Menu

Filter op
content
PONT Klimaat

0

ECLI:NL:RBDHA:2026:21798

voorlopige voorziening hangende bezwaar uitstel van vertrek, vlucht overdracht Kroatië aangevraagd, spoedeisend belang niet onderbouwd, bezwaar geen redelijke kans van slagen, herhaaldelijk verzoeken om voorlopige voorziening, geen nieuwe medische informatie, verzoek afgewezen.

Rechtbank Den Haag 6 August 2026

Jurisprudentie – Uitspraken

ECLI:NL:RBDHA:2026:21798 text/xml public 2026-08-06T17:00:05 2026-08-05 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-08-04 NL26.43247 Uitspraak Voorlopige voorziening NL Middelburg Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:21798 text/html public 2026-08-05T08:51:17 2026-08-06 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:21798 Rechtbank Den Haag , 04-08-2026 / NL26.43247
voorlopige voorziening hangende bezwaar uitstel van vertrek, vlucht overdracht Kroatië aangevraagd, spoedeisend belang niet onderbouwd, bezwaar geen redelijke kans van slagen, herhaaldelijk verzoeken om voorlopige voorziening, geen nieuwe medische informatie, verzoek afgewezen.
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

zaaknummer: NL26.43247
uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen [verzoeker] , verzoeker
V-nummer: [V-nummer]

(gemachtigde: mr. J.J.J. Jansen),

en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder.
<?linebreak?>Procesverloop
Bij besluit van 28 juli 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van verzoeker tot uitstel van vertrek op grond van artikel 64 van de Vw afgewezen.

Verzoeker heeft tegen het bestreden besluit bezwaar gemaakt. Hij heeft daarnaast de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen in verband met zijn geplande overdracht naar Kroatië.

De voorzieningenrechter doet op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.
Overwegingen
Feiten en omstandigheden

1. De voorzieningenrechter gaat bij de beoordeling van het verzoek van verzoeker uit

van de volgende feiten en omstandigheden.

2. Verzoeker heeft op 8 november 2025 asiel aangevraagd in Nederland. Bij besluit

van 30 maart 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van

verzoeker niet in behandeling genomen op de grond dat Kroatië verantwoordelijk is voor de

behandeling daarvan. Bij uitspraak van 3 juni 2026 van deze rechtbank en zittingsplaats is het beroep van verzoeker tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag kennelijk ongegrond verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen.

3. Verzoeker heeft tegen deze uitspraak verzet gedaan. Verder heeft verzoeker de

voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Op 17 juni 2026 om 14:35 stond de overdracht van verzoeker aan Kroatië gepland door middel van een vlucht naar Zagreb. Bij uitspraak van 15 juni 2026 heeft de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen. De voorzieningenrechter heeft daarbij de door verzoeker overgelegde medische brief van zijn behandelend psycholoog van 4 juni 2026 betrokken en voorlopig geoordeeld dat niet is gebleken dat een aanzienlijke en onomkeerbare achteruitgang van de medische situatie van verzoeker voorzienbaar is.

4. Op 16 juni 2026 heeft verzoeker wederom een verzoek tot het treffen van een

voorlopige voorziening ingediend. Dit verzoek is bij uitspraak van 16 juni 2026 toegewezen met de motivering dat het belang van verzoeker om bij de behandeling van zijn verzet aanwezig te zijn, zwaarder weegt dan het belang van verweerder om verzoeker daarvoor al over te dragen aan Kroatië.

5. Bij uitspraak van 7 juli 2026 heeft de rechtbank het verzet van verzoeker

ongegrond verklaard. Het door verzoeker op 18 juni 2026 ingediende verzoek om een voorlopige voorziening is bij uitspraak van 7 juli 2026 afgewezen.

6. Verzoeker heeft op 30 juli 2026 de voorzieningenrechter opnieuw verzocht een voorlopige voorziening te treffen omdat de Dienst Terugkeer & Vertrek (DT&V) een vlucht zou hebben gepland om verzoeker op maandag 3 augustus 2026 over te dragen aan Kroatië. Uit informatie verkregen van de DT&V is echter gebleken dat voor verzoeker een vlucht is aangevraagd, er nog geen vluchtdatum bekend is en dat het gaat om een vrijwillige overdracht van verzoeker aan Kroatië.

7. Verzoeker heeft geen informatie overgelegd waaruit volgt dat inmiddels een vlucht voor hem geboekt is, hij daadwerkelijk zal worden overgedragen en dat het gaat om een gedwongen overdracht naar Kroatië. Het is aan verzoeker om te onderbouwen dat sprake is van spoedeisend belang op grond waarvan de voorlopige voorziening moet worden getroffen. Echter nu niet uitgesloten kan worden dat het spoedeisend belang geheel ontbreekt vergt de beoordeling van een verzoek om een voorlopige voorziening een voorlopige beoordeling van de rechtmatigheid van het bestreden besluit en, voor zover aangewezen, een afweging van de betrokken belangen.

8. Uit het bestreden besluit volgt dat verzoeker niet voldoet aan de voorwaarden om in aanmerking te komen voor uitstel van vertrek op grond van artikel 64 van de Vw. Verzoeker heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij niet naar Kroatië kan reizen. Daarnaast is niet gebleken dat overdracht van verzoeker naar Kroatië schending van artikel 3 van het EVRM tot gevolg heeft. Verweerder gaat er vanuit dat verzoeker een vergelijkbare medische behandeling in Kroatië kan krijgen.

9. Volgens paragraaf A3/7.4.2 van de Vreemdelingencirculaire 2000 past verweerder artikel 64 van de Vw niet toe wanneer een vreemdeling op grond van de Dublinverordening wordt overgedragen. Als uitgangspunt geldt gelet op het interstatelijk vertrouwensbeginsel, dat de medische voorzieningen in de verschillende lidstaten vergelijkbaar zijn en ook daadwerkelijk beschikbaar zijn voor zogeheten Dublinclaimanten. Het is aan verzoeker om met bewijsmiddelen aannemelijk te maken dat dit uitgangspunt in zijn geval niet op gaat en dat om die reden aan hem uitstel van vertrek moet worden verleend. Hierin is verzoeker naar oordeel van de voorzieningenrechter niet geslaagd. Verzoeker is er ook niet in geslaagd aannemelijk te maken dat overdracht aan Kroatië onoverkomelijke medische problemen tot gevolg heeft of dat deze overdracht een reëel en bewezen risico op een aanzienlijke en onomkeerbare achteruitgang in verzoekers gezondheidstoestand zal opleveren. Verzoeker heeft namelijk geen (andere) medische informatie overgelegd dan al beoordeeld in de hierboven vermelde procedures en waaruit blijkt dat hij in Kroatië niet kan worden behandeld, Nederland het meest aangewezen land is voor behandeling of dat overdracht aan Kroatië tot een aanzienlijk en onomkeerbare achteruitgang van de medische situatie leidt. De door verzoeker overgelegde brief van 15 juni 2026 van zijn behandelaren bij het [ziekenhuis] is inhoudelijk van gelijke strekking als de brief van 4 juni 2026 van dezelfde behandelaren en welke brief reeds is beoordeeld door deze rechtbank en zittingsplaats in de uitspraak van 15 juni 2026. Verweerder is gelet daarop niet gehouden om het BMA om advies te vragen en verweerder heeft wat betreft de overdracht in het bestreden besluit mogen volstaan met een verwijzing naar de toekomstige fit-to-fly beoordeling. De voorzieningenrechter vindt steun voor dit uitgangspunt in de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 28 juli 2014.

10. Gelet op al het voorgaande is de voorzieningenrechter van oordeel dat het bezwaar geen redelijke kans van slagen heeft. Dit betekent dat het verzoek om een voorlopige voorziening zal worden afgewezen. Dat betekent dus ook dat verzoeker de beslissing op bezwaar niet in Nederland mag afwachten en dat verweerder bevoegd is om verzoeker over te dragen aan Kroatië.

11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan op 4 augustus 2026 door mr. E.J. Govaers, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. S.D.C.J. Verheezen, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl

De uitspraak is bekendgemaakt op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Vreemdelingenwet 2000.

ECLI:NL:RBDHA:2026:14901.

ECLI:NL:RBDHA:2026:14904.

ECLI:NL:RBDHA:2026:16420.

ECLI:NL:RBDHA:2026:18739.

ECLI:NL:RBDHA:2026:18745.

Als bedoeld in artikel 8:81, eerste lid, van de Awb.

Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en fundamentele vrijheden.

ECLI:NL:RBDHA:2026:16240.

ECLI:NL:RVS:2014:2966.

Artikel delen