnen werken. De rechtbank gaat daarom uit van het gemiddelde inkomen van de vrouw en gaat voorbij aan de verweren van de man. De rechtbank merkt daarbij nadrukkelijk op dat in de bodemprocedure de kinderalimentatie definitief kan worden berekend en vastgesteld, waarbij de verdiencapaciteit van de vrouw één van de verschillende factoren is waarmee rekening zou kunnen worden gehouden.

Gelet op het voorgaande zal de rechtbank bij de bepaling van de draagkracht van de vrouw uitgaan van een gemiddeld inkomen van € 1.264,- bruto per maand, te vermeerderen met 8% vakantietoeslag, zoals volgt uit de loonstroken van de vrouw van april en mei 2026.

Daarnaast houdt de rechtbank rekening met de volgende premies:

de pensioenpremies (ouderdomspensioen en nabestaandenpensioen) van (gemiddeld) € 74,- per maand;

de aanvullende premies (WGA en HOP) van gemiddeld € 10,- per maand.

Rekening houdend met de algemene heffingskorting, de arbeidskorting, de inkomensafhankelijke combinatiekorting, het kindgebonden budget en de alleenstaande ouderkop berekent de rechtbank het NBI van de vrouw op € 1.996,- per maand.

Bij een NBI tussen € 1.950,- en € 2.000,- per maand geldt volgens de draagkrachttabel (2026) een minimale draagkracht van € 50,- per maand. De rechtbank zal daarom

deze draagkracht voor de vrouw in aanmerking nemen.

- gezamenlijke draagkracht

De draagkracht van partijen bedraagt gezamenlijk (1.757 + 50 =) € 1.807,- per maand. Dit is voldoende om in de behoefte van de kinderen te voorzien. De rechtbank zal daarom een draagkrachtvergelijking maken, waarbij de behoefte naar rato van ieders draagkracht zal worden verdeeld. Hiervoor gebruikt de rechtbank de formule: ieders draagkracht gedeeld door de totale draagkracht vermenigvuldigd met de behoefte.

Het eigen aandeel van de man bedraagt: 1.757 / 1.807 * 1.268 = € 1.233,-

Het eigen aandeel van de echtgenote bedraagt: 50 / 1.807 * 1.268 = € 35,-

Van de totale behoefte van de kinderen komt een gedeelte van € 1.233,- per maand voor rekening van de man en een gedeelte van € 35,- per maand voor rekening van de vrouw.

Zorgkorting

Voor wat betreft de zorgkorting volgt de rechtbank ook de richtlijnen van de Expertgroep Alimentatienormen, inhoudende dat het percentage van de zorgkorting afhankelijk is van de hoeveelheid zorg. Gelet op de bovengenoemde voorlopige zorgregeling acht de rechtbank het redelijk om uit te gaan van een zorgkorting van 15% van de behoefte, ofwel € 190,- per maand. Mochten partijen de voorlopige zorgregeling in onderling overleg verruimen, dan kunnen zij de zorgkorting hierop aan te passen.

Rekening houdend met een zorgkorting van € 190,- per maand, moet de man aan de vrouw een kinderalimentatie betalen van (1.233 – 190 =) € 1.043,- per maand, te weten € 521,- per maand per kind.

Ingangsdatum

De rechtbank acht het in deze voorlopige voorzieningenprocedure redelijk om, conform de hoofdregel van artikel 822 lid 2 Rv, de datum van deze beschikking, te weten 19 juni 2026, als ingangsdatum te hanteren.

Conclusie

Gelet op het voorgaande zal de rechtbank bepalen dat de man aan de vrouw, met ingang van 19 juni 2026, voorlopig een kinderalimentatie van € 1.043,- per maand, te weten € 521,- per maand per kind, zal betalen. Het meer ons anders verzochte zal de rechtbank afwijzen.

Voorlopige partneralimentatie

Daarnaast verzoekt de vrouw een voorlopige partneralimentatie vast te stellen. De man stelt dat de vrouw haar volledige verdiencapaciteit moet benutten en daarmee in haar eigen levensonderhoud kan voorzien. De rechtbank zal hieronder zelf een berekening maken.

Behoefte

De rechtbank zal de huwelijksgerelateerde behoefte van de vrouw berekenen aan de hand van de hofnorm. Hierbij wordt de behoefte van de onderhoudsgerechtigde conform de richtlijn van de Expertgroep Alimentatie vastgesteld op 60% van het NBGI ten tijde van het uiteengaan van partijen minus de kosten van de kinderen.

Partijen zijn het erover eens dat het NBGI ten tijde van het huwelijk (in 2026) gelijk stond aan het NBI van de man ten tijde van het huwelijk (in 2026), te weten € 5.536,- per maand. Hiervan moeten de kosten van de kinderen worden afgetrokken, zodat een bedrag van € 4.268,- per maand (5.536 - 1.268) beschikbaar was voor het levensonderhoud van partijen. De huwelijksgerelateerde behoefte van de vrouw bedraagt dan volgens de hofnorm € 2.561,- netto per maand (60% van € 4.268,- per maand) in 2026.

Aanvullende behoefte

De rechtbank zal vervolgens beoordelen in hoeverre de vrouw tijdens de echtscheidingsprocedure redelijkerwijs zelf in haar behoefte kan voorzien.

Zoals eerder overwogen, gaat de rechtbank voorbij aan de stelling van de man dat aan de zijde van de vrouw rekening moet worden gehouden met een verdiencapaciteit, omdat in de voorlopige voorzieningenprocedure zoveel mogelijk aangesloten bij de feitelijke situatie van partijen, waarin geen plaats is voor het beoordelen van de verdiencapaciteit.

Voor het huidige NBI van de vrouw zal de rechtbank uitgaan van dezelfde gegevens als bij de voorlopige kinderalimentatie en dus van een NBI van € 1.996,- per maand. Hierop wordt het door de vrouw te ontvangen kindgebonden budget in mindering gebracht. Het NBI van de vrouw ten behoeve van de partneralimentatie bedraagt dan € 1.281,- per maand.

Op de hiervoor berekende netto behoefte van de vrouw van € 2.561,- per maand moet in mindering worden gebracht haar netto besteedbaar inkomen. Het aandeel van de vrouw in de kosten van de kinderen wordt gedekt door het door de vrouw te ontvangen kindgebonden budget, dus dit wordt er niet bij opgeteld. Dit leidt tot een aanvullende behoefte van € 1.280,- netto per maand (2.561 - 1.281). Gebruteerd is dat € 2.166,- per maand.

Draagkracht man

Ten aanzien van de draagkracht van de man zal de rechtbank uitgaan van dezelfde gegevens als bij de voorlopige kinderalimentatie en dus van een NBI van € 5.536,- per maand. Op grond van het voorgaande bedraagt de draagkrachtruimte van de man € 2.510,- per maand. Hiervoor is 60% beschikbaar voor partneralimentatie, wat neerkomt op € 1.506,- per maand.

Op dit bedrag wordt het hierboven berekende aandeel van de man in de kosten van de kinderen van € 1.043,- per maand in mindering gebracht. De man heeft daarmee een draagkracht van € 464,- netto per maand. Gebruteerd komt dit bedrag neer op een bedrag van € 743,- per maand.

Ingangsdatum

De rechtbank acht het in deze voorlopige voorzieningenprocedure redelijk om, conform de hoofdregel van artikel 822 lid 2 Rv, de datum van deze beschikking, te weten 19 juni 2026, als ingangsdatum te hanteren.

Conclusie

De vrouw heeft verzocht om een voorlopige partneralimentatie van € 543,- bruto per maand vast te stellen. De rechtbank constateert dat dit bedrag minder is dan waar zij in haar berekening op uitkomt. De rechtbank kan echter niet het meerdere toewijzen dan door de vrouw verzocht en zal daarom bepalen dat de man aan de vrouw, met ingang van 19 juni 2026, voorlopig een partneralimentatie van € 543,- bruto per maand zal betalen.
Beslissing
De rechtbank:

*

bepaalt dat de vrouw bij uitsluiting gerechtigd zal zijn tot het gebruik van de echtelijke woning te [adres] en beveelt mitsdien dat de man die woning dient te verlaten en verder niet mag betreden;

*

bepaalt dat de minderjarigen:

- [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2019 te

[geboorteplaats] ;

- [minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2022 te [geboorteplaats] ;

aan de vrouw zullen worden toevertrouwd;

*

bepaalt dat de man voorlopig gerechtigd is om de minderjarigen iedere zondag van 10:00 uur tot 16:00 uur bij zich te hebben;

*

beveelt dat de man aan de vrouw de reisdocumenten van de minderjarigen (paspoorten en identiteitsbewijzen) beschikbaar zal stellen;

*

bepaalt dat de man aan de vrouw, met ingang van 19 juni 2026 voorlopig een kinderalimentatie ten behoeve van de minderjarigen van € 1.043,- per maand, te weten € 521,- per maand per kind, zal betalen, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;

*

bepaalt dat de man aan de vrouw met ingang van 19 juni 2026 voorlopig een partneralimentatie van € 543,- per maand zal betalen, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;

*

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

*

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. E. Boot, rechter, tevens kinderrechter, bijgestaan door mr. F.M. Wijvekate als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van 19 juni 2026. De griffier is buiten staat om deze beschikking te ondertekenen.

Artikel delen