Menu

Filter op
content
PONT Klimaat

0

ECLI:NL:RBDHA:2026:23109

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven. De minister heeft met de nieuwe geloofwaardigheidsbeoordeling in het geval van eiser niet gehandeld in strijd met het EVRM, het Unierecht en de rechtspraak van de Afdeling. Ook heeft de minister terecht ongeloofwaardig gevonden dat eiser zou zijn beschuldigd van diefstal en dat daarom...

Rechtbank Den Haag 19 August 2026

Jurisprudentie – Uitspraken

ECLI:NL:RBDHA:2026:23109 text/xml public 2026-08-19T12:00:04 2026-08-17 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-08-12 NL25.51264 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Zwolle Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:23109 text/html public 2026-08-17T12:44:20 2026-08-19 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:23109 Rechtbank Den Haag , 12-08-2026 / NL25.51264
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven. De minister heeft met de nieuwe geloofwaardigheidsbeoordeling in het geval van eiser niet gehandeld in strijd met het EVRM, het Unierecht en de rechtspraak van de Afdeling. Ook heeft de minister terecht ongeloofwaardig gevonden dat eiser zou zijn beschuldigd van diefstal en dat daarom een strafzaak zou zijn gestart. Daarnaast heeft de minister terecht ongeloofwaardig gevonden dat eiser als deserteur wordt aangemerkt. Tot slot heeft eiser geen gegronde vrees voor vervolging als hij wordt opgeroepen voor de militaire dienst. Beroep ongegrond.
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Zwolle

Bestuursrecht

zaaknummer: NL25.51264
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser], V-nummer: [V-nummer], eiser
(gemachtigde: mr. W. Spijkstra),

en
de minister van Asiel en Migratie,
(gemachtigde: mr. J.D. Albarda).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser. Eiser is het hier niet mee eens. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven. De minister heeft met de nieuwe geloofwaardigheidsbeoordeling in het geval van eiser niet gehandeld in strijd met het EVRM, het Unierecht en de rechtspraak van de Afdeling. Ook heeft de minister terecht ongeloofwaardig gevonden dat eiser zou zijn beschuldigd van diefstal en dat daarom een strafzaak zou zijn gestart. Daarnaast heeft de minister terecht ongeloofwaardig gevonden dat eiser als deserteur wordt aangemerkt. Tot slot heeft eiser geen gegronde vrees voor vervolging als hij wordt opgeroepen voor de militaire dienst. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiser heeft de minister gevraagd om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen. De minister heeft met het bestreden besluit van 14 oktober 2025 deze aanvraag in de algemene procedure afgewezen als ongegrond.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 23 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister. Eiser is niet verschenen.
Beoordeling door de rechtbank
Het asielrelaas

3. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Eiser is er ten onrechte van beschuldigd dat hij geld heeft gestolen op zijn werk. Daarop is een strafzaak gevolgd. Eiser krijgt daarin geen eerlijke behandeling en riskeert een gevangenisstraf. Eiser wordt bovendien gezien als deserteur omdat hij geen gehoor geeft aan oproepen voor de militaire dienstplicht. Daarmee riskeert eiser ook een gevangenisstraf. Tot slot heeft eiser problemen met zijn familie omdat zijn ouders uit elkaar zijn gegaan.

Het bestreden besluit

4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende relevante elementen:

- de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser;

- de problemen met het werk;

- de oproepen voor de militaire dienstplicht.
4.1.
De minister vindt de identiteit, nationaliteit en herkomst geloofwaardig maar de problemen met het werk door de onterechte beschuldiging van diefstal en de strafzaak niet. De minister vindt ook de oproepen voor de militaire dienstplicht niet geloofwaardig. Het is wel aannemelijk dat eiser bij terugkeer naar Algerije in militaire dienst moet maar dat levert op zichzelf geen vluchtelingschap op. De minister heeft daarom de aanvraag afgewezen.

Is de 'nieuwe geloofwaardigheidsbeoordeling' in lijn met het EVRM, het Unierecht en rechtspraak van de Afdeling?

5. Eiser voert aan dat de minister de geloofwaardigheid van het asielrelaas heeft beoordeeld aan de hand van de ‘nieuwe geloofwaardigheidsbeoordeling’, zoals neergelegd in WI 2024/6. Deze beoordeling is niet in lijn met het EVRM, het Unierecht en rechtspraak van de Afdeling. Als een vreemdeling niet voldoet aan een van de vijf geloofwaardigheidsvoorwaarden, dan krijgt hij niet het voordeel van de twijfel en vindt de minister zijn verklaringen ongeloofwaardig. Als een vreemdeling bijvoorbeeld geen documenten aanlevert en hem daarvan een verwijt kan worden gemaakt, dan beoordeelt de minister zijn verklaringen als ongeloofwaardig ook al heeft de vreemdeling overtuigende verklaringen afgelegd. Deze werkwijze is te streng. De minister heeft hiermee ten onrechte het asielrelaas niet integraal beoordeeld, terwijl dat wel is voorgeschreven.
5.1.
De beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank oordeelt dat de minister niet in strijd met het EVRM, het Unierecht en rechtspraak van de Afdeling heeft gehandeld door de geloofwaardigheid van de verklaringen van eiser aan de hand van WI 2024/6 te beoordelen. De minister heeft beoordeeld of eiser documenten heeft overgelegd en, nu dit niet het geval is, of eiser een goede verklaring heeft gegeven voor het ontbreken van documenten. De minister heeft daarnaast beoordeeld of eisers verklaringen samenhangend en aannemelijk zijn. De minister heeft geoordeeld dat eiser niet aan beide voorwaarden voldoet. Hiermee heeft de minister de geldende cumulatieve geloofwaardigheidsvoorwaarden beoordeeld. Eiser heeft niet concreet gemaakt waarom de minister met deze handelswijze zijn asielaanvraag niet in lijn met het EVRM, het Unierecht en rechtspraak van de Afdeling zou hebben beoordeeld. Voor zover eiser in zijn beroepsgronden verwijst naar voorbeelden waarin de minister de nieuwe geloofwaardigheidsbeoordeling niet juist zou uitvoeren, overweegt de rechtbank dat dit gevallen zijn waarin de vreemdeling niet voldoet aan slechts een van de voorwaarden van de geloofwaardigheidsbeoordeling en/of waarin de vreemdeling in elk geval voldoet aan de voorwaarde dat zijn verklaringen aannemelijk en samenhangend zijn bevonden. Die gevallen zijn niet vergelijkbaar met de situatie van eiser. Wat eiser verder aanvoert over de nieuwe geloofwaardigheidsbeoordeling slaagt dan ook niet.

Zijn de beschuldiging van diefstal en de strafzaak geloofwaardig?

6. Eiser voert aan dat de minister ten onrechte heeft overwogen dat eiser pas in zijn zienswijze naar voren heeft gebracht dat hij in Algerije geen rechtsbescherming kan krijgen tegen de onterechte beschuldiging dat hij op zijn werk geld zou hebben gestolen. Eiser heeft deze stelling in het nader gehoor immers al ingenomen. Op de zitting heeft de gemachtigde van eiser daaraan toegevoegd dat eiser duidelijk heeft verklaard dat hij bang is voor de gevolgen van de beschuldiging en waarom.
6.1.
Het is juist dat de minister in het bestreden besluit heeft overwogen dat eiser pas in de zienswijze naar voren heeft gebracht dat hij in Algerije geen rechtsbescherming kan krijgen, terwijl eiser dat in het nader gehoor al naar voren heeft gebracht. Dat maakt echter nog niet dat eiser aannemelijk heeft gemaakt dat hij in Algerije geen rechtsbescherming kan krijgen. Eiser heeft deze stelling namelijk niet concreet gemaakt, terwijl dat wel op zijn weg lag.
6.2.
De rechtbank oordeelt daarnaast dat de minister terecht eisers verklaringen ongeloofwaardig heeft geacht. De gemachtigde van eiser heeft op de zitting bevestigd dat er geen documenten zijn van een strafzaak die tegen eiser zou zijn gestart. De minister heeft terecht aangevoerd dat er van een strafzaak documenten moeten zijn. Te denken valt aan een aangifte, een uitnodiging voor een verhoor of een oproep voor een zitting. Eiser heeft daar niets tegenovergesteld. De minister heeft ook terecht overwogen dat eisers verklaringen onsamenhangend en onaannemelijk zijn. Hoewel eiser op zijn werk beschuldigd zou zijn van diefstal en er een strafzaak tegen hem zou volgen, heeft eiser daar niets meer van gehoord nadat hij van zijn werk is vertrokken. Ook is het onaannemelijk dat eiser de naam van de directrice op zijn werk niet meer weet, terwijl zij hem zou hebben gebeld over de volgens eiser onterechte beschuldiging van diefstal. De enkele stelling van eiser dat hij duidelijk heeft verklaard dat hij angst heeft en waarom, is onvoldoende voor een ander oordeel. Tot slot heeft de minister er terecht op gewezen dat eiser legaal het land heeft kunnen verlaten.
6.3.
De beroepsgrond van eiser slaagt niet.

Is het geloofwaardig dat eiser als deserteur wordt aangemerkt?

7. Eiser voert aan dat de minister ten onrechte heeft overwogen dat hij pas in de zienswijze naar voren heeft gebracht dat hij vreest dat hij bij terugkeer wordt vervolgd wegens het ontduiken van de militaire dienstplicht (desertie). Eiser heeft dit al tijdens het nader gehoor naar voren gebracht. Daarnaast is eiser bang dat hij bij terugkeer naar Algerije wordt gearresteerd omdat hij een deserteur is.
7.1.
Wat eiser in dit verband aanvoert over het moment waarop hij zijn stelling naar voren heeft gebracht, is feitelijk onjuist. In het bestreden besluit heeft de minister overwogen dat eisers verklaring dat hij bij terugkeer wegens desertie gearresteerd kan worden in het voornemen al is besproken. De minister heeft daarbij niet overwogen dat eiser pas in de zienswijze naar voren heeft gebracht dat hij een risico loopt op vervolging wegens desertie. De minister heeft in het bestreden besluit wel overwogen dat eiser daaraan in de zienswijze heeft toegevoegd dat hij voorgeleid kan worden voor een militaire rechtbank en een gevangenisstraf van twee tot vijf jaar kan krijgen. Dat is juist. Eiser heeft dat niet naar voren gebracht in het nader gehoor maar pas in de zienswijze.
7.2.
De rechtbank oordeelt daarnaast dat de minister eisers verklaringen terecht ongeloofwaardig heeft gevonden. Eiser heeft zijn verklaringen niet met documenten onderbouwd en heeft ook geen goede verklaring gegeven voor het ontbreken van documenten. Tijdens het nader gehoor heeft eiser verklaard dat hij zijn vader om een foto van een van de oproepen heeft gevraagd, maar hij heeft die foto niet overgelegd en daar ook geen goede verklaring voor gegeven. De minister heeft ook terecht geoordeeld dat eiser niet samenhangend en aannemelijk heeft verklaard over de oproepen voor de militaire dienst. De verklaring dat eiser als deserteur wordt gezien is immers alleen gebaseerd op het vermoeden van een vriend maar niet op concrete informatie waaruit blijkt dat eiser zou zijn opgeroepen. Op de zitting heeft de gemachtigde van eiser bovendien verklaard dat eiser bij elke oproep voor de militaire dienst uitstel heeft gekregen wegens zijn studie. Ook als geloofwaardig zou zijn dat eiser zou zijn opgeroepen, dan nog valt niet in te zien waarom eiser nu als deserteur zou worden aangemerkt.
7.3.
De beroepsgrond van eiser slaagt niet.

Heeft eiser een gegronde vrees voor vervolging omdat hij wordt opgeroepen voor de militaire dienst?

8. Eiser voert aan dat hem bij terugkeer naar Algerije een gevangenisstraf staat te wachten omdat hij geen gehoor wil geven aan de oproep voor de militaire dienst. Daarmee heeft hij een gegronde vrees voor vervolging.
8.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. De minister heeft terecht overwogen dat de vrees om in militaire dienst te moeten op zichzelf niet tot vluchtelingschap leidt. Daarvoor gelden bijkomende vereisten. De gemachtigde van eiser heeft op de zitting aangevoerd dat Algerije in oorlog met een ander land zou zijn. Wat hiervan ook zij, met deze enkele stelling is op geen enkele wijze inzichtelijk gemaakt dat eiser voldoet aan de bijkomende vereisten.
Conclusie en gevolgen
9. De minister heeft de aanvraag terecht afgewezen als ongegrond. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser moet terugkeren naar Algerije. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G.J. Wilts, rechter, in aanwezigheid van

mr. S. Jongmans, griffier.

Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).

Werkinstructie.

Zoals neergelegd in artikel 4, vijfde lid, van de Kwalificatierichtlijn en artikel 31, zesde lid, van de Vw.

Op grond van artikel 46, derde lid, van de Procedurerichtlijn.

Paragraaf 14 van de zienswijze. Uit pagina 12 van het nader gehoor volgt dat eiser wel heeft verklaard dat hij een straf in een militaire gevangenis riskeerde, maar dat hij niet precies wist hoelang de gevangenisstraf was.

Artikel delen