Menu

Filter op
content
PONT Klimaat

0

ECLI:NL:RBDHA:2026:26475

Voorlopige voorziening procedure. Verweerder heeft het Nederlanderschap van verzoekster ingetrokken. Net als tijdens de voorlopige voorziening in de bezwaarprocedure ziet de voorzieningenrechter hangende beroep voldoende aanleiding om een voorziening te treffen door het bestreden besluit op te schorten tot zes weken na de uitspraak op het beroep.

Rechtbank Den Haag 22 September 2026

Jurisprudentie – Uitspraken

ECLI:NL:RBDHA:2026:26475 text/xml public 2026-09-22T17:01:01 2026-09-11 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-07-16 SGR 26/3964 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig Mondelinge uitspraak Proces-verbaal NL Den Haag Bestuursrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:26475 text/html public 2026-09-22T17:00:31 2026-09-22 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:26475 Rechtbank Den Haag , 16-07-2026 / SGR 26/3964
Voorlopige voorziening procedure. Verweerder heeft het Nederlanderschap van verzoekster ingetrokken. Net als tijdens de voorlopige voorziening in de bezwaarprocedure ziet de voorzieningenrechter hangende beroep voldoende aanleiding om een voorziening te treffen door het bestreden besluit op te schorten tot zes weken na de uitspraak op het beroep.

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 26/3964

proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 juli 2026 in de zaak tussen
<?linebreak?> [verzoekster] , uit [woonplaats] , verzoekster
(gemachtigde: mr. P.J. Schüller),

en
de minister van Justitie en Veiligheid, verweerder
(gemachtigde: mr. M.F.H. Hirsch Ballin).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoekster tegen het bestreden besluit van 15 april 2026 waarmee verweerder het bezwaar van verzoekster tegen het primaire besluit van 2 oktober 2025 strekkende tot de intrekking van haar Nederlanderschap heeft afgewezen.
1.1.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
1.2.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 16 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoekster, haar gemachtigde en de gemachtigde van verweerder.
Beslissing<?linebreak?>
De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
2. De voorzieningenrechter stelt voorop dat in de bodemprocedure meerdere complexe rechtsvragen aan de orde zijn die zich niet goed lenen voor beantwoording in een voorlopige voorzieningenprocedure. Net als in de voorlopige voorzieningenprocedure hangende bezwaar het geval was, zal het verzoek om een voorlopige voorziening daarom ook nu in beroep aan de hand van een belangenafweging worden beoordeeld.

3. De voorzieningenrechter is van oordeel dat de belangenafweging in het voordeel uitvalt van verzoekster. Met de uitspraak van 12 februari 2026 hangende de bezwaarprocedure heeft de voorzieningenrechter al geoordeeld dat dit met name te maken heeft met het belang van de minderjarige zoon van verzoekster, voor wie zij de volledige zorg draagt. Zo heeft de GZ-psycholoog van het LSE gesteld dat het van het allergrootste belang is voor het welzijn, de lichamelijke en mentale gezondheid van de zoon van verzoekster, dat hij zich veilig en geborgen kan blijven voelen in zijn thuis- en leefsituatie. Vaststaat dat verzoekster in geval van effectuering van het bestreden haar huisvesting kwijtraakt en haar recht op toeslagen verliest, waardoor zij niet meer over voldoende middelen kan beschikken om haar minderjarige zoon te onderhouden. Deze omstandigheden zijn sinds de uitspraak van de voorzieningenrechter hangende bezwaar niet veranderd. Dat betekent dat ook hangende beroep de conclusie blijft staan dat effectuering van het bestreden besluit een onmiskenbare invloed zal hebben op de psychische ontwikkeling van de minderjarige zoon. Verweerder heeft onvoldoende gemotiveerd waarom zijn belang zwaarder zou moeten wegen. Daarbij betrekt de voorzieningenrechter het forse tijdsverloop tussen de veroordeling van verzoekster en het primaire besluit en het gegeven dat uit de stukken onvoldoende blijkt dat verzoekster kan worden aangemerkt als een actueel gevaar voor de nationale veiligheid.

4. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening dan ook toe, in die zin dat het bestreden besluit van 15 april 2026 wordt geschorst tot zes weken na de bekendmaking van de uitspraak in beroep. Verder wordt verweerder veroordeeld tot betaling van de door verzoekster gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 934,- en wegingsfactor 1).
Beslissing
De voorzieningenrechter

wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe, in die zin dat het bestreden besluit van 15 april 2026 (strekkende tot de intrekking van het Nederlanderschap van verzoekster) wordt geschorst tot zes weken na de bekendmaking van de uitspraak in beroep;

veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan verzoekster.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.M. de Wit, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. R.J.P. Lindhout, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 16 juli 2026.

griffier voorzieningenrechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Op grond van artikel 14, tweede lid, aanhef en onder b, van de Rijkswet op het Nederlanderschap (RWN).

Artikel delen