Menu

Filter op
content
PONT Klimaat

0

ECLI:NL:RBDHA:2026:23971

spoedvovo, onzorgvuldig besluit, toegewezen, geplande uitzetting Armenië wordt verboden

Rechtbank Den Haag 24 August 2026

Jurisprudentie – Uitspraken

ECLI:NL:RBDHA:2026:23971 text/xml public 2026-08-24T17:40:55 2026-08-24 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-08-24 AWB 26-12863 en AWB 26-12867 Uitspraak Voorlopige voorziening NL Groningen Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:23971 text/html public 2026-08-24T17:39:58 2026-08-24 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:23971 Rechtbank Den Haag , 24-08-2026 / AWB 26-12863 en AWB 26-12867
spoedvovo, onzorgvuldig besluit, toegewezen, geplande uitzetting Armenië wordt verboden

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

zaaknummers: AWB 26/12863 en AWB 26/12867
uitspraak van de voorzieningenrechter van 24 augustus 2026 in de zaken tussen
<?linebreak?> [naam 1] , verzoeker,
geboren op [datum 1] , V-nummer: [nummer 1]
[naam 2] , verzoekster,
geboren op [datum 2] ,V-nummer: [nummer 2]

gezamenlijk: verzoekers,

beiden van Armeense nationaliteit,

(gemachtigde: mr. N.B. Swart),

en
de minister van Asiel en Migratie,
(gemachtigde: mr. M. Weerman).
Inleiding
In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op de verzoeken om een voorlopige voorziening te treffen tegen de uitzetting van verzoekers naar Armenië op 25 augustus 2026 om 18:30 uur.

De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak de verzoeken om een voorlopige voorziening toe. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet. Procesverloop

3. Verzoekers zijn in december 2009 naar Nederland gekomen en zij hebben op 19 februari 2010 -samen met hun kinderen- asiel aangevraagd. Deze aanvragen zijn op 23 september 2010 afgewezen. Het door hen ingediende beroep en hoger beroep is ongegrond verklaard. Nadien hebben verzoekers meerdere malen uitstel van vertrek gevraagd. Aan verzoeker is voor het laatst in 2015 en 2016 uitstel van vertrek verleend.

4. Verzoekers hebben op 18 augustus 2022 onderhavige aanvragen ingediend voor een reguliere verblijfsvergunning met als verblijfsdoel ‘privéleven als bedoeld in artikel 8 van het EVRM’. De minister heeft deze aanvragen met de besluiten van 22 november 2022 afgewezen. Met de bestreden besluiten van 3 augustus 2026 op de bezwaren van verzoekers is de minister bij de afwijzing van de aanvragen gebleven. Verzoekers hebben hiertegen beroep ingesteld en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.

5. De minister heeft op de verzoeken gereageerd met een verweerschrift.

6. Door verzoekers is gereageerd op het verweerschrift en door de minister is gereageerd op de reactie van verzoekers.

7. Uit de brief van de Dienst Terugkeer en Vertrek van 20 augustus 2026 blijkt dat de minister voornemens is om verzoekers op 25 augustus 2026 om 18:30 uur uit te zetten naar Yerevan (Armenië).
Beoordeling door de voorzieningenrechter
8. Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb kan de voorzieningenrechter op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

9. Op grond van artikel 8:83, vierde lid, van de Awb kan de voorzieningenrechter zonder zitting uitspraak doen, als onverwijlde spoed dat vereist en partijen daardoor niet in hun belangen worden geschaad. De voorzieningenrechter ziet in dit geval aanleiding om partijen niet uit te nodigen voor een zitting, gelet op de korte termijn tot aan de voorgenomen uitzetting van verzoekers op 25 augustus 2026. Partijen worden hierdoor niet in hun belangen geschaad, nu verzoekers de gronden van hun verzoek naar voren hebben kunnen brengen en de minister daarop heeft kunnen reageren.

10. Verzoekers vragen de voorzieningenrechter om te bepalen dat uitzetting op 25 augustus 2026 achterwege blijft en dat zij de behandeling van de beroepen in Nederland mogen afwachten. Verzoekers hebben hierbij verschillende gronden aangevoerd. Onder meer wordt aangevoerd dat de minister verzoekers ten onrechte verwijt dat het BMA geen medisch advies heeft kunnen opstellen, omdat zij -ondanks meerdere verzoeken aan het adres van de huisarts- niet de gevraagde medische informatie over de actuele medische situatie van verzoekers heeft ontvangen. Verzoekers stellen dat zij hiervan niet op de hoogte zijn gesteld door de minister en dat zij dus niet konden weten dat noodzakelijke medische informatie ontbrak. Verzoekers voeren aan dat zij tot op heden nog steeds niet weten welke medische informatie ontbreekt.

Is sprake van een spoedeisend belang?

11. Tussen partijen is niet in geschil dat sprake is van spoedeisend belang. De voorzieningenrechter is, gelet op de voorgenomen uitzetting van verzoekers op 25 augustus 2026, eveneens van oordeel dat sprake is van een spoedeisend belang.

Heeft het beroep een redelijke kans van slagen?

12. Uit het overgelegde dossier blijkt -voor zover van belang- verder het volgende.

13. Op 21 november 2025 is er een brief naar de huisarts van verzoekers gestuurd met daarin aangegeven welke medische informatie overgelegd moet worden om een BMA-advies te kunnen uitbrengen. Op 11 en 29 december 2025 zijn rappelbrieven gestuurd naar de huisarts. Op 14 januari 2026 is vervolgens een brief naar verzoekers verstuurd met daarin het verzoek om de benodigde medische informatie op te vragen bij de huisarts. Verzoekers hebben twee maal om uitstel gevraagd en hebben vervolgens op 3 en 8 maart 2026 het stuk ‘Bijlage bewijs omtrent medische situatie vreemdeling’ verstuurd. Naar aanleiding hiervan is op 19 maart 2026 aanvullende informatie gevraagd aan de huisarts over de actuele medische situatie van verzoekers. Omdat een reactie van de huisarts uitbleef, zijn er op 9 en 22 april 2026 rappels verstuurd naar de huisarts. Op 7 mei 2026 heeft het BMA ten aanzien van verzoekster en op 18 mei 2026 ten aanzien van verzoeker een nota niet inhoudelijke afdoening opgemaakt. Hierin is aangegeven dat er onvoldoende medische informatie aanwezig is om tot een zorgvuldig medisch advies te komen.

14. De minister heeft in het aanvullend verweerschrift van 21 augustus 2026 aangegeven dat uit het verzendsysteem volgt dat de nota niet inhoudelijke afdoening van het BMA met de besluiten van 3 augustus 2026 is meegestuurd. De minister heeft een printscreen van de verzendadministratie overgelegd in de zaak van verzoekster. Volgens de minister hadden verzoekers daarnaast navraag kunnen doen bij de huisarts of de benodigde informatie al was verstuurd. Ook na de nota niet inhoudelijke afdoening had contact met de huisarts gezocht kunnen worden.

15. De voorzieningenrechter stelt vast dat uit het dossier niet blijkt dat verzoekers op enig moment op de hoogte zijn gesteld van het gegeven dat de huisarts de ontbrekende informatie, waarom is verzocht in de brief van 19 maart 2026, niet heeft verstrekt aan het BMA. De voorzieningenrechter stelt vast dat uit de meegestuurde printscreen van de verzendadministratie in de zaak van verzoekster volgt dat de status van de nota op ‘definitief’ staat en dat de richting van de poststroom op ‘binnenblijvend’ staat. Hieruit kan de voorzieningenrechter niet afleiden dat de nota daadwerkelijk naar verzoekster is verstuurd, zodat de minister niet wordt gevolgd in het standpunt dat verzoekers naar aanleiding van de nota contact hadden kunnen opnemen met de huisarts. De voorzieningenrechter onderkent dat er meerdere rappels zijn verstuurd naar de huisarts, dat de minister de eerdere uitstelverzoeken van verzoekers heeft toegewezen en dat de minister verzoekers eerder de gelegenheid heeft geboden om nadere, medische stukken te overleggen. Dit laat echter onverlet dat uit het dossier volgt dat verzoekers hebben gereageerd op het verzoek van de minister van 14 januari 2026 door middel van het overleggen van de ‘Bijlage bewijs omtrent medische situatie vreemdeling’. Dat de huisarts vervolgens niet heeft gereageerd op de informatieverzoeken van het BMA kan naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet zonder meer aan verzoekers worden toegerekend, nu uit het dossier niet blijkt dat verzoekers hiervan door de minister op de hoogte zijn gesteld. De voorzieningenrechter volgt verder niet het standpunt van de minister dat verzoekers zelf navraag hadden kunnen doen bij de huisarts, nu niet is gebleken dat zij bekend waren met het feit dat de benodigde informatie ontbrak. De voorzieningenrechter is dan ook van oordeel dat het besluit onzorgvuldig tot stand is gekomen, nu niet is gebleken dat verzoekers op de hoogte zijn gesteld van het ontbreken van de aanvullende medische stukken en het BMA geen medisch advies heeft kunnen uitbrengen aan de hand van de actuele medische situatie van verzoekers. De voorzieningenrechter is dan ook van oordeel dat de beroepen een redelijke kans van slagen hebben en ziet daarom aanleiding de gevraagde voorlopige voorzieningen toe te wijzen.
Conclusie en gevolgen
16. De voorzieningenrechter wijst de verzoeken om een voorlopige voorziening toe, schorst het bestreden besluiten en bepaalt dat verzoekers niet mogen worden uitgezet naar Armenië tot op de beroepen tegen de bestreden besluiten is beslist.

17. De voorzieningenrechter veroordeelt de minister in de door verzoekers gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 934,- (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).
Beslissing
De voorzieningenrechter:

- treft de voorlopige voorziening dat de bestreden besluiten worden geschorst en dat verzoekers niet mogen worden uitgezet naar Armenië tot op de beroepen tegen de bestreden besluiten is beslist; - veroordeelt de minister in de proceskosten van verzoekers tot een bedrag van € 934,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R. Tesfai, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van A.P. Kuiters, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.

Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op 24 augustus 2026.

griffier

voorzieningenrechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Op grond van artikel 3 van het Besluit proceskosten bestuursrecht is sprake van samenhangende zaken.

Artikel delen