Menu

Filter op
content
PONT Klimaat

0

ECLI:NL:RBDHA:2026:21331

Afwijzen verzoek vader tot vastleggen omgangsregeling nadat het recht op omgang is ontzegd. Vastleggen informatieregeling.

Rechtbank Den Haag 20 August 2026

Jurisprudentie – Uitspraken

ECLI:NL:RBDHA:2026:21331 text/xml public 2026-08-20T09:04:58 2026-07-31 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-06-30 C/09/687833 / FA RK 25-4980 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig Beschikking NL Den Haag Civiel recht; Personen- en familierecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:21331 text/html public 2026-08-20T09:04:45 2026-08-20 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:21331 Rechtbank Den Haag , 30-06-2026 / C/09/687833 / FA RK 25-4980
Afwijzen verzoek vader tot vastleggen omgangsregeling nadat het recht op omgang is ontzegd. Vastleggen informatieregeling.

Rechtbank DEN HAAG

Enkelvoudige kamer

Rekestnummer: FA RK 25-4980

Zaaknummer: C/09/687833

Datum beschikking: 30 juni 2026
Omgang en informatieregeling
Beschikking op het op 1 juli 2025 ingekomen verzoek van:
[de vader] ,
de vader,

wonende op een bij de rechtbank bekend adres,

advocaat: mr. J.M.C. van Gorkum in ‘s-Hertogenbosch

Als belanghebbende wordt aangemerkt:
[de moeder] ,
de moeder,

wonende op een bij de rechtbank bekend adres,

advocaat: mr. S. Bhulai in Den Haag.
Procedure
De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken waaronder:

het verzoekschrift;

het verweerschrift;

het bericht van 29 mei 2026 van de vader.

De minderjarigen [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] hebben in een gesprek met de kinderrechter hun mening gegeven over het verzoek.

Op 2 juni 2026 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: de advocaat van de vader, de moeder, bijgestaan door haar advocaat.

De Raad voor de Kinderbescherming heeft wegens hem moverende redenen kenbaar gemaakt niet aanwezig te zullen zijn op de zitting.
Feiten
Partijen hebben een affectieve relatie met elkaar gehad.

Zij zijn de ouders van de volgende minderjarige kinderen:

[de minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 1] 2010 in [geboorteplaats] ,

[de minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 2] 2014 in [geboorteplaats] .

De vader heeft de kinderen erkend.

De moeder is van rechtswege alleen met het ouderlijk gezag over de kinderen belast.

Bij beschikking van 17 februari 2017 is bepaald dat de moeder de vader eenmaal per maand op deugdelijke wijze schriftelijk of per e-mail informatie zal verschaffen over gewichtige aangelegenheden met betrekking tot de kinderen, en met name betreffende hun (sociale) ontwikkeling en gezondheid, eventuele hobby’s en de gang van zaken op school.

Bij beschikking van 30 april 2019 van deze rechtbank is een omgangsregeling vastgesteld tussen de vader en de kinderen.

De vader is op 14 januari 2020 door deze rechtbank veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijf jaar wegens poging tot doodslag en bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht. Beide delicten zijn gepleegd tegen de moeder.

Bij beschikking van 15 januari 2020 van het Gerechtshof Den Haag is de beschikking van 30 april 2019 van deze rechtbank vernietigd, en is aan de vader het recht op omgang met [de minderjarige 2] en [de minderjarige 1] ontzegd.

Bij beschikking van 24 januari 2023 van deze rechtbank is het verzoek van de vader om een omgangsregeling vast te stellen afgewezen.
Verzoek en verweer
De vader verzoekt, na wijziging en voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

een omgangsregeling vast te stellen van één dagdeel per veertien dagen waarbij wordt toegewerkt naar een regeling van één weekend per veertien dagen, alsmede de helft van de feestdagen en de schoolvakanties, althans een zodanige regeling te bepalen als de rechtbank in goede justitie vermeent te behoren;

een informatieregeling vast te stellen waarbij de vader iedere drie maanden door de moeder wordt geïnformeerd over van belang zijnde zaken en dat hij onmiddellijk wordt geïnformeerd betreffende spoedeisende zaken, inclusief een recente, duidelijke kleurenfoto.

De moeder voert verweer, dat hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.
Beoordeling
Omgang

Wettelijk kader

Op grond van artikel 1:377a van het Burgerlijk Wetboek (BW) heeft het kind recht op omgang met zijn ouders en met degene die in een nauwe en persoonlijke betrekking tot hem staat. De niet met het gezag belaste ouder heeft het recht op en de verplichting tot omgang met zijn kind. De rechtbank stelt op verzoek van de ouder(s) of degene die in een nauwe en

persoonlijke betrekking staat tot het kind een omgangsregeling vast, tenzij zich één of meer

van de in dat artikel genoemde uitzonderingsgronden voordoen, te weten:

indien omgang ernstig nadeel zou opleveren voor de geestelijke of lichamelijke ontwikkeling van het kind, of

indien de ouder kennelijk ongeschikt of kennelijk niet in staat moet worden geacht tot omgang, of

het kind dat twaalfjaren of ouder is, bij zijn verhoor van ernstige bezwaren tegen omgang met zijn ouder heeft doen blijken, of

omgang anderszins in strijd is met zwaarwegende belangen van het kind.

Inhoudelijke beoordeling

De vader geeft aan dat hij de gang van zaken zeer betreurt en graag zou willen dat hij de tijd kon terugdraaien. Hij wil zijn gedrag absoluut niet goed praten maar wil wel inzicht geven in zijn beleving van de zaak. Door het einde van de relatie, de houding van de moeder naar de vader, het idee om zijn kinderen kwijt te raken en het eerste raadsrapport, zijn er bij de vader gevoelens van woede en onbegrip ontstaan – die zijn gedrag op geen enkele manier rechtvaardigen – maar wel het gevolg zijn van de gebeurtenissen in aanloop naar deze zaak. De vader blijft echter de vader van [de minderjarige 2] en [de minderjarige 1] en wil heel graag een rol spelen in hun leven. Volgens hem is er dan ook sprake van een wijziging van omstandigheden sinds de beschikking van 24 januari 2023. De vader heeft inmiddels zijn gevangenisstraf uitgezeten en er zijn geen beperkende maatregelen zoals een contact- of gebiedsverbod meer van toepassing. Daarnaast hebben de moeder en de kinderen hulpverlening kregen, en heeft de vader meer inzicht gekregen in zijn eigen handelen. Begin april jl. heeft de vader een herseninfarct gehad en daardoor weken in het ziekenhuis gelegen. Hij zit nu in een revalidatiecentrum en heeft grote moeite met praten, reageren, lezen en schrijven volgens zijn advocaat. Door deze gebeurtenis is het voor de vader extra belangrijk om op een manier weer in contact te komen met zijn kinderen. De vader verzoekt daarom een omgangsregeling vast te stellen van een dagdeel per veertien dagen, en dat er – afhankelijk van zijn herstel en hoe de kinderen reageren – wordt toegewerkt naar een weekendregeling, alsmede een verdeling van de vakanties en feestdagen bij helfte. In het geval de rechtbank van oordeel is dat contactherstel niet mogelijk is, wil de vader dat het Nederlands Instituut voor Forensische Psychiatrie en Psychologie (NIFP) onderzoek gaat doen naar de mogelijkheden tot contactherstel en het vastleggen van een omgangsregeling.

De moeder voert verweer. Zij heeft het altijd in het belang van de kinderen gevonden dat zij contact hebben met de vader, als zij dat willen. Op dit moment geeft [de minderjarige 2] echter duidelijk aan dat zij de vader niet wil zien, en zegt [de minderjarige 1] de vader eigenlijk niet te kennen en daar ook geen behoefte aan te hebben. De moeder vindt het belangrijk om naar de kinderen te luisteren. De kinderen moeten rust krijgen en zich kunnen richten op hun eigen ontwikkeling. Met name [de minderjarige 2] heeft een zware tijd achter de rug en het gaat nu eindelijk goed met haar, en de moeder wil dat niet verstoren. Als de kinderen in de toekomst uiteindelijk wel behoefte hebben om contact op te nemen met de vader, dan zal de moeder bekijken op welke manier dat veilig – voor zowel zichzelf als de kinderen – kan plaatsvinden.

De rechtbank zal het verzoek van de vader afwijzen, en overweegt daartoe als volgt. In het kindgesprek hebben de kinderen duidelijk aangegeven geen contact met de vader te willen. Ze hebben behoefte aan rust, en geven aan dat hun leven weer op de rit is na de onrust van de afgelopen jaren. De rechtbank acht het tegen de achtergrond van het door de vader tegen de moeder gepleegde geweld van belang dat deze rust niet weer wordt verstoord. Met de moeder is de rechtbank van oordeel dat de kinderen de tijd en de ruimte moeten krijgen om te ontdekken wie zij zelf zijn. Het opbouwen van contact met de vader – terwijl zij dat zelf niet willen – past daar niet bij. Hoewel de wens van de vader om het contact met de kinderen te herstellen begrijpelijk is, zeker gelet op zijn huidige gezondheidssituatie, moet het belang van de kinderen voorop staan. De rechtbank ziet ook geen aanleiding om een onderzoek te laten doen door het NIFP om te kijken of omgang op termijn mogelijk is. Het is van belang dat de kinderen rust krijgen en niet nu worden belast met een dergelijk onderzoek.

Informatieregeling

Wettelijk kader

Op grond van artikel 1:377b eerste lid BW is de met het gezag belaste ouder gehouden de niet met het gezag belaste ouder op de hoogte te stellen van gewichtige aangelegenheden met betrekking tot de persoon en het vermogen van het kind en deze te raadplegen over daaromtrent te nemen beslissingen.

Inhoudelijke beoordeling

De vader voert aan dat de informatieregeling die in 2017 door de rechtbank is vastgelegd – waarbij de moeder de vader moet informeren – al geruime tijd niet wordt nagekomen. De vader verzoekt daarom te bepalen dat de moeder iedere drie maanden de vader moet informeren en daarbij recente foto’s van de kinderen meestuurt. De moeder voert verweer. Zij geeft aan dat het te belastend voor haar is om informatie te verstrekken aan de vader over de kinderen, ook als zij daarvoor een apart e-mailadres aanmaakt. Daarnaast geven de kinderen aan dat zij niet willen dat de vader een recente foto van ze heeft.

De rechtbank overweegt dat de moeder op de zitting heeft toegelicht dat zij het liefst geen of maximaal één keer per jaar informatie wil geven aan de vader. Omdat er in een jaar heel veel kan veranderen in het leven van een kind, acht de rechtbank de frequentie van één keer per jaar te weinig. De rechtbank zal daarom een informatieregeling vastleggen waarbij de moeder twee keer per jaar de vader moet informeren over gewichtige aangelegenheden. De moeder kan daarvoor een apart e-mailadres aan te maken en de vader mag vervolgens niet reageren op de e-mails van de moeder. Mochten de kinderen in de toekomst besluiten om wel contact te zoeken met de vader, dan is volgens de rechtbank de kloof minder groot en is de vader redelijk op de hoogte over wat er in hun leven speelt. Hoewel het al dan niet versturen van een foto niet specifiek aan de orde is geweest in het kindgesprek, hebben de kinderen wel kenbaar gemaakt dat zij niet willen dat informatie over hun leven wordt gedeeld met de vader. De rechtbank neemt daarom aan dat de stelling van de moeder dat zij niet willen dat foto’s worden gedeeld met de vader, juist is. Tegelijkertijd begrijpt de rechtbank de wens van de vader dat hij wil zien hoe zijn kinderen er nu uitzien. De rechtbank geeft de moeder daarom in overweging of zij met de kinderen wil bespreken of zij eenmalig een recente foto mag versturen naar de vader.
Beslissing
De rechtbank – met wijziging in zoverre van de beschikking van 17 februari 2017 van deze rechtbank – :

*

bepaalt dat de moeder met ingang van 1 september 2026 de vader tweemaal per jaar per e-mail moet informeren over gewichtige aangelegenheden met betrekking tot de minderjarigen:

[de minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 1] 2010 in [geboorteplaats] ,

[de minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 2] 2014 in [geboorteplaats] ;

*

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

*

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. J.S. Honée, (kinder)rechter, bijgestaan door mr. A.I. Knops als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van 30 juni 2026.

Artikel delen