Chavez-Vilchez / niet meer dan marginale zorg- en opvoedingstaken / geen afhankelijkheidsrelatie / geen sprake van frustratie / artikel 8 EVRM / ongegrond
Rechtbank Den Haag 4 August 2026
Jurisprudentie – Uitspraken
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2026:21783
Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
04-08-2026
Datum publicatie
04-08-2026
Zaaknummer
AWB 25-18445
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI:NL:RBDHA:2026:21783text/xmlpublic2026-08-04T18:05:112026-08-04Raad voor de RechtspraaknlRechtbank Den Haag2026-08-04AWB 25-18445UitspraakEerste aanleg - enkelvoudigNLGroningenBestuursrecht; VreemdelingenrechtRechtspraak.nlhttp://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:21783text/htmlpublic2026-08-04T18:03:592026-08-04Raad voor de RechtspraaknlECLI:NL:RBDHA:2026:21783 Rechtbank Den Haag , 04-08-2026 / AWB 25-18445 Chavez-Vilchez / niet meer dan marginale zorg- en opvoedingstaken / geen afhankelijkheidsrelatie / geen sprake van frustratie / artikel 8 EVRM / ongegrond
RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Groningen Bestuursrecht zaaknummer: AWB 25/18445
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 4 augustus 2026 in de zaak tussen
[naam 1] , eiser, V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. N.B. Swart) en de Minister van Asiel en Migratie, de minister (gemachtigde: mr. A.E. Geçer). Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiser voor een verblijfsvergunning met als verblijfsdoel “familie en gezin.” Eiser is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Mede aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag. 1.1. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing in stand kan blijven. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Procesverloop 2. Eiser heeft op 21 april 2023 een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning met als verblijfsdoel “familie en gezin.” Bij primair besluit van 4 september 2023 heeft de minister deze aanvraag afgewezen. Met het bestreden besluit van 18 september 2025 op het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit is de minister bij de afwijzing van de aanvraag gebleven. 2.1. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. 2.2. De rechtbank heeft het beroep op 11 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten. Totstandkoming van het besluit Inleiding 3. Eiser is geboren op 3 april 1995 en heeft de Guineese nationaliteit. Hij is in 2017 naar Nederland gekomen en heeft een relatie gekregen met de Nederlandse [naam 2] . Op 22 november 2019 is uit deze relatie [naam 3] geboren. Eiser heeft zijn dochter erkend en haar moeder had van rechtswege het gezag over haar. In oktober 2021 heeft de moeder het contact met eiser beëindigd en in februari 2022 is zij van Stadskanaal naar Den Helder verhuisd. Eiser heeft de rechtbank verzocht om een omgangsregeling. Bij uitspraak van 19 mei 2022 heeft de rechtbank Noord-Holland een tijdelijke omgangsregeling vastgesteld op eenmaal in de veertien dagen op zondagmiddag van 13.00 tot 15.00 uur in de woning van de moeder onder begeleiding waarna de ouders, al of niet onder begeleiding, invulling kunnen geven aan een uitgebreidere regeling. 3.1. Op 18 september 2020 heeft eiser een aanvraag ingediend om afgifte van een verblijfsdocument EU/EER. Deze aanvraag is op 7 oktober 2021 afgewezen omdat eiser zijn identiteit niet aannemelijk kon maken. In het besluit op bezwaar van 31 januari 2023 is de aanvraag afgewezen omdat eiser niet aannemelijk had gemaakt dat hij daadwerkelijk zorgtaken verrichtte ten aanzien van zijn dochter en er geen sprake was van een afhankelijkheidsrelatie die zou maken dat zijn dochter het grondgebied van de Unie zou moeten verlaten indien eiser een verblijfsrecht zou worden geweigerd. Bij uitspraak van
9 mei 2023 heeft de rechtbank, zittingsplaats Groningen, het door eiser tegen dit besluit ingediende beroep ongegrond verklaard. In haar uitspraak heeft de rechtbank geoordeeld dat eiser niet heeft aangetoond dat hij meer dan marginale zorg- en/of opvoedingstaken heeft verricht ten behoeve van zijn dochter. De stelling van eiser dat de moeder de omgang tussen eiser en zijn dochter frustreert, werd door de rechtbank niet gevolgd. Dat de minister ten onrechte niet ambtshalve aan artikel 8 van het EVRM heeft getoetst volgde de rechtbank evenmin omdat eiser impliciet noch expliciet een beroep op dit artikel had gedaan. Bij uitspraak van 23 mei 2024 heeft de Afdeling het door eiser ingediende hoger beroep ongegrond verklaard. Daarmee is het besluit van de minister van 31 januari 2023 in rechte komen vast te staan. 3.2. Op 21 april 2023 heeft eiser onderhavige aanvraag ingediend. Bestreden besluit 4. In het bestreden besluit, waarbij het primaire besluit is gehandhaafd, heeft de minister zich op het standpunt gesteld dat eiser niet in aanmerking komt voor vrijstelling van het mvv-vereiste omdat hij geen geslaagd beroep kan doen op het arrest van het Hof van 10 mei 2017 inzake Chavez-Vilchez. Onder verwijzing naar de eerder gevoerde procedure heeft de minister zich op het standpunt gesteld dat niet gebleken is van nieuwe feiten en omstandigheden. Nog steeds is niet aangetoond dat eiser meer dan marginale daadwerkelijke zorg- en opvoedtaken verricht, waardoor er geen sprake is van een zodanige afhankelijkheidsverhouding tussen eiser en zijn dochter dat zij gedwongen zou zijn het grondgebied van de Unie te verlaten als aan eiser een verblijfsrecht wordt ontzegd. Dat de omgang van eiser met zijn dochter door de moeder wordt gefrustreerd is niet gebleken. De afwijzing van de aanvraag is ook niet in strijd met artikel 8 van het EVRM. Overwegingen Verricht eiser meer dan marginale zorg- en opvoedingstaken? 5. Eiser stelt dat de minister zich ten onrechte op het standpunt stelt dat hij niet meer dan marginale zorg- en opvoedingstaken verricht. Nu hij door de omgangsregeling elke week drieënhalf uur omgang heeft met zijn dochter heeft hij meer dan marginale zorg- en opvoedtaken. Daarbij komt dat de moeder de omgang frustreert. Dat de omgangsregeling is uitgebreid, van twee keer per maand tijdens de aanvraagfase naar nu wekelijks, is ondanks de tegenwerking van de moeder. Juridisch kader
6. Om te kunnen vaststellen of er rechtmatig verblijf is op grond van ‘Chavez-Vilchez’ is het volgende kader van belang. Het is vaste rechtspraak van het Hof dat er zeer bijzondere situaties bestaan waarin een onderdaan van een derde land die familielid is van een burger van de Unie, een verblijfsrecht moet worden toegekend, omdat anders het Unieburgerschap de nuttige werking zou worden ontnomen indien, als gevolg van de weigering om een dergelijk recht te verlenen, deze burger feitelijk verplicht is het grondgebied van de gehele Unie te verlaten en hem zo het effectieve genot van de essentie van de aan die status ontleende rechten zou worden ontzegd. Eén zo’n zeer bijzondere situatie is de situatie dat tussen een familielid dat derdelander is en het desbetreffende kind dat Unieburger is een daadwerkelijke afhankelijkheidsverhouding bestaat. Als verzorgende ouder van een Nederlands minderjarig kind kan een vreemdeling dus rechtmatig verblijf hebben in Nederland. In paragraaf B10/2.5 van de Vc 2000 staat uitgewerkt aan welke voorwaarden moet zijn voldaan: a. de vreemdeling moet zijn identiteit en nationaliteit aannemelijk maken;
b. de vreemdeling moet een minderjarig, Nederlands kind hebben;
c. de vreemdeling moet daadwerkelijk voor het kind zorgen; en
d. er moet een zodanige afhankelijkheid tussen hem en het kind bestaan dat het kind gedwongen zou zijn het grondgebied van de Unie te verlaten als aan de derdelands ouder een verblijfsrecht wordt geweigerd. 6.1. Voor het vaststellen van daadwerkelijke zorg- en opvoedingstaken is nog van belang om vast te stellen of de omgang tussen de ouder die een ‘Chavez-Vilchez’-aanvraag doet, en het kind is gefrustreerd. Als de vreemdeling aannemelijk kan maken dat hij vóór het moment van frustratie daadwerkelijk zorg- en opvoedingstaken heeft verricht, kan het feit dat hij deze taken momenteel niet verricht niet worden tegengeworpen. 6.2. In haar uitspraak van 22 juli 2025 is de Afdeling tot de conclusie gekomen dat de bovengenoemde vereisten uit de Vc 2000 niet cumulatief zijn en dat voor het verkrijgen van een afgeleid verblijfsrecht op grond van artikel 20 van het VWEU naast het bestaan van een afhankelijkheidsverhouding ook moet zijn voldaan aan het vereiste dat de vreemdeling meer dan marginale zorg- en/of opvoedingstaken verricht, onjuist is. Dat neemt enerzijds niet weg dat een afhankelijkheidsverhouding doorgaans niet goed voorstelbaar is als een vreemdeling niet meer dan marginale zorg- en/of opvoedingstaken verricht. Anderzijds is het verrichten van meer dan marginale zorg- en/of opvoedingstaken niet zonder meer voldoende voor het doen ontstaan van een afhankelijkheidsverhouding. 6.3. Gelet op deze uitspraak van de Afdeling zal de rechtbank beoordelen of sprake is van een afhankelijkheidsrelatie tussen eiser en zijn dochter en zal de rechtbank de vraag of sprake is van zorg- en opvoedingstaken daarbij betrekken. De rechtbank stelt vast dat deze rechtbank en zittingsplaats in haar uitspraak van 9 mei 2023 heeft geoordeeld dat de minister voldoende heeft gemotiveerd dat namens eiser onvoldoende is aangetoond dat er sprake is van een zodanige afhankelijkheidsrelatie dat eisers dochter gedwongen zal worden de Europese Unie te verlaten als eiser geen verblijfsrecht krijgt. Ook heeft de rechtbank toen geoordeeld dat de minister in zijn besluit van 31 januari 2023 deugdelijk heeft gemotiveerd dat eiser niet heeft aangetoond dat hij daadwerkelijk en meer dan marginale zorg- en/of opvoedingstaken heeft verricht ten behoeve van zijn dochter. De rechtbank constateert nu dat de getroffen omgangsregeling zich sindsdien heeft uitgebreid van een begeleid bezoek van één keer per twee weken op de zondagmiddag van 13.00 uur tot 15.00 uur, naar een wekelijks onbegeleid bezoek op de woensdag of donderdag van 12.30 uur tot 16.00 uur. Onder verwijzing naar de door de minister aangehaalde uitspraak van 17 november 2021 van deze rechtbank, zittingsplaats Utrecht, die is bevestigd door de Afdeling, heeft de minister zich op het standpunt kunnen stellen dat drieënhalf uur omgang per week dermate marginaal is, dat niet gesproken kan worden van daadwerkelijke zorg- en opvoedingstaken. De door eiser overgelegde kassabonnen en afschriften van overschrijvingen ten bedrage van € 450 over een periode van tien maanden leiden niet tot een ander oordeel. Dit niet alleen omdat de kassabonnen niet op naam staan maar ook omdat het hierbij niet gaat om bedragen waarvan gesteld kan worden dat zij erop wijzen dat eiser meer dan marginale zorg- en opvoedingstaken verricht of dat er sprake is van een afhankelijkheidsrelatie. Deze situatie maakt dat de minister heeft kunnen stellen dat het niet in de lijn der verwachting ligt dat eisers dochter gedwongen zal worden het grondgebied van de Unie te verlaten als aan eiser verblijf in Nederland wordt ontzegd. Frustratie door de moeder
7. In het kader van de omvang van de zorg- en opvoedingstaken en de afhankelijkheidsrelatie heeft eiser aangevoerd dat de minister er in het bestreden besluit ten onrechte aan voorbij gegaan is dat de moeder de uitbreiding van de omgang frustreert en bijvoorbeeld de omgang in de praktijkruimte van mw. Post heeft doen beëindigen. Dit blijkt ook uit het verslag van ihub Familiezorg van 1 september 2025 waarin grote zorgen over de dochter worden geuit vanwege het gedrag van de moeder. 7.1. In haar uitspraak van 13 september 2024 heeft de Afdeling geoordeeld dat het marginale karakter van de zorg- en/of opvoedingstaken de derdelander ouder niet worden aangerekend als aangetoond wordt dat de andere ouder de omgang met het kind frustreert, terwijl eerder wel sprake was van het verrichten van daadwerkelijke zorgtaken door de vreemdeling. 7.2. In haar uitspraak van 9 mei 2023 heeft deze rechtbank en zittingsplaats geoordeeld dat eisers stelling dat de moeder van zijn dochter de omgang tussen eiser en zijn dochter frustreert niet gevolgd wordt. Sindsdien is de omgangsregeling tussen eiser en zijn dochter, weliswaar met tussenkomst van de rechter, uitgebreid maar de rechtbank stelt vast dat noch gesteld noch gebleken is dat de moeder de afspraken van de omgangsregeling niet naleeft.
Eisers standpunt dat de moeder van zijn dochter de omgang tussen hem en zijn dochter frustreert doordat zij weigert in te stemmen met een ruimere omgangsregeling, volgt de rechtbank evenmin. Hoewel uit overgelegde stukken, zoals de brief van de Gemeente Den Helder van 24 oktober 2023, blijkt dat de moeder zich misschien niet altijd heel erg meewerkend heeft opgesteld, heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat de moeder zich onbehoorlijk opstelt. Mocht eiser uitbreiding van de omgangsregeling willen, is het aan de familierechter om te oordelen wat in het belang is van het kind. Nu de minister zich op het standpunt heeft mogen stellen dat er geen sprake is van frustratie van de zijde van de moeder, mocht het marginale karakter van de zorg- en opvoedingstaken eiser worden tegengeworpen. Lopende procedure over het omgangsrecht
8. Verder stelt eiser zich, onder verwijzing naar Werkinstructie 2020/16 en Werkinstructie 2026/3, op het standpunt dat hem in strijd is met artikel 8 van het EVRM een verblijfsrecht is ontzegd terwijl er een procedure liep over de omgangsregeling. Ook heeft de minister miskend dat er nu nog een procedure loopt in het kader van de omgangsregeling. 8.1. De rechtbank is van oordeel dat, hoewel beide Werkinstructies voorzien in de mogelijkheid om een vreemdeling een verblijfsrecht te verlenen zodat hij de uitkomst van een procedure omtrent een omgangsregeling kan afwachten, de minister gevolgd kan worden in zijn standpunt dat eiser destijds rechtmatig verblijf had op grond van artikel 8, aanhef en onder h, van de Vw 2000. Dit maakte het overbodig om eiser separaat nog een vergunning te verlenen met het oog op het afwachten van de beslissing over de omgangsregeling. Dit betekent dat er tijdens eisers verblijf in Nederland uitsluitend sprake is geweest van procedureel rechtmatig verblijf hetgeen de minister in de belangenafweging in verband met artikel 8 van het EVRM in het nadeel van eiser heeft mogen laten meewegen. Dat er nu ook sprake zou zijn van een procedure in het kader van de omgangsregeling volgt de rechtbank niet. Zoals ook ter zitting is toegelicht, gaat het hierbij niet om een juridische procedure. Dat eiser er in het belang van zijn dochter voor heeft gekozen om via mediation tot een nieuwe omgangsregeling te komen valt te waarderen maar maakt niet dat daarmee sprake is van een procedure zoals bedoeld in Werkinstructie 2020/16 en Werkinstructie 2026/3. Daarin is vermeld dat het om een procedure bij de rechtbank moet gaan. Artikel 8 EVRM
9. Eiser voert aan dat de minister in het bestreden besluit ten onrechte het economisch belang van de Nederlandse staat zwaarder heeft laten wegen dan het belang van eiser en zijn dochter om niet van elkaar gescheiden te worden. Dit omdat ten onrechte niet is meegewogen dat eiser al lange tijd in Nederland woont en hier sterke banden en een privéleven heeft opgebouwd. Daarnaast heeft hij het gezag over zijn dochter. Ook heeft de rechtbank een omgangsregeling vastgesteld maar frustreert de moeder de omgang van eiser moet zijn dochter. Dit maakt mede dat er zorgen zijn over de dochter en dat een gezinscoach is aangesteld. Ten aanzien van de omgangsregeling loopt er bovendien nog een procedure. Deze zou, ingevolge het beleid, afgewacht moeten kunnen worden, Ook moet de minister bij de beoordeling betrekken dat eiser na zijn vergunningverlening direct inzetbaar is op de arbeidsmarkt. Hiermee is geen rekening gehouden waardoor er een te zwaar gewicht is toegekend aan het economisch belang van de Nederlandse overheid. 9.1. Uit vaste rechtspraak van het EHRM, bijvoorbeeld het arrest van 3 oktober 2014, Jeunesse tegen Nederland, volgt dat indien het gaat om een eerste toelating en de vreemdeling het gezinsleven heeft geïntensiveerd terwijl hij niet zeker wist of hij mocht blijven, het niet toestaan van verblijf slechts in uitzonderlijke omstandigheden (‘exceptional circumstances’) in strijd is met artikel 8 van het EVRM. Bij de beoordeling of zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen moet de minister alle relevante omstandigheden betrekken, ter bepaling van het gewicht dat toekomt aan enerzijds het belang van de vreemdeling en diens familielid en anderzijds het belang van de Nederlandse overheid, en vervolgens die belangen tegen elkaar afwegen. 9.2. De rechtbank oordeelt dat de minister in het kader van artikel 8 van het EVRM een zorgvuldige en voldoende gemotiveerde belangenafweging heeft gemaakt en heeft kunnen concluderen dat het belang van de Nederlandse overheid in dit geval zwaarder weegt dan de persoonlijke belangen van eiser. Weliswaar heeft de minister niet meegewogen dat eiser ook het gezag over zijn dochter heeft – klaarblijkelijk omdat deze informatie eerst in beroep is overgelegd – maar daar staat tegenover dat, zoals eerder overwogen is, niet gebleken is dat eiser meer dat marginale zorg- en opvoedingstaken verricht. Ook is geoordeeld dat er geen sprake is van frustratie waar eiser in dat kader een beroep op heeft gedaan. Ten aanzien van het gestelde privéleven heeft de minister zich op het standpunt mogen stellen dat dit onvoldoende is onderbouwd en bovendien is opgebouwd in een periode waarin hoogstens sprake was van procedureel rechtmatig verblijf. Dat er in verband met de omgangsregeling nog een juridische procedure loopt is, zoals eerder overwogen, de rechtbank niet gebleken. Eiser stelling, dat hij na de vaststelling van zijn verblijfsrecht direct aan de slag zou kunnen, heeft de minister met de enkele schriftelijke toezegging van de eigenaar van Abu-Junkfood ook onvoldoende onderbouwd mogen vinden. Daarbij heeft de minister naar het oordeel van de rechtbank ook de belangen van eisers dochter voldoende betrokken. Dat er zorgen zijn over de dochter en een gezinscoach is aangesteld heeft voor de minister geen aanleiding hoeven vormen voor een ander oordeel. Belang van het kind
10. In het bestreden besluit wordt er volgens eiser ten onrechte van uitgegaan dat een kind slechts één hechtingsfiguur heeft en dat dat degene is die het kind het meest verzorgt. Hierbij wordt voorbijgegaan aan het onderzoek dat ten grondslag ligt aan de definitie ‘hechtingsfiguur’ en wat dit voor de dochter betekent. Ook wordt weer onjuist gesteld dat eiser geen daadwerkelijke zorg- en opvoedtaken heeft en geen ouderlijk gezag. Daarbij heeft de rechtbank besloten dat de omgang in het belang van het kind is en de hulpverlening onderschrijft dat. De scheiding zal grote impact op de dochter hebben. Contact houden op afstand is op haar leeftijd bijna niet mogelijk; bovendien zal de moeder daar haar medewerking niet aan verlenen waardoor het contact verbroken zal worden. 10.1. De rechtbank volgt het standpunt van eiser niet dat de belangen van zijn dochter onvoldoende bij het bestreden besluit zijn betrokken. Zo heeft de minister voldoende gemotiveerd dat eisers zorg- en opvoedingstaken slechts marginaal zijn, wat betekent dat het zwaartepunt van de zorg- en opvoedingstaken nadrukkelijk bij de moeder ligt. Aangegeven is dat aannemelijk wordt geacht dat eiser een goede band heeft met zijn dochter maar dat niet is gebleken dat sprake is van een dusdanig hechte en affectieve relatie dat er door het vertrek van eiser een risico zou ontstaan voor haar emotionele en geestelijke ontwikkeling. Eiser zou vanuit Guinee via moderne communicatiemiddelen op afstand contact met zijn dochter kunnen houden en (op termijn) zouden over en weer bezoeken kunnen worden afgelegd. De rechtbank realiseert zich dat deze situatie verre van ideaal is, maar volgt de minister in het standpunt dat er geen zwaarwegende redenen zijn aangevoerd waarom dit, gezien het belang van de dochter, niet mogelijk zou zijn. Ten aanzien van de door de minister geïntroduceerde hechtingsfiguurtheorie volgt de rechtbank de door de minister gegeven toelichting dat niet bedoeld is te zeggen dat een kind niet meerdere hechtingsfiguren in zijn leven kan kennen, maar dat eiser, door de marginale zorg- en opvoedtaken en het ontbreken van een afhankelijkheidsrelatie met zijn dochter niet als zodanig kan worden beschouwd. Onevenredige hardheid
11. Eiser heeft zich op het standpunt gesteld dat, gezien de omstandigheden van het geval, sprake is van onevenredige hardheid indien het verblijfsrecht niet wordt toegekend. Eiser en zijn dochter hebben een zeer hechte band en deze zal na eisers vertrek door de moeder gefrustreerd worden waardoor de ontwikkeling van de dochter in gevaar zal komen. 11.1 Onder verwijzing naar hetgeen eerder is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat niet gebleken is van omstandigheden die maken dat er sprake is van onevenredige hardheid. Overwogen is dat inderdaad wordt aangenomen dat er sprake is van een goede band tussen vader en dochter maar dat het vertrek van eiser geen onevenredig zware impact op de dochter zal hebben. Ook is niet aangetoond dat de moeder het contact tussen eiser en zijn dochter na eisers vertrek zal frustreren. Daarnaast is er ook geen sprake van overige bijzondere, persoonlijke feiten en omstandigheden die maken dat de minister eiser het mvv-vereiste niet heeft mogen tegenwerpen omdat dit van onevenredige hardheid zou getuigen. Conclusie en gevolgen 12. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Hij krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. L.J. van der Veen, rechter, in aanwezigheid van
mr. P.C.J. Lindeijer, griffier, op 4 augustus 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl. griffier rechter De uitspraak is openbaar en bekendgemaakt op: Informatie over het hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. AWB 23/923. Europees verdrag voor de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Nr. 202303424/1/V1. Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Machtiging voor voorlopig verblijf. Artikel 16, lid 1, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000). Hof van Justitie van de Europese Unie. ECLI:EU:C:2017:354. Zie het arrest Chavez-Vilchez, punt 63, en de daar aangehaalde rechtspraak. Zie het arrest Chavez-Vilchez, punt 70. Op grond van artikel 8, onder e, van de Vw 2000. Vreemdelingencirculaire 2000. ECLI:NL:RVS:2024:3693. ECLI:NL:RVS:2025:3344. Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie. ECLI:NL:RVS:2023:1962. ECLI:NL:RVS:2024:1821. ECLI:NL:RBDHA:2021:16848. Zie ook ECLI:NL:RBNHO:2022:4271, ECLI:NL:RBMNE:2021:5614 ECLI:NL:RBROT:2022:9846. ECLI:NL:RBDHA:2021:16848. Zie ook ECLI:NL:RBNHO:2022:4271, ECLI:NL:RBMNE:2021:5614 ECLI:NL:RBROT:2022:9846. Europees Hof voor de Rechten van de Mens. ECLI:CE:ECHR:2014:1003JUD001273810, paragrafen 108 en 114.