Menu

Filter op
content
PONT Klimaat

0

ECLI:NL:RBDHA:2026:20028

Beroep tegen een ontheffing op grond van de Wet natuurbescherming voor het vangen en doden van de vos en het beschadigen en vernielen van vaste voortplantings- en rustplaatsen van de vos, ter bescherming van boerenlandvogels in Zuid-Holland. De rechtbank is van oordeel dat GS de ontheffing heeft mogen verlenen. Het beroep is daarom ongegrond.

Rechtbank Den Haag 4 August 2026

Jurisprudentie – Uitspraken

ECLI:NL:RBDHA:2026:20028 text/xml public 2026-08-04T08:58:04 2026-07-20 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-07-17 SGR 24/10055 Uitspraak Eerste aanleg - meervoudig NL Den Haag Bestuursrecht; Omgevingsrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:20028 text/html public 2026-08-04T08:57:28 2026-08-04 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:20028 Rechtbank Den Haag , 17-07-2026 / SGR 24/10055
Beroep tegen een ontheffing op grond van de Wet natuurbescherming voor het vangen en doden van de vos en het beschadigen en vernielen van vaste voortplantings- en rustplaatsen van de vos, ter bescherming van boerenlandvogels in Zuid-Holland. De rechtbank is van oordeel dat GS de ontheffing heeft mogen verlenen. Het beroep is daarom ongegrond.
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 24/10055
uitspraak van de meervoudige kamer van 17 juli 2026 in de zaak tussen
Stichting Animal Rights (eiseres 1) uit Den Haag, Stichting Fauna4Life (eiseres 2) uit Amstelveen, en Stichting Natuurrijk (eiseres 3) uit Krimpen aan den IJssel, tezamen: eiseressen

(gemachtigde: mr. C.M. van de Ven),

en
het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland,
(gemachtigden: mr. F.B. Mantel en mr. W.M. Lambooij).

Als derde-partij neemt aan de zaak deel: Faunabeheereenheid Zuid-Holland uit Den Haag

(de faunabeheereenheid) (gemachtigde: mr. P.C.H. van Schooten).
Samenvatting
1. In deze uitspraak beslist de rechtbank op het beroep van eiseressen tegen de aan de faunabeheereenheid verleende ontheffing op grond van de Wet natuurbescherming voor het vangen en doden van de vos en het beschadigen en vernielen van vaste voortplantings- en rustplaatsen van de vos. De ontheffing is verleend om schade aan andere beschermde soorten, meer specifiek aan boerenlandvogels, te voorkomen. De ontheffing ziet ook op aanvullende middelen en maatregelen die benodigd zijn voor het beheer van vossen in Zuid-Holland, zoals beschreven in het ‘Faunabeheerplan vos Zuid-Holland 2024-2031’. Eiseressen zijn het niet eens met de verleende ontheffing en voeren een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of het college de ontheffing heeft mogen verlenen.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college de ontheffing heeft mogen verlenen. Eiseressen krijgen dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Bij besluit van 5 februari 2024 heeft het college de door de faunabeheereenheid gevraagde ontheffing verleend. Met het bestreden besluit van 13 november 2024 op het bezwaar van eiseressen is het college bij dat besluit gebleven.
2.1.
Eiseressen hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. De faunabeheereenheid heeft ook schriftelijk gereageerd.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 28 mei 2026 op zitting behandeld. Namens eiseressen hebben hieraan deelgenomen: L.M. Konijnbelt, S.F. Hartland en K. Beaart, bijgestaan door de gemachtigde van eiseressen. Namens het college hebben dr. J. Verhulst, A. Coffa en A. Keizer en de gemachtigden van het college aan de zitting deelgenomen. Namens de faunabeheereenheid is M.S. van der Wal verschenen, bijgestaan door de gemachtigde van de faunabeheereenheid.
Beoordeling door de rechtbank
Totstandkoming van het bestreden besluit

3. Op 29 december 2023 heeft de faunabeheereenheid een ontheffing aangevraagd op grond van artikel 3.17 van de Wet natuurbescherming (Wnb). De gevraagde ontheffing heeft betrekking op de uitvoering van het “Faunabeheerplan vos Zuid-Holland 2024-2031” (hierna: het faunabeheerplan), voor zover betrekking hebbend op het beheer van de vos ter bescherming van boerenlandvogels in de leefgebieden Open grasland (hierna: boerenlandvogels).
3.1.
De faunabeheereenheid vraagt ontheffing van de verboden om vossen te vangen en te doden en om vaste voortplantings- of rustplaatsen opzettelijk te beschadigen en te vernielen. De gevraagde ontheffing heeft ook betrekking op het gebruik van een vangkooi buiten gebouwen en het gebruiken van het geweer voor zonsopgang en na zonsondergang, het gebruik van het geweer binnen de afpalingskring van een eendenkooi, en het voorzien van het geweer van een geluiddemper, een kunstmatige lichtbron, een voorziening om de prooi te verlichten, een vizier met beeldomzetter, een elektronische beeldversterker, of enig ander instrument om in de nacht te schieten. De ontheffing is gevraagd voor de jaarlijkse periode van 1 december tot en met 30 juni, eindigend op 30 januari 2032.
3.2.
Op 5 februari 2024 heeft het college de door de faunabeheereenheid gevraagde ontheffing verleend. Het college heeft zich daarin – samengevat weergegeven – op het standpunt gesteld dat de ontheffing nodig is in het belang van de bescherming van de wilde flora en fauna en van de instandhouding van natuurlijke habitats, in het bijzonder van boerenlandvogels. Het college licht in de ontheffing toe dat de term boerenlandvogels in het faunabeheerplan en in beleid wordt gebruikt voor de combinatie van weide- en akkervogels. Verder stelt het college zich op het standpunt dat er geen andere bevredigende oplossing voorhanden is en dat de verleende ontheffing geen afbreuk doet aan het streven de populaties van de betrokken soort in hun natuurlijke verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan. Ter onderbouwing van dit standpunt verwijst het college onder meer naar het faunabeheerplan vos. Daarnaast ziet het college aanleiding om het gebruik van het geweer toe te staan tussen zonsondergang en zonsopkomst en met kunstmatige lichtbronnen of nachtzichtapparatuur, omdat het beheer overdag in het polderlandschap onvoldoende soelaas biedt en nadelen met zich brengt, zoals het verstoren van broedende vogels. Ook kan het volgens het college nodig zijn om binnen de afpalingskring van een eendenkooi het geweer te gebruiken. Ten slotte staat het college het gebruik van honden (niet zijnde lange honden), en vangkooien/kastvallen en buidels toe, evenals het gebruik van lokmiddelen.
3.3.
Eiseressen hebben bezwaar gemaakt tegen de verleende ontheffing. Volgens hen zijn er andere bevredigende alternatieven om boerenlandvogels – meer specifiek weidevogels – te beschermen en ziet de ontheffing ook op gebieden waar niet voor predatie door vossen hoeft te worden gevreesd. Ook had het college in de ontheffing moeten voorschrijven dat de vossen niet onnodig mogen lijden.
3.4.
Met het bestreden besluit van 5 november 2024 op het bezwaar van eiseressen is het college bij het besluit om een ontheffing te verlenen gebleven. Het college heeft daarbij verwezen naar het advies van de bezwarencommissie. In afwijking van het advies van de bezwarencommissie heeft het college de looptijd van de verleende ontheffing niet ingekort. Het college heeft in het bestreden nader gemotiveerd dat het faunabeheerplan een geldingsduur van acht jaar heeft en dat het in de rede ligt om de looptijd van de ontheffing daarbij te laten aansluiten.

Zijn eiseressen aan te merken als belanghebbenden?

4. De rechtbank beoordeelt ambtshalve of eiseressen zijn aan te merken als belanghebbenden. De faunabeheereenheid heeft zich op het standpunt gesteld dat het beroep van eiseressen niet-ontvankelijk moet worden verklaard omdat zij niet zijn aan te merken als belanghebbenden. In dat kader wijst de faunabeheereenheid erop dat eiseressen geen feitelijke werkzaamheden verrichten om de Zuid-Hollandse weidevogelgebieden te beschermen tegen predatie door vossen.
4.1.
De rechtbank overweegt het volgende. Voor het antwoord op de vraag of een rechtspersoon belanghebbende is als bedoeld in artikel 1:2, eerste en derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), is bepalend of de rechtspersoon krachtens zijn statutaire doelstelling en blijkens zijn feitelijke werkzaamheden een rechtstreeks bij het bestreden besluit betrokken algemeen of collectief belang in het bijzonder behartigt. Met artikel 1:2, derde lid, van de Awb heeft de wetgever blijkens de totstandkomingsgeschiedenis veilig willen stellen dat organisaties als belanghebbende kunnen opkomen, mits een algemeen of collectief belang dat zij zich statutair ten doel stellen te behartigen en waarvoor zij zich daadwerkelijk inzetten, bij het besluit rechtstreeks is betrokken. Anders dan de faunabeheereenheid lijkt te veronderstellen, moeten de feitelijke werkzaamheden dus zien op de statutaire doelstellingen van eiseressen. Om als belanghebbende aangemerkt te kunnen worden, is het daarom niet vereist dat eiseressen feitelijke werkzaamheden verrichten om de Zuid-Hollandse boerenlandvogels te beschermen tegen de vos.
4.2.
Volgens de statuten van eiseres 1 heeft zij zich ten doel gesteld:

“De stichting heeft ten doel:

Het opkomen voor door mensen gehouden dieren;

Het opkomen voor in (relatieve) vrijheid levende dieren, de kwaliteit van hun bestaan en natuurlijke habitats’

Het bevorderen van een plantaardige levensstijl;

Het regelen van opvang en het verlenen van directe en indirecte hulp aan dieren’

dit alles in de meest ruime zin van het woord.”
4.3.
Volgens de statuten van eiseres 2 heeft zij zich ten doel gesteld:

“a. De bevordering van een ethisch en wetenschappelijk verantwoord faunabeleid. Het werkterrein van de stichting is Nederland, maar kan zich ook uitstrekken tot buiten onze landsgrenzen. De stichting heeft het maken van winst uitdrukkelijk niet tot doel;

b. het verrichten van alle verdere handelingen, die met het vorenstaande in de ruimste zin verband houden of daartoe bevorderlijk kunnen zijn.”
4.4.
Eiseressen 1 en 2 hebben ter zitting – onder verwijzing naar hun websites – toegelicht dat de feitelijke activiteiten onder meer bestaan uit lobbyen, het maken van publicaties, en het organiseren van bijeenkomsten en themadagen. Daarmee hebben eiseressen naar het oordeel van de rechtbank voldoende onderbouwd dat zij – naast het voeren van juridische procedures – feitelijke werkzaamheden verrichten ter behartiging van hun respectievelijke doelstellingen. De rechtbank merkt eiseressen 1 en 2 daarom aan als belanghebbenden en zal hun beroepsgronden hieronder inhoudelijk beoordelen.
4.5.
Volgens de statuten van eiseres 3 heeft zij zich ten doel gesteld:

“1. Het verwerven, in stand houden, verrijken, beheren en onderhouden van de onroerende goederen met een natuur- of aanverwante bestemming in de (regio) Krimpenerwaard, in het bijzonder, maar niet uitdrukkelijk daartoe beperkt, van natuurdomein “Natuurrijk”, één en ander met inachtneming van een tenminste éénmaal in de vijf jaar door het bestuur vast te stellen beheerplan.”
4.6.
De activiteiten van eiseres 3 zijn met name gericht op natuurdomein ‘Natuurrijk’, een gebied van zo’n 3,5 hectare in de Krimpenerwaard. Eiseres 3 beheert dit gebied en streeft ernaar om hierin natuur te ontwikkelen met een zo rijk mogelijke variatie aan inheemse soorten planten en dieren. Verder verzorgt eiseres 3 natuureducatie, brengt zij brochures uit en heeft zij contacten met de pers en diverse overheden. Het college heeft ter zitting desgevraagd toegelicht dat het natuurdomein in het beheergebied ligt waar de ontheffing voor is verleend. Gelet hierop merkt de rechtbank ook eiseres 3 aan als belanghebbende en zal zij haar beroepsgronden hieronder inhoudelijk beoordelen.

Goede procesorde

5. Het college heeft op 27 mei 2026 (één dag voor de zitting) nog een schriftelijke reactie ingediend. Daarin is het college ingegaan op de eerdere reactie van eiseressen op het verweerschrift. Ook heeft het college het rapport “Literatuuronderzoek naar een effectieve wijze van vossenbeheer” van 30 oktober 2017 overgelegd. Het college had namelijk opgemerkt dat dit onderzoek niet openbaar raadpleegbaar is, terwijl daar wel naar wordt verwezen in het faunabeheerplan.
5.1.
Eiseressen hebben de rechtbank gevraagd om het rapport niet bij de beoordeling te betrekken omdat zij het niet hebben kunnen lezen en er dus ook niet op kunnen reageren.
5.2.
De rechtbank overweegt het volgende. Van strijd met de goede procesorde is sprake, wanneer nadere stellingen of argumenten, nadere gegevens of nadere stukken verwijtbaar zodanig laat worden ingediend, dat de andere partijen worden belemmerd om daarop adequaat te reageren of de goede voortgang van de procedure daardoor anderszins wordt belemmerd. Doordat het rapport (van 32 pagina’s) pas één dag voor zitting is overgelegd, hebben eiseressen daar naar het oordeel van de rechtbank niet adequaat op kunnen reageren. Het college heeft ook geen goede reden gegeven waarom dit rapport zo kort voor de zitting is ingediend. De rechtbank zal het rapport daarom wegens strijd met de goede procesorde buiten beschouwing laten.

Overgangsrecht omgevingswet

6. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet, de Invoeringswet Omgevingswet en de Aanvullingswet natuur Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om ontheffing op grond van de Wnb is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, dan blijft op grond van artikel 2.9, eerste lid, aanhef en onder a, van de Aanvullingswet natuur Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt. De aanvraag om een ontheffing is ingediend op 29 december 2023. Dat betekent dat in dit geval de Wnb, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.

Juridisch kader

7. De voor de beoordeling van dit beroep relevante wet- en regelgeving is opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak. De bijlage is onderdeel van deze uitspraak.
7.1.
Uit de memorie van toelichting bij de Wnb volgt dat er een aanvullend beschermingsregime geldt voor dieren die niet onder het beschermingsregime van de Vogelrichtlijn (nr. 2009/147/EG) en de Habitatrichtlijn (nr. 1992/43/EEG) vallen. Dit beschermingsregime is neergelegd in artikel 3.10 van de Wnb.
7.2.
Gelet op artikel 3.10, tweede lid, van de Wnb is artikel 3.8, met uitzondering van het derde en vierde lid, van overeenkomstige toepassing op de verboden, bedoeld in het eerste lid. Uit de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 3.10 van de Wnb blijkt ook dat de wetgever heeft beoogd dat op het in artikel 3.10 van de Wnb neergelegde verbod een uitzondering kan worden gemaakt als één van de uitzonderingsgronden uit de Habitatrichtlijn, zoals opgenomen in 3.8 zich voordoet. Gelet op de systematiek van de Wnb, waarin artikel 3.8, vijfde lid, van de Wnb van toepassing is verklaard op de diersoorten bedoeld in artikel 3.10, eerste lid, van de Wnb, geldt de maatstaf uit artikel 16 van de Habitatrichtlijn, in Nederland ook voor diersoorten die niet onder de bescherming van de Habitatrichtlijn vallen, zoals de vos. De in artikel 3.8, vijfde lid, van de Wnb genoemde uitzonderingsgronden moeten daarom, ook wanneer deze worden toegepast bij nationaal beschermde diersoorten, worden geïnterpreteerd in het licht van de Habitatrichtlijn.
7.3.
De vos is geen diersoort die op grond van bijlage IV van de Habitatrichtlijn moet worden beschermd. De vos wordt wel genoemd in onderdeel A van de bijlage bij de Wnb. Daarom geldt op grond van artikel 3.10, eerste lid, aanhef en onder a, een verbod om in het wild levende vossen opzettelijk te doden of te vangen of hun vaste rust- of voortplantingsplaatsen opzettelijk te beschadigen of te vernielen. Populatiebeheer van vossen mag op grond van artikel 3.17, eerste lid, aanhef en onder c, onderdeel 1o, van de Wnb, ook om redenen genoemd onder b van dat artikel worden toegestaan, indien nodig ter bescherming van de wilde flora en fauna en van de instandhouding van de natuurlijke habitats. Daarnaast mag de ontheffing alleen worden verleend als er geen andere bevredigende oplossingen zijn en de ontheffing geen afbreuk doet aan het streven de populatie van de vos in zijn natuurlijke verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan.

Noodzaak ontheffing

8. Eiseressen betogen dat de ontheffing onrechtmatig is, omdat het verstoren, vangen en doden van vossen niet leidt tot een adequate bescherming van weidevogels. De oorzaak van de achteruitgang van weidevogels is volgens eiseres niet predatie door vossen, maar het ontbreken van voldoende geschikt leefgebied om met succes kuikens groot te brengen en het onvoldoende inzetten op de juiste maatregelen. Dit blijkt onder meer uit het rapport “Waar is de grutto?” (december 2021) van de Algemene Rekenkamer. Uit verschillende factsheets en rapporten van onder meer de Vogelbescherming en kenniscentrum Sovon blijkt verder dat predatorenbeheer pas zinvol is als het leefgebied voor de kuikens van weidevogels op orde is, aldus eiseressen. Het college zou daarom eerst een pakket aan maatregelen moeten nemen om de leefgebieden geschikt te maken, en kan pas daarna beoordelen of predatorenbeheer nodig is.
8.1.
Het college stelt zich – samengevat weergegeven – op het standpunt dat de populaties weidevogels in Zuid-Holland sterk onder druk staan en dat uit verschillende onderzoeken blijkt dat predatie door de vos daar één van de oorzaken van is. In dat kader verwijst het college ook naar hoofdstuk vier van het faunabeheerplan, waarin onder meer is ingegaan op de invloed van de vos als predator van weidevogels. Het college onderkent dat er ook andere oorzaken zijn van de achteruitgang van de weidevogels, maar stelt zich op het standpunt dat predatie een van de belangrijkste factoren is. Volgens het college zal het effectief beheren van de vos – als onderdeel van een geheel pakket aan maatregelen, zoals het geschikter maken van leefgebieden van weidevogels – bijdragen aan het broedsucces van de weidevogels in Zuid-Holland.
8.2.
De rechtbank begrijpt deze beroepsgrond zo dat eiseressen betogen dat de ontheffing niet nodig is in het belang van de bescherming van wilde flora en fauna, als bedoeld in artikel 3.17, eerste lid, aanhef en onder c, sub 1o, en onder b, sub 1o, van de Wnb. De rechtbank overweegt hierover het volgende. Het college heeft eerder (in 2018) een ontheffing verleend voor het doden van vossen, in het bijzonder ter bescherming van broedende weidevogels. Die ontheffing besloeg de periode tot en met 30 juni 2023. Tegen deze ontheffing hebben eiseressen beroep en hoger beroep ingesteld. Dit heeft geleid tot de uitspraak van de Afdeling van 13 september 2023, waarin de Afdeling het beroep van eiseressen 1 en 2 ongegrond heeft verklaard. In overweging 13.3 van die uitspraak is door de Afdeling geoordeeld dat het college in dat geval voldoende aannemelijk had gemaakt dat de ontheffing bijdraagt aan het belang van de bescherming van weidevogels en andere bodembroeders.
8.3.
De rechtbank overweegt dat de motivering van de ontheffing en de toelichting in het faunabeheerplan in grote lijnen overeenkomt met de eerder verleende ontheffing. In het faunabeheerplan is toegelicht dat Nederland van groot belang is voor de weidevogels van Noordwest-Europa. Binnen Nederland is de provincie Zuid-Holland één van de provincies met de hoogste weidevogeldichtheden. Daarom heeft de provincie Zuid-Holland een bijzondere verantwoordelijkheid voor het in stand houden van deze populaties. Het gaat echter niet goed met de weidevogels. Zo is sinds 1990 het aantal grutto’s met bijna de helft afgenomen en het aantal kieviten met ongeveer 40%. Een van de redenen hiervoor is dat het bijzonder slecht gaat met het weidevogellandschap, onder meer door intensivering van het maaien en beweiden en een betere ontwatering. Uit diverse onderzoeken blijkt dat de vos een van de belangrijkste predatoren is van nesten en eieren van bodembroeders, en dat vossenbeheer – als onderdeel van een maatregelenpakket – effectief is gebleken. Verder is het aannemelijk dat de vos een van de belangrijkste predatoren van kuikens is. Met de in het faunabeheerplan opgenomen toelichting op de gevolgen van (predatie door) de vos voor weidevogels, heeft het college naar het oordeel van de rechtbank voldoende onderbouwd dat de ontheffing bijdraagt aan het belang van bescherming van populaties weidevogels.
8.4.
Voor zover eiseressen – onder verwijzing naar de ‘Factsheet predatie’ van Vogelbescherming Nederland en het A&W-rapport 1448 ‘Weidevogels en predatie’ van Altenburg & Wymenga – betogen dat het doden van vossen geen zin heeft zo lang het leefgebied voor kuikens niet op orde is, overweegt de rechtbank het volgende. Het college heeft toegelicht dat de verleende ontheffing onderdeel is van een groter maatregelenpakket, waarin ook andere maatregelen zijn opgenomen om de leefgebieden geschikt te maken. Een voorbeeld daarvan is agrarisch natuurbeheer. De rechtbank ziet geen grond voor het oordeel dat het college eerst alle maatregelen zou moeten nemen om de leefgebieden geschikter te maken, voordat een ontheffing voor het doden van de vos kan worden verleend. Dat er ook andere oorzaken zijn voor de achteruitgang van populaties weidevogels, laat onverlet dat – gelet op wat hiervoor is overwogen – ook predatie door vossen een oorzaak is van nestverliezen. Het beheer van de vossenpopulatie draagt dan ook bij aan het beschermen van de weidevogels.
8.5.
De beroepsgrond slaagt niet.

Is de ontheffing onvoldoende beperkt naar tijd en plaats?

9. Eiseressen betogen dat de ontheffing verder gaat dan noodzakelijk. Zo is de ontheffing verleend voor zogenoemde beheergebieden die tezamen vrijwel de gehele provincie Zuid-Holland beslaan, omdat rondom elk ‘open grasland’ een bufferzone van vijf kilometer is getrokken. Die bufferzones strekken zich dan ook uit tot ver in stedelijk gebied. Omdat de kaart met beheergebieden ook nog eens onduidelijk is, is er op dit punt niet te handhaven, aldus eiseressen. Verder gaat het volgens eiseressen veel te ver om een vos die zich op vijf kilometer afstand van open graslandgebied bevindt, aan te merken als een concreet gevaar voor de weidevogels. De bufferzone zou daarom ingeperkt moeten worden tot bijvoorbeeld 100 meter rondom de gebieden. Ook is volgens eiseressen de jaarlijkse periode waarvoor de ontheffing is verleend (1 december tot en met 30 juni) te ruim. Deze periode zou beperkt moeten zijn tot de maanden februari en maart omdat dit volgens het faunabeheerplan de meest effectieve beheerperiode is.
9.1.
Het college stelt zich op het standpunt de vijf kilometer-zone voldoende is gemotiveerd en dat eiseressen niet hebben onderbouwd waarom een zone van 100 meter wel een juiste begrenzing zou zijn. Verder is het beheer in de maanden februari en maart inderdaad het meest effectief, maar dat wil niet zeggen dat beheer in de overige maanden niet effectief is.
9.2.
De rechtbank overweegt dat het college onder verwijzing naar het faunabeheerplan voldoende heeft gemotiveerd dat de ontheffing nodig is voor de beheergebieden en de bufferzones. In dat verband neemt de rechtbank in aanmerking dat de vos een mobiele soort is die zich op korte termijn over een aanzienlijke afstand kan verplaatsen. De vos kan daarom in en rond alle aangewezen beheergebieden voorkomen. De rechtbank volgt eiseressen dus niet in hun betoog dat het college de oppervlakte van het beheergebied te ruim heeft bepaald.
9.3.
Voor wat betreft de jaarlijkse periode waarbinnen van de ontheffing gebruik mag worden gemaakt, overweegt de rechtbank dat in het faunabeerplan is toegelicht is dat vossenbeheer in de maanden februari en maart het meest effectief is. Dat betekent echter niet dat het beheer in de andere maanden niet effectief is. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat in het faunabeheerplan wordt toegelicht dat de vegetatie vanaf april hoger is, waardoor het zicht wordt beperkt. Ook kan niet elke nacht worden opgetreden omdat de vos een slim dier is en de effectiviteit van het optreden wordt verhoogd als er ruime periode tussen de acties zitten. Ter zitting heeft het college nog toegelicht dat niet kan worden gewacht met vossenbeheer tot het moment dat de weidevogels in de gebieden arriveren, omdat de aanwezigheid van de vos ertoe leidt dat de weidevogels zich dan elders zullen vestigen. Deze verstorende werking door de aanwezigheid van de vos hebben eiseressen niet betwist. Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het college de keuze voor een jaarlijkse ontheffingsperiode van 1 december tot en met 30 juni voldoende heeft gemotiveerd.
9.4.
De beroepsgrond slaagt niet.

Andere bevredigende oplossingen?

10. Eiseressen betogen dat er andere middelen zijn om de weidevogels te beschermen, namelijk het geschikt maken van de leefgebieden. Bij geschikte leefgebieden kunnen vossen geweerd worden door het plaatsen van een raster. Volgens eiseressen heeft het college zich ten onrechte op het standpunt gesteld dat het plaatsen van een raster niet kan worden beschouwd als een andere bevredigende oplossing. Ook als het plaatsen rasters het probleem maar gedeeltelijk oplost, moet dit alternatief toch eerst worden uitgevoerd, voordat wordt overgegaan tot het doden van vossen. Dit volgt volgens eiseressen uit Memorie van Toelichting bij de Wnb en uit de “Richtsnoeren inzake de strikte bescherming van diersoorten van communautair belang uit hoofde van de habitatrichtlijn” (hierna: de richtsnoeren), die volgens eiseressen ook ten aanzien van de nationaal beschermde soorten in acht moet worden genomen.
10.1.
Het college stelt zich – onder verwijzing naar het faunabeheerplan – op het standpunt dat er geen andere bevredigende oplossingen zijn. Het plaatsen van een vossenkerend raster kan wellicht op kleine schaal een effectief alternatief zijn, maar niet dienen ter bescherming van alle weidevogelgebieden in Zuid-Holland. Dan zouden immers tienduizenden hectares weidevogelgebied omrasterd moeten worden. Dit zou teveel onderhoud vergen. Een ander nadeel is dat de rasters niet alleen een belemmering zullen vormen voor de vos, maar ook voor andere soorten zoals hazen, de weidevogels zelf, en hun kuikens. Verder zijn volgens het college de richtsnoeren in dit geval niet van belang, omdat de vos geen beschermde soort is op grond van de Habitatrichtlijn, aldus het college.
10.2.
De rechtbank overweegt het volgende. Zoals blijkt uit het juridisch kader zoals opgenomen onder 7 van deze uitspraak en de daar genoemde uitspraken van de Afdeling volgt uit de wettelijke systematiek van de Wnb dat de maatstaf van artikel 16 van de Habitatrichtlijn ook geldt voor diersoorten die niet onder de bescherming van de Habitatrichtlijn vallen, en moeten de genoemde uitzonderingsgronden daarom, ook wanneer deze worden toegepast bij nationaal beschermde diersoorten, worden geïnterpreteerd in het licht van de Habitatrichtlijn. Ter zitting heeft het college zich op het standpunt gesteld dat uit deze uitspraken niet kan worden afgeleid dat ook de richtsnoeren van toepassing zijn. De rechtbank volgt dit standpunt niet. In de richtsnoeren geeft de Europese Commissie uitleg over de begrippen uit de Habitatrichtlijn en hoe deze moeten worden toegepast. Nu de uitzonderingsgronden ook bij nationale soorten geïnterpreteerd moeten worden in het licht van de Habitatrichtlijn, ziet de rechtbank niet in waarom in dat geval de uitleg van de begrippen zoals opgenomen in de richtsnoeren niet relevant zou zijn bij de in het licht van de Habitatrichtlijn te maken beoordeling of er andere bevredigende oplossingen zijn.
10.3.
Dat de richtsnoeren bij de beoordeling van de ontheffing voor de vos van belang zijn, betekent naar het oordeel van de rechtbank echter niet dat het college niet tot de conclusie heeft kunnen komen dat er geen andere bevredigende oplossingen zijn. De vraag die in dat kader moet worden beantwoord is of – zoals eiseressen met een beroep op de richtsnoeren betogen – het college het doden van vossen ten onrechte heeft toegestaan voordat andere maatregelen zijn getroffen die het probleem gedeeltelijk oplossen. De rechtbank acht daarbij het volgende van belang. Dat ook gedeeltelijk bevredigende oplossingen in de beoordeling moeten worden betrokken, volgt niet alleen uit de richtsnoeren, maar ook uit de Memorie van Toelichting bij de Wnb. Daarin staat immers (ook) met betrekking tot het beschermingsregime voor nationaal beschermde soorten dat moet worden getoetst of er geen redelijke alternatieven aan de orde zijn en of door de ontheffing of vrijstelling geen afbreuk wordt gedaan aan de staat van instandhouding van de betrokken soorten. Als het doden van de betrokken dieren geheel of gedeeltelijk vermijdbaar is door het treffen van geschikte en proportionele maatregelen, is het niet verlenen van de ontheffing of vrijstelling, of het daarbij voorschrijven van dergelijke maatregelen, uitgangspunt. De vraag die moet worden beantwoord is dus of het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat er geen geschikte en proportionele maatregelen zijn die het probleem in ieder geval gedeeltelijk oplossen. De vraag of geen andere bevredigende oplossingen bestaan moet worden afgezet tegen het doel van de ingreep.
10.4.
Voor zover eiseressen betogen dat het geschikt maken van het leefgebied een andere bevredigende oplossing is, overweegt de rechtbank – onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 13 september 2023 – dat deze oplossing is gericht op het verbeteren en uitbreiden van de habitat van weidevogels en andere bodembroeders, en niet op de bescherming van deze vogels tegen de vos. Het college heeft het bestaan van deze oplossing daarom niet doorslaggevend hoeven te achten bij de beoordeling of er geen andere bevredigende oplossing bestaat dan het doden van de vos.
10.5.
Het college heeft naar het oordeel van de rechtbank ook voldoende gemotiveerd dat het plaatsen van rasters niet is aan te merken als een geschikte en proportionele maatregel die het probleem gedeeltelijk kan oplossen. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat in de ontheffing en het faunabeheerplan is toegelicht dat het plaatsen van rasters vooral een oplossing biedt op kleine schaal, maar niet voor alle weidevogelgebieden in Zuid-Holland. Het plaatsen van de rasters, het toezicht houden daarop en het onderhoud daarvan is zeer bewerkelijk en kostbaar. Dit komt onder meer omdat begroeiing van het raster tot stroomverlies leidt, en maaien van de vegetatie nabij het raster daarom essentieel is. Dit maaien leidt vervolgens weer tot verstoring van de broedende vogels, terwijl het raster juist beoogt die te beschermen. Daarnaast zorgen de rasters ervoor dat ook andere dieren, zoals hazen en weidevogels met kuikens, hun foerageergebieden niet meer zouden kunnen bereiken. Verder kan normaal door mensen en dieren benut land in de regel niet worden ingericht op basis van argumenten voor een enkele diersoort. De rechtbank verwijst ten slotte naar de eerder genoemde uitspraak van de Afdeling van 13 september 2023. Daarin oordeelde de Afdeling dat het college zich op basis van eenzelfde motivering op het standpunt heeft kunnen stellen dat geen andere bevredigende oplossingen voorhanden zijn.
10.6.
De beroepsgrond slaag niet.

Geldigheidsduur ontheffing

11. Eiseressen betogen dat de geldigheidsduur (acht jaar) van de ontheffing te lang is. Daardoor loopt de ontheffingsperiode niet meer gelijk met de werkplannen van de faunabeheereenheid. Dat er tussentijds een evaluatie zal plaatsvinden, maakt dat volgens eiseressen niet anders, aangezien het niet mogelijk is om daartegen rechtsmiddelen in te stellen.
11.1.
Het college stelt zich primair op het standpunt dat deze beroepsgrond te laat is ingediend. Subsidiair heeft het college toegelicht dat artikel 8.10 van de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening bepaalt dat een faunabeheerplan een geldigheidsduur heeft van ten hoogste tien jaren. Omdat het faunabeheerplan in dit geval is vastgesteld voor een duur van acht jaar, heeft het college er in het kader van de ontheffing voor gekozen om dezelfde geldigheidsduur te hanteren.
11.2.
De rechtbank overweegt het volgende. Eiseressen hebben deze beroepsgrond voor het eerst naar voren gebracht in de reactie op het verweerschrift die de gemachtigde van eiseressen op 18 mei 2026 (en daarmee niet uiterlijk op de elfde dag voor de zitting) bij de rechtbank heeft ingediend. Aangezien deze grond ook in bezwaar naar voren is gebracht en het college hier in het bestreden besluit expliciet een standpunt over heeft ingenomen, ziet de rechtbank geen reden om deze beroepsgrond wegens strijd met een goede procesorde buiten beschouwing te laten.
11.3.
De rechtbank is van oordeel dat het college – gelet op de nauwe samenhang tussen het faunabeheerplan en de verleende ontheffing – voor de looptijd daarvan heeft mogen aansluiten bij de geldigheidsduur van het faunabeheerplan. Dat de ontheffingsperiode daarmee niet gelijkloopt met de werkplannen van de faunabeheereenheid maakt dat niet anders, aangezien de Wnb dat niet voorschrijft. De rechtbank ziet ook geen aanknopingspunt voor het oordeel dat de geldigheidduur van acht jaar te lang is om rekening te kunnen houden met relevante ontwikkelingen en zo nodig tot bijstelling te komen. Daarbij betrekt de rechtbank dat in het faunabeheerplan is voorgeschreven dat de faunabeheereenheid jaarlijks de beheergegevens verzamelt en publiceert en ten behoeve van evaluatie en bijstelling van het vossenbeheer aan de wildbeheereenheden en agrarische collectieven vraagt om het vossenbeheer in hun werkgebied te beschrijven en zo nodig jaarlijks bij te stellen.
11.4.
De beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie en gevolgen
12. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseressen geen gelijk krijgen. Eiseressen krijgen daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgen ook geen vergoeding van hun proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. S.H. van den Ende, voorzitter, en mr. R.H. Smits en

mr. A. Drahmann, leden, in aanwezigheid van mr. J.P. Brand, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 17 juli 2026.

griffier

voorzitter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving

Algemene wet bestuursrecht (Awb)

Op grond van artikel 1:2, eerste lid, van de Awb wordt onder belanghebbende verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.

Op grond van artikel 1:2, derde lid, van de Awb, worden ten aanzien van rechtspersonen als hun belangen mede beschouwd de algemene en collectieve belangen die zij krachtens hun doelstellingen en blijkens hun feitelijke werkzaamheden in het bijzonder behartigen.

Wet natuurbescherming (Wnb) en Besluit natuurbescherming (Bnb)

Op grond van artikel 3.8, vijfde lid Wnb wordt een ontheffing of een vrijstelling uitsluitend verleend, indien is voldaan aan elk van de volgende voorwaarden:

a. er bestaat geen andere bevredigende oplossing;

b. zij is nodig:

1°.in het belang van de bescherming van de wilde flora of fauna, of in het belang van de instandhouding van de natuurlijke habitats;

2°.ter voorkoming van ernstige schade aan met name de gewassen, veehouderijen, bossen, visgronden, wateren of andere vormen van eigendom;

3°.in het belang van de volksgezondheid, de openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en met inbegrip van voor het milieu wezenlijke gunstige effecten;

4°.voor onderzoek en onderwijs, repopulatie of herintroductie van deze soorten, of voor de daartoe benodigde kweek, met inbegrip van de kunstmatige vermeerdering van planten, of

5°.om het onder strikt gecontroleerde omstandigheden mogelijk te maken op selectieve wijze en binnen bepaalde grenzen een beperkt, bij de ontheffing of vrijstelling vastgesteld aantal van bepaalde dieren van de aangewezen soort te vangen of onder zich te hebben, onderscheidenlijk een beperkt bij de ontheffing of vrijstelling vastgesteld aantal van bepaalde planten van de aangewezen soort te plukken of onder zich te hebben;

c. er wordt geen afbreuk gedaan aan het streven de populaties van de betrokken soort in hun natuurlijke verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan

Op grond van artikel 3.10, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Wnb, is het verboden om vossen (een soort genoemd in bijlage A van de Wnb) opzettelijk te doden of te vangen, en hun vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen opzettelijk te beschadigen of te vernielen.

In artikel 3.10, tweede lid, is bepaald dat artikel 3.8, met uitzondering van het derde en vierde lid, van overeenkomstige toepassing is op de verboden, bedoeld in het eerste lid, met dien verstande dat, in aanvulling op de redenen, genoemd in het vijfde lid, onderdeel b, de noodzaak voor de ontheffing of vrijstelling ook verband kan houden met handelingen:

a. in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden of van kleinschalige bouwactiviteiten, met inbegrip van het daarop volgende gebruik van het gebied of het gebouwde;

b. ter voorkoming van schade of overlast, met inbegrip van schade aan sportvelden, schietterreinen, industrieterreinen, kazernes, of begraafplaatsen;

c. ter beperking van de omvang van de populatie van dieren, in verband met door deze dieren ter plaatse en in het omringende gebied veelvuldig veroorzaakte schade of in verband met de maximale draagkracht van het gebied waarin de dieren zich bevinden;

d. ter voorkoming of bestrijding van onnodig lijden van zieke of gebrekkige dieren;

e. in het kader van bestendig beheer of onderhoud in de landbouw of bosbouw;

f. in het kader van bestendig beheer of onderhoud aan vaarwegen, watergangen, waterkeringen, waterstaatswerken, oevers, vliegvelden, wegen, spoorwegen of bermen, of in het kader van natuurbeheer;

g. in het kader van bestendig beheer of onderhoud van de landschappelijke kwaliteiten van een bepaald gebied;

h. in het algemeen belang, of

i. bestendig gebruik.

Op grond van artikel 3.17, eerste lid, aanhef en onder b en c, van de Wnb, voor zover van belang, verlenen gedeputeerde staten ten behoeve van de beperking van soorten als bedoeld in artikel 3.10, eerste lid, ontheffing als bedoeld in artikel 3.3, eerste, vierde en vijfde lid, 2.3, tweede lid, 3.8 eerste en vijfde lid, 3.9 tweede lid, of 3.10, tweede lid, in samenhang met artikel 3.8, tweede lid, indien deze beperking nodig is:

b. in geval van dieren van soorten als bedoeld in artikel 3.5, eerste lid:

1°. in het belang van de bescherming van de wilde flora en fauna en van de instandhouding van de natuurlijke habitats;

2°. ter voorkoming van ernstige schade aan met name de gewassen, veehouderijen, bossen, visgronden en wateren en andere vormen van eigendom, of

3°. in het belang van de volksgezondheid en de openbare veiligheid of om andere dwingende redenen van groot openbaar belang, of

c. ingeval dieren van soorten als bedoeld in 3.10, eerste lid, met uitzondering van soorten als bedoeld in artikel 3.5, eerste lid:

1°. om de redenen genoemd in onderdeel b;

2°. ter voorkoming van schade of overlast, met inbegrip van schade aan sportvelden, industrieterreinen of begraafplaatsen,

3°. ter voorkoming of bestrijding van onnodig lijden van zieke of gebrekkige dieren, en

4°. in het algemeen belang.

Op grond van artikel 3.24, tweede lid, van de Wnb, is het verboden zich buiten gebouwen te bevinden met bij algemene maatregel van bestuur aangewezen middelen die geschikt zijn voor het doden of vangen van dieren, of met materialen ter onmiddellijke vervaardiging van die middelen, indien redelijkerwijs moet worden aangenomen dat die middelen of materialen zullen worden gebruikt voor het doden of vangen van dieren.

Op grond van artikel 3.26, tweede lid, aanhef en onder a en c, van de Wnb kan bij of krachtens algemene maatregel van bestuur het gebruik van het geweer worden uitgesloten of beperkt en kunnen regels gesteld worden over het geweer en het gebruik van middelen op, aan of bij het geweer.

Op grond van artikel 3.13, vierde lid, van het Bnb is een geweer als bedoeld in artikel 3.26, eerste lid, van de Wnb, niet voorzien van een geluiddemper, een kunstmatige lichtbron, een voorziening om de prooi te verlichten, een vizier met beeldomzetter, een elektronische beeldversterker of enig ander instrument om in de nacht te schieten.

Op grond van artikel 3.16, eerste lid, aanhef en onder a en c, van het Bnb is het verboden een verweer ter uitoefening van het bepaalde bij of krachtens de Wnb te gebruiken: voor zonsopgang en na zonsondergang en binnen de afpalingskring van een eendenkooi als bedoeld in artikel 3.21, eerste lid, onderdeel d, van de Wnb.

Op grond van artikel 3.26, derde lid, van de Wnb kunnen gedeputeerde staten ontheffing verlenen van de krachtens het tweede lid gestelde regels.

Artikel 3.17, eerste lid, aanhef, onderdeel c, sub 1o, in samenhang gelezen met onderdeel b, sub 1o, van de Wnb.

Kamerstukken II 1988/89, 21 221, nr. 3, p. 32-35.

Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) van 29 januari 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:313), r.o. 3.1.

Kamerstukken II 2011/12, 33 348, nr. 3, p. 149-151.

Kamerstukken II 2011/12, 33 348, nr. 3, p. 266.

Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 17 december 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:6161), r.o. 9.2

Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 15 april 2026 (ECLI:NL:RVS:2026:2097) r.o. 6.1 en 6.2.

Artikel 3.8, vijfde lid, van de Wnb.

ECLI:NL:RVS:2023:3471.

Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 13 september 2023 (ECLI:NL:RVS:2023:3471), r.o. 13.6.

P. 54 van het faunabeheerplan.

Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 13 september 2023 (ECLI:NL:RVS:2023:3471), r.o. 13.5.

Kamerstukken II 2011/12, 33 348, nr. 3, p. 150.

Zie bijvoorbeeld de uitspraken van de Afdeling van 19 april 2023 (ECLI:NL:RVS:2023:1547), r.o. 7.1, en 13 september 2023 (ECLI:NL:RVS:2023:3471), r.o. 12.4.

ECLI:NL:RVS:2023:3471, r.o. 12.4.

P. 43 van het faunabeheerplan.

Artikel delen