Asiel Marokko - vrees bij terugkeer niet aannemelijk - beroep ongegrond.
Rechtbank Den Haag 19 August 2026
Jurisprudentie – Uitspraken
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2026:21150
Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
29-07-2026
Datum publicatie
19-08-2026
Zaaknummer
NL26.22329 en NL26.22330
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI:NL:RBDHA:2026:21150text/xmlpublic2026-08-19T09:02:012026-07-29Raad voor de RechtspraaknlRechtbank Den Haag2026-07-23NL26.22329 en NL26.22330UitspraakEerste aanleg - enkelvoudigVoorlopige voorzieningNLDen HaagBestuursrecht; VreemdelingenrechtRechtspraak.nlhttp://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:21150text/htmlpublic2026-08-19T09:01:452026-08-19Raad voor de RechtspraaknlECLI:NL:RBDHA:2026:21150 Rechtbank Den Haag , 23-07-2026 / NL26.22329 en NL26.22330 Asiel Marokko - vrees bij terugkeer niet aannemelijk - beroep ongegrond.
RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummers: NL26.22329 en NL26.22330
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [v-nummer] , eiser/verzoeker (hierna: eiser) (gemachtigde: mr. N. Birrou), en de minister van Asiel en Migratie, verweerder.Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag en beoordeelt de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening van eiser. Eiser heeft op 5 april 2026 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Verweerder heeft met het bestreden besluit van 19 april 2026 deze aanvraag in de algemene procedure afgewezen als kennelijk ongegrond. 1.1. De rechtbank heeft het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening op 9 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft de gemachtigde van eiser deelgenomen. Eiser heeft een afstandsverklaring getekend. Verweerder heeft voorafgaand aan de zitting laten weten niet op de zitting te kunnen verschijnen. Beoordeling door de rechtbank Waar gaat deze zaak over? Het asielrelaas
2. Eiser stelt geboren te zijn op [geboortedatum] 2005 en de Marokkaanse nationaliteit te hebben. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Hij had een relatie met [naam] . Zij heeft geld gestolen van haar broers en aan eiser gegeven, omdat eiser er financieel slecht voor stond en eiser en [naam] van plan waren om samen uit Marokko te vertrekken. Toen de broers van [naam] hier achter kwamen, hebben zij eiser aangevallen en gestoken met een mes. Dit was de directe aanleiding voor eiser om Marokko te verlaten. Bij terugkeer naar Marokko vreest eiser vermoord te worden door de broers van [naam] . Het bestreden besluit
3. Verweerder vindt de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser geloofwaardig. Ook de problemen van eiser met de broers van [naam] vindt verweerder geloofwaardig. Volgens verweerder loopt eiser bij terugkeer naar Marokko geen reëel risico op ernstige schade, omdat hij zijn vrees voor de broers van [naam] niet aannemelijk heeft gemaakt. Eiser heeft geen aangifte gedaan bij de Marokkaanse autoriteiten terwijl dit wel van hem verwacht had mogen worden. Ook heeft eiser verklaard dat de broers sinds eisers vertrek uit Marokko maar één keer bij zijn huis zijn geweest en dat dit lang geleden was. Het incident zelf heeft zich ook al ruim vier jaar geleden afgespeeld. Daarbij is eiser al sinds november 2025 in Nederland en heeft hij pas in april 2026 asiel aangevraagd. Ook had eiser in 2022 al een asielaanvraag lopen in Spanje, maar heeft hij het besluit op die aanvraag niet afgewacht. Wat vindt eiser in beroep? 4. Verweerder heeft het asielrelaas van eiser geloofwaardig gevonden en daarmee staat vast dat eiser slachtoffer is geweest van een gewelddadige aanval. Gelet hierop heeft verweerder nagelaten inzichtelijk en kenbaar te motiveren waarom eiser bij terugkeer naar Marokko geen risico meer zou lopen. De enkele verwijzing van verweerder naar het tijdsverloop is onvoldoende. Eiser heeft verklaard dat de broers hem na het incident bleven zoeken en dat zijn moeder hem herhaaldelijk heeft gewaarschuwd om niet terug te keren. Verweerder moet expliciet en kenbaar toetsen of uitzetting leidt tot een risico op een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM en een dergelijke toets ontbreekt in het bestreden besluit. Ook stelt verweerder ten onrechte dat eiser geen bescherming heeft gezocht bij de Marokkaanse autoriteiten en dat zijn vrees daarom niet aannemelijk is. Verder heeft verweerder de aanvraag ten onrechte afgewezen als kennelijk ongegrond. Deze kwalificatie vereist dat zonder twijfel vaststaat dat de aanvraag geen enkele kans van slagen heeft, maar daar is in deze zaak geen sprake van. Tot slot had verweerder geen terugkeerbesluit en inreisverbod mogen opleggen. Wat is het oordeel van de rechtbank? 5. Op de zitting heeft de gemachtigde van eiser de rechtbank verzocht om de behandeling van de zaak aan te houden, omdat eiser niet aanwezig kon zijn vanwege ziekte. De rechtbank overweegt het volgende. De gemachtigde van eiser heeft aangegeven dat eiser in beginsel alles heeft kunnen zeggen in zijn gehoren bij verweerder. Daarnaast zit eiser in detentie zodat het voor hem van groot belang is zo snel mogelijk duidelijkheid te krijgen. Gelet hierop wijst de rechtbank het aanhoudingsverzoek af. 6. Op de zitting heeft de gemachtigde van eiser de beroepsgronden wat betreft de kennelijk ongegrondverklaring ingetrokken. Ook heeft de gemachtigde van eiser de beroepsgrond tegen het terugkeerbesluit ingetrokken. Over de overige gronden overweegt de rechtbank als volgt. 7. De rechtbank is van oordeel dat verweerder heeft kunnen concluderen dat eiser zijn vrees bij terugkeer naar Marokko niet aannemelijk heeft gemaakt. Verweerder heeft geloofwaardig gevonden dat eiser het slachtoffer is geworden van een aanval met een mes. Het feit dat iemand in het verleden reeds is blootgesteld aan ernstige schade is een duidelijke aanwijzing dat het risico op het lijden van ernstige schade bij terugkeer reëel is, tenzij er goede redenen zijn om aan te nemen dat dit zich niet opnieuw zal voordoen. Verweerder heeft voldoende beargumenteerd dat deze goede redenen bestaan. Het incident is inmiddels ruim vier jaar geleden. Sindsdien zijn de broers van [naam] slechts één keer langs geweest bij het huis van eiser. De broers van [naam] zeiden telkens als zij eisers moeder zagen dat zij eiser zouden gaan vermoorden, maar eiser heeft verklaard dat de laatste keer dat zij dit gezegd hebben ook al lang geleden is. Verweerder heeft ook kunnen overwegen dat het afbreuk doet aan eisers vrees dat hij niet geprobeerd heeft om eerst hulp in te schakelen bij de Marokkaanse autoriteiten. Eiser heeft niet gesteld dat de autoriteiten hem niet zouden beschermen, maar alleen dat het volgens hem niets gaat veranderen als de broers twee of drie maanden vastzitten omdat het criminelen zijn. Verweerder heeft eisers vrees daarbij onaannemelijk kunnen vinden omdat eiser al sinds november 2025 in Nederland is en toen al een terugkeerbesluit opgelegd heeft gekregen, maar pas asiel heeft aangevraagd twee uur voordat hij daadwerkelijk terug zou vliegen naar Marokko. Ook had eiser in 2022 al een asielaanvraag lopen in Spanje, maar heeft hij het besluit hierop niet afgewacht. In de tussentijd heeft eiser ook niet in een ander land asiel aangevraagd, terwijl hij ook twee jaar in Frankrijk heeft verbleven. 8. Eiser voert wat betreft het inreisverbod aan dat dit is opgelegd zonder rekening te houden met zijn persoonlijke omstandigheden. Nu eiser heeft nagelaten om feiten en omstandigheden te stellen op basis waarvan hem geen inreisverbod opgelegd mocht worden heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank niet ten onrechte aan eiser een inreisverbod opgelegd. Conclusie en gevolgen 9. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. 10. Omdat op het beroep is beslist, bestaat er geen aanleiding meer voor het treffen van een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daarom af. 11. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af. Deze uitspraak is gedaan door mr. D.C. Laagland, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. M.C. Bakker, griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak op het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen hoger beroep of verzet open. Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.