Jeugdstrafrecht – opzetaanranding: tik op de billen lokagente, terwijl verdachte haar voorbijreed op een fatbike (art. 241 Sr). Partiële vrijspraak: signalementen onvoldoende specifiek.
Rechtbank Den Haag 7 August 2026
Jurisprudentie – Uitspraken
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2026:22092
Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
07-08-2026
Datum publicatie
07-08-2026
Zaaknummer
09-211948-25
Rechtsgebied
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
ECLI:NL:RBDHA:2026:22092text/xmlpublic2026-08-07T16:58:112026-08-07Raad voor de RechtspraaknlRechtbank Den Haag2026-07-3009-211948-25UitspraakEerste aanleg - meervoudigNLDen HaagStrafrechtRechtspraak.nlhttp://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:22092text/htmlpublic2026-08-07T16:57:432026-08-07Raad voor de RechtspraaknlECLI:NL:RBDHA:2026:22092 Rechtbank Den Haag , 30-07-2026 / 09-211948-25 Jeugdstrafrecht – opzetaanranding: tik op de billen lokagente, terwijl verdachte haar voorbijreed op een fatbike (art. 241 Sr). Partiële vrijspraak: signalementen onvoldoende specifiek.
Rechtbank DEN HAAG Meervoudige kamer jeugdstrafzaken Parketnummers: 09-211948-25
Datum uitspraak: 30 juli 2026 Tegenspraak Vonnis van de rechtbank Den Haag in de zaak tegen de verdachte:
[verdachte]
(hierna: de verdachte),
geboren op [geboortedatum] 2011 te Woerden,
BRP-adres: [adres] . 1Het onderzoek ter terechtzitting
De strafzaak tegen de verdachte is behandeld op de besloten terechtzitting van 16 juli 2026. De officier van justitie in deze zaak is mr. A. Briejer en de raadsman van de verdachte is mr. L. Tricoli te Alphen aan den Rijn. De verdachte is op de terechtzitting verschenen. 2De tenlastelegging Aan de verdachte is ten laste gelegd dat: hij op één of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 6 maart 2025 tot en met 26 maart 20225 te Alphen aan den Rijn, althans in Nederland, met een persoon, te weten [aangeefster 1] , [aangeefster 2] en/of [aangeefster 3] een of meer seksuele handelingen heeft verricht, te weten
- het betasten, knijpen en/of slaan in/op de billen van die [aangeefster 1] , [aangeefster 2]
en/of [aangeefster 3]
terwijl hij, verdachte, wist, althans ernstige reden had om te vermoeden dat bij die [aangeefster 1] , [aangeefster 2] en/of [aangeefster 3] daartoe de wil ontbrak. 3De bewijsbeslissing3.1 Inleiding In maart 2025 heeft een vijftal vrouwen een melding gedaan bij de politie dat zij in de omgeving van het Weteringpad en de Compierekade in Alphen aan den Rijn door een jonge jongen op een fatbike op de billen waren geslagen. Onder hen waren de aangeefsters [aangeefster 1] en [aangeefster 2] . Naar aanleiding van deze meldingen vond op 26 maart 2025 een politieactie plaats om de jongen op te sporen. In het kader van deze actie kreeg politieagente [aangeefster 3] (hierna ook: aangeefster [aangeefster 3] ) de opdracht om, gekleed in burger, in de betreffende omgeving rond te lopen. Haar collega’s, eveneens in burger gekleed, hielden toezicht in de directe omgeving en onderhielden daarbij onderling contact met elkaar. Toen [aangeefster 3] op de Compierekade liep, kreeg zij van een collega het bericht dat er een jongen op een fatbike was gezien die in haar richting reed. Kort daarna voelde zij een klap op haar billen en zag zij dat zij werd ingehaald door een jongen op een fatbike. De verdachte werd vervolgens korte tijd later in de omgeving aangehouden. 3.2 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de ten laste gelegde aanranding van aangeefster [aangeefster 3] . Ten aanzien van de ten laste gelegde aanrandingen van aangeefsters [aangeefster 1] en [aangeefster 2] heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat de verdachte daarvan partieel dient te worden vrijgesproken. Daartoe heeft hij aangevoerd dat de aangeefsters weliswaar betrouwbaar hebben verklaard, maar dat de door hen gegeven signalementen onvoldoende specifiek zijn om daarmee het daderschap van de verdachte vast te stellen. 3.3 Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft - op in de schriftelijke pleitnota weergegeven gronden - namens de verdachte vrijspraak bepleit van het ten laste gelegde. Op specifieke (bewijs)verweren wordt hierna - voor zover relevant - ingegaan. 3.4 Gebruikte bewijsmiddelen
De rechtbank heeft in bijlage I bij dit vonnis de wettige bewijsmiddelen met de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden opgenomen. 3.5 Bewijsoverwegingen Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte ten aanzien van alle ten laste gelegde aanrandingen dient te worden vrijgesproken wegens het ontbreken van wettig en overtuigend bewijs. Ten aanzien van de aanrandingen van de aangeefsters [aangeefster 1] en [aangeefster 2] heeft de raadsman aangevoerd dat deze aangiften op zichzelf staan en dat zich in het dossier geen objectieve bewijsmiddelen bevinden die deze aangiften ondersteunen. Volgens de raadsman kan de aanranding van [aangeefster 3] niet als schakelbewijs of ter ondersteuning van de aangiften van [aangeefster 1] en [aangeefster 2] worden gebruikt. Voor wat betreft de aanranding van aangeefster [aangeefster 3] heeft de raadsman aangevoerd dat er geen herkenning heeft plaatsgevonden op basis van het gezicht van de dader. Daarnaast zijn haar verklaringen over de haardracht van de dader onderling tegenstrijdig en worden deze volgens de raadsman weersproken door de foto van de verdachte die na zijn aanhouding is gemaakt. Verder heeft de raadsman aangevoerd dat de dader gedurende een periode uit het zicht is geweest, waardoor volgens de raadsman niet kan worden uitgesloten dat er sprake is geweest van een persoonsverwisseling. Tot slot heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat objectief steunbewijs ontbreekt en dat het alternatieve scenario, te weten dat een andere jongen op een fatbike de klap op de billen heeft gegeven, niet kan worden uitgesloten.
Het oordeel van de rechtbank
Aanranding van [aangeefster 3]
Anders dan door de raadsman is betoogd, is de rechtbank van oordeel dat op grond van de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de ten laste gelegde aanranding van aangeefster [aangeefster 3] . De verdachte heeft ontkend dat hij degene is geweest die aangeefster [aangeefster 3] op haar bil heeft geslagen. Hij heeft verklaard dat hij de hele weg langs de N11 aan de kant van Kerk en Zanen heeft gereden, en op enig moment het Rietveldsepad zou zijn op gereden om te keren. De verdachte heeft verklaard dat hij op dat moment een jongen op een fatbike met een capuchon op zijn hoofd, zijn kant op zag fietsen vanuit het Rietveldsepad en dat hij daarna door deze jongen werd ingehaald. Vervolgens zou de verdachte hebben gezien dat hij door een man op een scooter werd achtervolgd. De rechtbank volgt de verklaring van de verdachte dat sprake is geweest van een persoonsverwisseling niet. Daartoe is het volgende van belang. Op 26 maart 2025 omstreeks 14.00 uur begon aangeefster [aangeefster 3] in het kader van de eerdergenoemde politieactie aan haar wandeling in de omgeving van het Weteringpad en de Compierekade in Alphen aan den Rijn. Op het Weteringpad, nog voor het tunneltje onder de N11, kwamen haar omstreeks 14.10-14.15 uur twee jongens tegemoet fietsen die haar passeerden en verder fietsten in de richting van Kerk en Zanen. Aangeefster [aangeefster 3] liep door in de richting van het tunneltje onder de N11 en sloeg bij de kruising van het Weteringpad en de Compierekade linksaf de Compierekade op. Verbalisant [verbalisant] hoorde om 14.23 uur via de portofoon van zijn collega [naam 1] dat een jongeman op een fatbike vanaf het Weteringpad door het tunneltje onder de N11 in de richting van de Compierekade reed. Verbalisant [verbalisant] zag dat aangeefster [aangeefster 3] op dat moment op de Compierekade in de richting van de kaasboerderij [bedrijf] liep. Om 14.24 uur ontving aangeefster [aangeefster 3] van verbalisant [naam 1] het bericht dat er een fatbike in de richting van de Compierekade was gezien. Kort daarna voelde zij een klap op haar linker bil. Vervolgens werd zij ingehaald door een jongen op een fatbike, gekleed in een donkere broek en een donkerblauwe gewatteerde jas. Verbalisant [verbalisant] bevond zich ten tijde van de politieactie op het Ravelijnpad. Hij reed tijdens deze actie op een dienstscooter. Om 14.25 uur zag hij een jongen op een fatbike de Compierekade oprijden, in dezelfde richting als waarin aangeefster [aangeefster 3] liep. Hij zag dat de jongen haar passeerde, versnelde en hard wegfietste in de richting van de kaasboerderij. Op dat moment bevonden er zich geen andere personen in de omgeving. Verbalisant [verbalisant] hoorde van collega [naam 1] dat de jongen aangeefster [aangeefster 3] op de billen had geslagen en hij ontving het door de aangeefster [aangeefster 3] opgegeven signalement van deze jongen. Verbalisant [verbalisant] had constant zicht op de jongen op de fatbike, tot het moment dat de jongen bij de kaasboerderij aankwam. Daarna verloor hij de jongen uit het oog. Verbalisant [verbalisant] is het Rietveldsepad opgereden en kort daarna zag hij ter hoogte van nummer [nummer] , vanuit de richting van de kaasboerderij, een jongen op een fatbike rijden die voldeed aan het eerder door aangeefster [aangeefster 3] opgegeven signalement. Verbalisant [verbalisant] is achter deze jongen aangereden en heeft verklaard dat hij in de tussentijd geen andere personen op een fatbike, of andere personen die aan het opgegeven signalement voldeden, heeft gezien. Daarnaast volgt uit de verklaring van verbalisant [verbalisant] niet dat hij de jongen op de fatbike tijdens de achtervolging opnieuw uit het zicht is verloren. Kort daarna hield hij deze jongen, de verdachte, staande. Op basis van de bewijsmiddelen komt de rechtbank dan ook tot de conclusie dat de jongen op de fatbike die op de Compierekade aangeefster [aangeefster 3] passeerde en vervolgens in de richting van de kaasboerderij reed, degene is geweest die haar een klap op de billen heeft gegeven, en dat de jongen die kort daarna vanuit de richting van de kaasboerderij op het Rietveldsepad door verbalisant [verbalisant] werd gezien en gevolgd, dezelfde persoon betreft. Gelet op al het voorgaande en in het bijzonder op de korte tijd tussen alle hierboven genoemde waarnemingen – in onderling verband en samenhang bezien – is de rechtbank van oordeel dat het niet anders kan dan dat de verdachte degene is geweest die op 26 maart 2025 aangeefster [aangeefster 3] heeft aangerand door haar op haar billen te slaan, terwijl hij wist dat bij haar daartoe de wil ontbrak. Partiële vrijspraak
Met de raadsman en de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat de aanrandingen van [aangeefster 1] en [aangeefster 2] niet wettig en overtuigend bewezen kunnen worden verklaard. De rechtbank acht de verklaringen van aangeefsters weliswaar betrouwbaar, maar de door hen gegeven signalementen zijn onvoldoende specifiek om op grond daarvan het daderschap van verdachte vast te kunnen stellen. Bovendien bevinden zich in het dossier geen andere bewijsmiddelen die deze aangiften ondersteunen. De rechtbank spreekt de verdachte daarom partieel vrij van de aanrandingen van [aangeefster 1] en [aangeefster 2] . Conclusie
De rechtbank is van oordeel dat wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de opzetaanranding van aangeefster [aangeefster 3] . 3.6 De bewezenverklaring De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat: hij op 26 maart 2025 te Alphen aan den Rijn, met een persoon, te weten [aangeefster 3]een seksuele handeling heeft verricht, te weten
- het slaan op de billen van die [aangeefster 3]
terwijl hij, verdachte, wist, dat bij die [aangeefster 3] daartoe de wil ontbrak. 4De strafbaarheid van het bewezenverklaarde Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. 5De strafbaarheid van de verdachte De verdachte is strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten. 6De op te leggen straf6.1 De vordering van de officier van justitie De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een taakstraf, bestaande uit een werkstraf, voor de duur van 60 uren. De officier van justitie heeft gevorderd een gedeelte van 30 uren, subsidiair 15 dagen jeugddetentie, voorwaardelijk op te leggen met een proeftijd van twee jaren. 6.2 Het standpunt van de verdediging De verdediging heeft verzocht om bij een eventuele veroordeling een geheel voorwaardelijke werkstraf voor de duur van 30 uren aan de verdachte op te leggen. 6.3 Het oordeel van de rechtbank De rechtbank houdt bij de strafoplegging rekening met de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan uit het rapport en tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking. Ernst van het feit
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan opzetaanranding door het slachtoffer uit het niets op haar billen te slaan, terwijl hij haar voorbijreed op zijn fatbike. Daarmee heeft de verdachte het slachtoffer op een brutale en respectloze manier aangeraakt. Door zo te handelen heeft de verdachte inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer. Een dergelijk feit is voor het slachtoffer een nare en ingrijpende ervaring. Daarnaast kunnen dergelijke verwerpelijke gedragingen gevoelens van onveiligheid veroorzaken in de samenleving als geheel. Strafblad
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 10 juni 2026 waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld. Gelet hierop zal het strafblad niet als een strafverhogende omstandigheid worden aangemerkt. Het hebben van een blanco strafblad is immers het uitgangspunt. Persoon van de verdachte
De rechtbank heeft kennisgenomen van het rapport van de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) van 29 juni 2026 en de mondelinge toelichting die daarop door de deskundige ter zitting is gegeven. Daaruit volgt – kort samengevat – dat het recidiverisico van de verdachte als (heel) laag wordt ingeschat. Op alle domeinen worden veel beschermende factoren gezien. De verdachte heeft een goede band met zijn ouders, zij hebben goed zicht op hem en zij stellen duidelijke regels waar hij zich over het algemeen goed aan houdt. Daarnaast gaat hij naar school en zijn vrije tijd is positief ingevuld. Op de domeinen geestelijke gezondheid, vaardigheden, agressie en school zijn enkele risicofactoren aanwezig. Zo kan de verdachte impulsief of boos reageren, bijvoorbeeld wanneer hij wordt aangesproken. Het lukt hem niet altijd (juiste) sociale vaardigheden in te zetten. Ook presteert hij zwak op school en vertoont hij daar soms negatief gedrag. Hij lijkt moeite te hebben om passend gedrag te vinden binnen bijvoorbeeld een sociale setting zoals een school. Indien de verdachte schuldig wordt bevonden, volgt daaruit bovendien dat hij de seksuele grenzen van anderen niet altijd respecteert en zich schuldig heeft gemaakt aan seksueel grensoverschrijdend gedrag. De Raad is van mening dat een onvoorwaardelijke werkstraf de meest passende en pedagogisch aangewezen strafafdoening is. Een leerstraf is overwogen, maar wordt niet passend geacht. Er worden weliswaar vaardigheidstekorten bij de verdachte gezien, maar hiervoor is reeds hulp aanwezig De verdachte ontvangt begeleiding door een coach en vanuit [hulpverlener] worden psycho-educatie en medicatie ingezet. De Raad is van mening dat dit, ook gezien het zeer lage risico op recidive, voldoende is. Ook begeleiding door de jeugdreclassering wordt niet langer nodig of passend geacht, nu op de domeinen school, vrienden, middelengebruik en vrije tijd weinig tot geen risicofactoren worden gezien. Strafmodaliteit en strafmaat
De rechtbank heeft, naast het hiervoor genoemde, ook gekeken naar straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd en de LOVS-oriëntatiepunten voor de straftoemeting voor minderjarigen. Daarin is als uitgangspunt voor aanranding (eenmalig billen/borsten knijpen) een onvoorwaardelijke taakstraf vanaf 20 uren vermeld. De rechtbank ziet in dit geval geen reden om van vermeld uitgangspunt af te wijken. Zij zal daarom een taakstraf, bestaande uit een werkstraf, voor de duur van 20 uren, aan de verdachte opleggen. Anders dan door de officier van justitie is gevorderd, ziet de rechtbank geen aanleiding om een voorwaardelijke straf aan de verdachte op te leggen. Uit de rapportages en het verhandelde ter zitting blijkt dat het recidiverisico als (heel) laag wordt ingeschat. Daarnaast beschikt de verdachte over capabele en betrokken ouders, die de weg naar passende hulpverlening weten te vinden. Voorts weegt de rechtbank mee dat de verdachte, hoewel hij het bewezenverklaarde heeft ontkend, ter terechtzitting wel blijk heeft gegeven van inzicht in de onaanvaardbaarheid van dergelijk gedrag en hij heeft kunnen uitleggen waarom dit gedrag verwerpelijk is. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat een voorwaardelijk strafdeel niet noodzakelijk is om de verdachte ervan te weerhouden zich in de toekomst opnieuw schuldig te maken aan strafbare feiten. 7De vordering van de benadeelde partij
[aangeefster 2] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces. De benadeelde partij vordert ter vergoeding van immateriële schade een bedrag van € 750,-, te vermeerderen met de wettelijke rente. Ook is oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht. 7.1 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijk verklaring van de benadeelde partij. 7.2 Het standpunt van de verdediging De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vordering tot schadevergoeding, gezien de bepleite vrijspraak. 7.3 Het oordeel van de rechtbank De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering tot schadevergoeding, nu de verdachte wordt vrijgesproken van de ten laste gelegde aanranding van [aangeefster 2] , waarop de vordering betrekking heeft. Dit brengt mee dat de benadeelde partij moet worden veroordeeld in de kosten die de verdachte tot aan deze uitspraak in verband met zijn verdediging tegen die vordering heeft moeten maken. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil. 8De toepasselijke wetsartikelen De op te leggen straf is gegrond op de artikelen: - 77a, 77g, 77m, 77n en 241 van het Wetboek van Strafrecht. Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden. 9De beslissing De rechtbank: bewezenverklaring
verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, zoals hierboven in paragraaf 3.6 bewezen is verklaard en kwalificeert dit als: opzetaanranding; verklaart niet wettig en overtuigend bewezen wat aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd en spreekt hem daarvan vrij; verklaart het bewezenverklaarde en de verdachte daarvoor strafbaar; straf
veroordeelt de verdachte tot: een taakstraf, bestaande uit een werkstraf, zijnde het verrichten van onbetaalde arbeid, voor de duur van 20 (TWINTIG) UREN; beveelt, voor het geval dat de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende jeugddetentie zal worden toegepast voor de duur van 10 (TIEN) DAGEN; de vordering van de benadeelde partij
verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering; veroordeelt de benadeelde partij in de kosten door de verdachte ter verdediging tegen de vordering gemaakt, en begroot deze kosten op nihil. Dit vonnis is gewezen door:
mr. T.E.F. Reijnders, kinderrechter, voorzitter,
mr. S. van der Harg, kinderrechter,
en mr. R.J. Wortelboer, kinderrechter,
in tegenwoordigheid van
mr. E.D.C. Donker Ladrón de Guevara, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 30 juli 2026.