ECLI:NL:RBDHA:2026:21381text/xmlpublic2026-08-03T09:00:202026-07-31Raad voor de RechtspraaknlRechtbank Den Haag2026-07-29NL26.22974UitspraakEerste aanleg - enkelvoudigNLMiddelburgBestuursrecht; VreemdelingenrechtRechtspraak.nlhttp://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:21381text/htmlpublic2026-07-31T11:17:152026-08-03Raad voor de RechtspraaknlECLI:NL:RBDHA:2026:21381 Rechtbank Den Haag , 29-07-2026 / NL26.22974 Asiel, Dublin Spanje, artikel 17 Dv, arrest C.K., beroep ongegrond
RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Middelburg Bestuursrecht zaaknummer: NL26.22974
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. T.T. van Wijchen), en de minister van Asiel en Migratie, verweerder (gemachtigde: mr. J.L.A.F. van Halteren). Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van zijn asielaanvraag. Verweerder heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 22 april 2026 niet in behandeling genomen omdat Spanje verantwoordelijk is voor de aanvraag. 1.1. De rechtbank heeft het beroep op 22 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en (via een beeldverbinding) de gemachtigde van verweerder. Eiser heeft de zitting op afstand telefonisch gevolgd met behulp van tolk [persoon 1] (die wel in de zittingzaal aanwezig was). Beoordeling door de rechtbank 2. Eiser stelt dat hij is geboren op [geboortedag] 1982 en dat hij de Syrische nationaliteit heeft. 3. De rechtbank beoordeelt het beroep aan de hand van de argumenten die eiser heeft aangevoerd, de beroepsgronden. 4. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiser ongelijk krijgt en dat het bestreden besluit in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Totstandkoming van het besluit 5. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening. Op grond van de Dublinverordening neemt verweerder een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. 6. Verweerder heeft de asielaanvraag niet in behandeling genomen, omdat Spanje verantwoordelijk is voor de asielaanvraag. Uit Eurodac is namelijk gebleken dat eiser op 3 februari 2026 in Spanje het Dublingebied is ingereisd. Nederland heeft Spanje verzocht eiser over te nemen. Spanje heeft dit verzoek op 10 april 2026 aanvaard. Daarbij vertrouwt verweerder erop dat Spanje zijn internationale verdragsverplichtingen voor de behandeling van de asielaanvraag nakomt. Dat wordt ook wel het interstatelijk vertrouwensbeginsel genoemd. Artikel 17 Dublinverordening 7. Eiser betwist niet dat verweerder ten aanzien van Spanje mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Eiser beroept zich op artikel 17 van de Dublinverordening. Hij stelt zich op het standpunt dat overdracht aan Spanje van een onevenredige hardheid zou getuigen en dat verweerder de behandeling van zijn asielaanvraag onverplicht aan zich had moeten trekken. Hij wijst daarbij op zijn bijzondere medische situatie. Hij heeft medische informatie overgelegd, onder meer informatie van de polikliniek Oncologie van het [ziekenhuis] van 17 juni 2026, waaruit blijkt dat eiser is onderzocht en dat daaruit is gebleken dat een elders behandeld B-cellymfoom aanhoudend in remissie lijkt te zijn, dat er over zes maanden nogmaals een CT- en PET-scan moet worden uitgevoerd en dat het raadzaam is om onder controle te blijven. Eiser voert aan dat hij voor zijn gezondheid afhankelijk is van steun en begeleiding vanuit zijn sociale netwerk. In Spanje ontbreekt een dergelijk netwerk. Eiser heeft een ondersteuningsverklaring overgelegd van een bekende uit zijn netwerk, [persoon 2] , die verklaart dat hij bereid is om eiser te ondersteunen en te begeleiden bij medische afspraken en in zijn dagelijks leven. Eiser doet een beroep op het arrest C.K. en stelt zich op het standpunt dat verweerder het bestreden besluit niet had mogen nemen zonder eerst een BMA-advies in te winnen. Hij vindt dat verweerder met het bestreden besluit het zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel heeft geschonden. 8. Uit het arrest C.K. volgt dat de overdracht van een asielzoeker aan een verantwoordelijke lidstaat een onmenselijke en vernederende behandeling in de zin van artikel 4 van het Europees Handvest vormt als die overdracht een reëel en bewezen risico zou inhouden op een aanzienlijke en onomkeerbare achteruitgang van de gezondheidstoestand van de betrokkene. Wanneer een asielzoeker objectieve gegevens overlegt die de bijzondere ernst van zijn gezondheidstoestand en de aanzienlijke en onomkeerbare gevolgen daarvan voor een overdracht aantonen, mogen de autoriteiten van de betrokken lidstaat, de rechterlijke instanties daaronder begrepen, die gegevens niet buiten beschouwing laten. Daarbij moet rekening worden gehouden met alle aanzienlijke en onomkeerbare gevolgen die uit de overdacht kunnen voortvloeien, in het bijzonder wanneer er sprake is van een ernstige psychische aandoening. 9. De rechtbank overweegt dat eiser geen objectieve informatie heeft overgelegd waaruit blijkt dat overdracht aan Spanje in zijn geval zou leiden tot een aanzienlijke en onomkeerbare achteruitgang van zijn gezondheidstoestand. Verweerder mag erop vertrouwen dat Spanje de medische problemen van eiser net zo goed kan behandelen als Nederland. Dat wordt door eiser ook niet bestreden. Eiser heeft niet onderbouwd dat de afwezigheid van een sociaal netwerk in Spanje een dergelijk reëel en bewezen risico inhoudt. Voorstelbaar is dat het fijn zou zijn voor eiser om bij medische onderzoeken steun en begeleiding te krijgen van een vriend, maar de verklaring van de vriend bevat geen objectieve informatie en daaruit blijkt ook niet dat zijn steun en begeleiding noodzakelijk zijn voor de gezondheid van eiser. Aangenomen mag worden dat eiser in Spanje ook begeleiding kan krijgen bij bijvoorbeeld het inplannen van medische controles. De situatie is in dat opzicht wezenlijk anders dan de situatie van de vreemdeling in de uitspraak van zittingsplaats Haarlem van 9 oktober 2025, die eiser heeft ingebracht. Verweerder heeft in het bestreden besluit daarover terecht overwogen dat in die zaak sprake was van een (objectieve) onderbouwing van zowel de ernst van de medische situatie van de betrokkene als van de noodzaak van zorg en steun van familie in Nederland. Verweerder was onder de gegeven omstandigheden niet gehouden om voorafgaand aan het bestreden besluit een BMA-advies te vragen. 10. Het beroep op het zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel slaagt niet. Verweerder heeft in redelijkheid kunnen beslissen dat geen sprake is van bijzondere individuele omstandigheden op grond waarvan zou moeten worden afgezien van overdracht aan Spanje. Conclusie en gevolgen 11. Het beroep is ongegrond. 12. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan op 29 juli 2026 door mr. W.H. Bel, rechter, in aanwezigheid van N.A. D’Hoore, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. De uitspraak is bekendgemaakt op: Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Verordening (EU) nr. 604/2013 Dit staat in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000. arrest Hof van Justitie van de Europese Unie 16 februari 2017, ECLI:EU:C:2017:127, in de zaak C.K. tegen Slovenië Bureau Medische Advisering punt 75 en 76 van het arrest C.K. zaaknummer NL24.32474