vaststelling kinderalimentatie, samengesteld gezin, verschillende behoeften
Rechtbank Den Haag 23 September 2026
Jurisprudentie – Uitspraken
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2026:26632
Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
14-09-2026
Datum publicatie
23-09-2026
Zaaknummer
C/09/688811 / FA RK 25-5500
Rechtsgebied
Civiel recht; Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI:NL:RBDHA:2026:26632text/xmlpublic2026-09-23T15:00:132026-09-14Raad voor de RechtspraaknlRechtbank Den Haag2026-08-14C/09/688811 / FA RK 25-5500UitspraakEerste aanleg - enkelvoudigBeschikkingNLDen HaagCiviel recht; Personen- en familierechtRechtspraak.nlhttp://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:26632text/htmlpublic2026-09-23T14:57:532026-09-23Raad voor de RechtspraaknlECLI:NL:RBDHA:2026:26632 Rechtbank Den Haag , 14-08-2026 / C/09/688811 / FA RK 25-5500 vaststelling kinderalimentatie, samengesteld gezin, verschillende behoeften
Rechtbank DEN HAAG Enkelvoudige Kamer Rekestnummer: FA RK 25-5500
Zaaknummer: C/09/688811
Datum beschikking: 14 augustus 2026 Alimentatie en vaststelling bijzondere zorgregelingBeschikking op het op 18 juli 2025 ingekomen verzoek van:
[de vader] , de vader,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. R.A. van den Heuvel te Rijswijk. Als belanghebbende wordt aangemerkt:
[de moeder] , de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. I.R. Feddema te Amsterdam. Procedure De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder: het verzoekschrift van de vader met bijlagen; het gewijzigd verzoek van de vader met bijlage; het verweerschrift tevens verzoekschrift van de moeder met bijlagen het verweerschrift van de vader met bijlagen; het bericht van de moeder op 6 juli 2026 met bijlagen; het gewijzigd verzoek van de vader met bijlagen; het bericht van de moeder op 15 juli 2026 met bijlagen; het bericht van de vader op 15 juli 2026 met bijlagen. Op 17 juli 2026 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: de moeder met haar advocaat, de vader met zijn advocaat en [naam 1] namens de Raad voor de Kinderbescherming (de Raad). Van de zijde van de moeder zijn pleitnotities overgelegd. Feiten Ouders hebben een affectieve relatie gehad welke op [datum 1] 2023 is beëindigd. Zij zijn de ouders van de volgende minderjarige kinderen:
[minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2021 te [geboorteplaats] ;
[minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2022 te [geboorteplaats] . Ouders zijn gezamenlijk belast met het gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] door een aantekening in het gezagsregister van 12 juli 2021 en 29 augustus 2022.
[minderjarige 1] staat ingeschreven in het BRP op het adres van de vader.
[minderjarige 2] staat ingeschreven in het BRP op het adres van de moeder. Bij beschikking van 24 december 2024 van deze rechtbank is bepaald dat de kinderen in de oneven weken bij de vader verblijven en in de even weken bij de moeder. In voornoemde beschikking is eveneens een regeling opgenomen voor vakantie en feestdagen welke bij helfte zijn verdeeld. De vader heeft een relatie gehad met [naam 2] en uit deze relatie is het volgende nog minderjarige kind geboren:
- [minderjarige 3] , geboren op [geboortedatum 3] 2013. De vader heeft een geregistreerd partnerschap met [partner vader] en uit deze relatie is het volgende nog minderjarige kind geboren:
[minderjarige 4] , geboren op [geboortedatum 4] 2026. De moeder heeft een relatie met [partner moeder] en daaruit is een minderjarig kind geboren. Verzoek en verweer Het verzoek van de vader verzoekt de rechtbank voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, na wijziging, te bepalen dat: de moeder maandelijks, bij vooruitbetaling een bedrag aan € 76,- aan de vader dient te voldoen voor de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen; de bijzondere zorgregeling, ten aanzien van vakantie- en feestdagen, ten aanzien van vakantie- en feestdagen, zoals in productie 10 is geformuleerd aan de beschikking te hechten en derhalve te bekrachtigen met dien verstanden dat de zomervakantie afwijkend wordt geregeld van het schema; een bijzondere zorgregeling wordt vastgesteld ten aanzien van de zomervakantie zoals geformuleerd onder randnummer 8; de verjaardag van [minderjarige 2] zal worden gevierd bij de ouder, bij wie de kinderen conform de zomervakantieverdeling op dat moment verblijven; de kinderen op de verjaardag van [minderjarige 4] , alsmede het verjaardagsweekend, betreffende het weekend voor/na de verjaardag op zaterdag of zondag, bij de vader verblijven, zowel in de even als in de oneven jaren; beide ouders de kinderen door derden mogen laten halen en brengen, indien de ouder niet in staat is de kinderen op te halen of te brengen. Dit dient wel tijdig gecommuniceerd te worden aan de andere ouder; de moeder [minderjarige 2] inschrijft bij een huisarts op een reisafstand van maximaal 10 minuten vanaf haar woning (hoofdverblijfplaats [minderjarige 2] ), binnen een maand na de te wijzen beschikking; de vader [minderjarige 1] inschrijft bij dezelfde huisarts als waar de vader op datum beschikking zelf ook is ingeschreven, binnen een maand na de te wijzen beschikking; de paspoorten van de minderjarigen in het beheer zijn van de vader; ouders toezeggen elkaar bij wijze van overdracht van de kinderen na het wisselmoment in de zorgregeling een e-mail sturen met daarin de meest actuele situatie van de kinderen opgenomen; zowel [minderjarige 2] als [minderjarige 1] binnen één maand na de te wijzen beschikking worden ingeschreven bij tandartspraktijk [naam praktijk] . De moeder voert verweer dat hierna – voor zover nodig – zal worden besproken en verzoekt tevens zelfstandig: het verzoek van de vader om de hoogte van de bijdrage voor [minderjarige 2] op nihil te stellen af te wijzen en te bepalen dat de vader als bijdrage in de kosten van [minderjarige 2] met ingang van datum indiening verzoekschrift maandelijks aan de moeder € 394,- dient te betalen, dan wel zodanige bijdrage en met ingang van zodanige datum als de rechtbank juist acht; het verzoek van de vader om kinderalimentatie ten behoeve van [minderjarige 1] af te wijzen en te bepalen dat de vader aan de moeder als bijdrage in de kosten van [minderjarige 1] maandelijks € 146,- dient te betalen dan wel zodanige bijdrage en met ingang van zodanige datum als de rechtbank juist acht; de verzoeken van de vader onder II en VIII toe te wijzen; de verzoeken van de vader onder IV, V, VL VII en IX af te wijzen; te bepalen dat de moeder het paspoort van [minderjarige 2] in beheer heeft en dat de vader het paspoort van [minderjarige 1] in beheer heeft. Beoordeling Kinderalimentatie
Bij de vaststelling van de kinderalimentatie en de berekening neemt de rechtbank de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatie in het Rapport alimentatienormen als uitgangspunt. De rechtbank rondt in haar berekening de bedragen af op hele euro’s. Ingangsdatum
Om proceseconomische redenen stelt de rechtbank eerst de ingangsdatum vast. De rechtbank overweegt dat zij op grond van artikel 1:402 van het Burgerlijk Wetboek (BW) een grote mate van vrijheid heeft bij het vaststellen van de ingangsdatum. Aangezien de ouders uitvoering geven aan een co-ouderschapsregeling en hierdoor beiden kosten dragen en hebben gedragen voor de kinderen, acht de rechtbank het redelijk om de ingangsdatum te bepalen op de datum van de beschikking, zijnde 14 augustus 2026. Gezin 1: [minderjarige 1] en [minderjarige 2] Behoefte
Bij de berekening van de kinderalimentatie wordt eerst gekeken naar wat de kosten van een kind (de behoefte) zijn. De behoefte van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] is tussen ouders in geschil. De rechtbank zal daarom hierna de behoefte vaststellen. Voor het bepalen van de behoefte moet allereerst het netto besteedbaar inkomen (NBI) van beide ouders tijdens hun relatie worden bepaald. De rechtbank gaat voor het NBI van de moeder uit van een inkomen van € 40.365,- bruto per jaar inclusief vakantiegeld. De rechtbank gaat hierbij uit van de door de vader overlegde aangifte Inkomstenbelasting 2023. Op basis van de hiervoor genoemde uitgangspunten en rekening houdend met de in de aangehechte berekening opgenomen fiscale heffingskortingen en toeslagen, berekent de rechtbank haar NBI op het moment van de samenleving op € 2.694,- per maand. De rechtbank gaat voor het NBI van de vader uit van een inkomen van € 97.028,- bruto per jaar inclusief vakantiegeld. De rechtbank gaat hierbij uit van de door de vader overlegde aangifte Inkomstenbelasting 2023. Op basis van de hiervoor genoemde uitgangspunten en rekening houdend met de in de aangehechte berekening opgenomen fiscale heffingskortingen en toeslagen, berekent de rechtbank zijn NBI op het moment van de samenleving op € 4.947,- per maand. Het netto besteedbaar gezinsinkomen (NBGI) van ouders bedroeg in 2023 dus € 7.641,- per maand (€ 2.964 + € 4.947). Op basis van dit NBGI hadden ouders geen recht op een kindgebonden budget. Op basis van de tabel eigen aandeel kosten van kinderen 2023 leidt het voorgaande tot een behoefte van € 1.460,- per maand voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Geïndexeerd naar 2026 bedraagt deze behoefte € 1.727,- per maand, wat neerkomt op € 863,50 per kind. Draagkracht moeder
De ouders zijn het niet eens over het te hanteren inkomen van de moeder. De vader stelt dat de moeder een verdiencapaciteit heeft van € 45.600,- per jaar. De moeder heeft aangegeven dat zij gemiddeld 32 uur werkt waarbij zij 40 uur werkt in de week dat de kinderen bij de vader zijn en 24 uur in de week dat zij de zorg voor de kinderen draagt. De rechtbank acht het door de moeder voldoende aannemelijk gemaakt dat zij op deze wijze het voor haar hoogst haalbare aantal uren werkt. Voor de bepaling van de draagkracht van de moeder gaat de rechtbank daarom uit van een inkomen van € 2.004 bruto per 4 weken exclusief vakantiegeld. De rechtbank gaat hierbij uit van de salarisspecificaties mei t/m juli 2026. Het kindgebonden budget moet volgens vaste rechtspraak bij het inkomen van de desbetreffende ouder die het ontvangt, worden opgeteld. Aangezien [minderjarige 2] de hoofdverblijfplaats bij de moeder heeft, ontvangt de moeder voor hem het kindgebonden budget. De rechtbank berekent het kindgebonden budget aan de hand van bovenstaande inkomensgegevens. De rechtbank houdt verder rekening met: de pensioenpremie van € 63,-; de premievrijstelling AO-pensioen NN van € 2,-; de poliskosten pensioen NN van € 2,-; premie Whk van € 11,- (in redelijkheid). Tussen de ouders is verder in geschil of voor de bepaling van het draagkrachtloos inkomen van de moeder rekening moet worden gehouden met de maandelijkse aflossing van haar schuld bij DUO van € 100,-. Naar het oordeel van de rechtbank dient rekening gehouden te worden met de maandelijkse aflossing van de studieschuld bij DUO. De rechtbank acht deze last niet vermijdbaar noch verwijtbaar. De rechtbank acht een aflossingsbedrag van € 40,- per maand redelijk. Op basis van de hiervoor genoemde uitgangspunten en rekening houdend met in de aangehechte berekening opgenomen heffingskortingen en toeslagen, berekent de rechtbank haar NBI in 2026 op € 2.760,- per maand. De rechtbank verwijst hiervoor naar de aangehechte berekening. Omdat het NBI van de moeder hoger is dan € 2.200,-, zal de rechtbank voor de berekening van haar draagkracht de formule 70% x [NBI – (0,3 NBI + € 1.365,-)] gebruiken. De draagkracht van de moeder bedraagt: 70% x [2.760 – (828 + 1.365 + 40)] = € 369,- per maand. Draagkracht vader
De ouders zijn het niet eens over met welk inkomen van de vader moet worden gerekend voor zijn draagkracht. Voor de bepaling van de draagkracht van de vader gaat de rechtbank uit van een inkomen € 8.746,- bruto per maand exclusief vakantiegeld, te vermeerderen met de vaste en de vrije dertiende maand € 731,- (556 + 175). De rechtbank gaat hierbij uit van het gemiddelde van de salarisspecificaties maart t/m mei 2026 (8.659 + 8.789 + 8.798 / 3). Het kindgebonden budget moet volgens vaste rechtspraak bij het inkomen van de desbetreffende ouder die het ontvangt, worden opgeteld. Aangezien [minderjarige 1] de hoofdverblijfplaats bij de vader heeft, ontvangt de vader voor haar het kindgebonden budget. De rechtbank berekent het kindgebonden budget aan de hand van bovenstaande inkomensgegevens. De rechtbank houdt verder rekening met: de pensioenpremie van € 552,-; WGA Hiaat van € 4,-; WIA Loonderving van € 4,-; WN-premie PAWW van € 6,-; WGA-premie werknemer van €19,-; Internetvergoeding van € 10,-; Thuiswerkvergoeding van € 37,- (in redelijkheid). Tussen de ouders is in geschil of voor de bepaling van de draagkracht van de vader moet worden uitgegaan van zijn werkelijke woonlasten in plaats van het woonbudget. De vader heeft daartoe aangevoerd dat zijn werkelijke woonlasten € 1.907,- per maand bedragen en dat deze kosten duurzaam en niet verwijtbaar zijn. De rechtbank ziet in dit geval geen aanleiding om af te wijken van het woonbudget. De rechtbank is van oordeel dat de vader onvoldoende heeft onderbouwd waaruit zijn werkelijke woonlasten zijn opgebouwd, mede gelet op het feit dat hij twee hypotheken zou hebben afgelost met zijn partner. Daarnaast kan de vader zijn werkelijke woonlasten delen met zijn nieuwe partner, dus acht de rechtbank het redelijk om het woonbudget als uitgangspunt aan te houden. Tussen de ouders is ook in geschil of voor de bepaling van het draagkrachtloos inkomen van de vader moet worden uitgegaan van extra lasten van de vader. De vader stelt dat hij een extra last van € 71,99,- per maand heeft voor een lening bij Nationaal Warmtefonds ter verduurzaming van zijn woning. Volgens de vader is deze last niet verwijtbaar en vermijdbaar vanwege de verduurzaming van de woning. Daarnaast voert de vader aan dat hij een maandelijkse extra last heeft van € 312,95,- ten behoeve van zijn leaseauto. De vader stelt dat deze last niet vermijdbaar en verwijtbaar is, omdat hij deze auto nodig heeft voor zijn werk en voor het halen en brengen van de kinderen. De rechtbank is van oordeel dat de extra last voor de lening bij Nationaal Warmtefonds niet in de berekening dient te worden meegenomen, omdat deze verwijtbaar is. De vader heeft onvoldoende de noodzaak onderbouwd van het verduurzamen van de woning. Wat betreft de leaseauto is de rechtbank van oordeel dat deze bestaande last niet vermijdbaar en niet verwijtbaar is waardoor de rechtbank rekening houdt met een bedrag van € 313,- per maand. Op basis van de hiervoor genoemde uitgangspunten en rekening houdend met de in de aangehechte berekening opgenomen heffingskortingen en toeslagen, berekent de rechtbank zijn NBI in 2026 op € 5.816,- per maand. De rechtbank verwijst hiervoor naar de aangehechte berekening. Omdat het NBI van de vader ook hoger is dan € 2.200,-, zal de rechtbank voor de berekening van zijn draagkracht dezelfde formule gebruiken. De draagkracht van de vader bedraagt dan: 70% x [5.816 – (1.745 + 1.365 + 313)] = € 1.675,- per maand.
Draagkrachtvergelijking
De draagkracht van de ouders bedraagt gezamenlijk € 2.044,- per maand (€ 1.675 + € 369).
Dit is voldoende om in de behoefte van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te voorzien. De rechtbank zal daarom een draagkrachtvergelijking maken waarbij de behoefte naar rato van ieders draagkracht zal worden verdeeld. Hiervoor gebruikt de rechtbank de formule: ieders draagkracht gedeeld door de totale draagkracht vermenigvuldigd met de behoefte. Het eigen aandeel van de vader voor [minderjarige 1] bedraagt: 1.675/ 2.044 x 863,50= € 708
Het eigen aandeel van de vader voor [minderjarige 2] bedraagt: 1.675/ 2.044 x 1.727 = € 708 Het eigen aandeel van de moeder voor [minderjarige 1] bedraagt: 369 / 2.044 x 1.727 = € 156
Het eigen aandeel van de moeder voor [minderjarige 1] bedraagt: 369 / 2.044 x 1.727 = € 156 samen € 1.727 Van de totale behoefte van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] komt een gedeelte van € 1.415,- per maand, wat neerkomt op € 708,- per maand per kind voor rekening van de vader. Een gedeelte van € 312,- per maand, wat neerkomt op € 156,- per maand per kind komt voor rekening van de moeder. Gezin 2 met [minderjarige 4] Behoefte [minderjarige 4]
Om de behoefte van [minderjarige 4] te berekenen houdt de rechtbank voor de vader rekening met dezelfde inkomensgegevens als bij gezin 1 wat resulteert in een NBI van € 5.816,- per maand. Voor de partner van de vader rekent de rechtbank met een brutoloon per vier weken van € 4.960,- zoals blijkt uit de overlegde salarisspecificaties 1 en 2 van 2026. De rechtbank houdt verder rekening met de pensioenpremie van € 314,-. Op basis van de hiervoor genoemde uitgangspunten en rekening houdend met de in de aangehechte berekening opgenomen fiscale heffingskortingen en toeslagen, berekent de rechtbank haar NBI in 2026 op € 3.904,- per maand. Het NBGI van de vader en de partner van de vader bedraagt in 2026 dus € 9.720,- per maand (€ 5.816 + € 3.904). Op basis van dit NBGI hebben zij geen recht op een kindgebonden budget. Op basis van de tabel eigen aandeel kosten van kinderen 2026 leidt het voorgaande tot een behoefte van € 985,- per maand voor [minderjarige 4] . Draagkracht vader
De draagkracht van de man bedraagt hetzelfde als in gezin 1, te weten € 1.654,- per maand. Draagkracht partner van de vader
Voor de bepaling van de draagkracht van de echtgenote van de man gaat de rechtbank uit van een inkomen van € 4.960,- bruto per vier weken en een NBI in 2026 van € 3.904,-. Omdat het NBI van de partner van de vader hoger is dan € 2.200,- zal de rechtbank voor de berekening van haar draagkracht de formule 70% x [NBI – (0,3 x NBI + 1.365,-)] gebruiken. De draagkracht van de echtgenote van de man bedraagt dan € 930,- per maand. Draagkrachtvergelijking
De draagkracht van de vader en de partner van de vader bedraagt gezamenlijk
€ 2.584,- (1.654 +930) per maand. Dit is voldoende om in de behoefte van [minderjarige 4] te voorzien. De rechtbank zal evenals bij gezin 1 een draagkrachtvergelijking maken waarbij de behoefte naar rato van ieders draagkracht zal worden verdeeld. Hiervoor gebruikt de rechtbank de formule: ieders draagkracht gedeeld door de totale draagkracht vermenigvuldigd met de behoefte. Daarbij wordt draagkrachtvergelijking gemaakt met de volledige (‘zuivere’) draagkracht. Hiervoor gebruikt de rechtbank de formule: ieders draagkracht gedeeld door de totale draagkracht vermenigvuldigd met de behoefte. Aandeel vader en aandeel echtgenote van de vader voor [minderjarige 4]
Het eigen aandeel van de vader bedraagt: 1.654 / 2.584 x 985 = € 630,-
Het eigen aandeel van de partner van de vader bedraagt: 930 / 2.584 x 985 = € 355,-
€ 985,-
Van de totale behoefte van [minderjarige 4] komt een gedeelte van € 630,- voor rekening van de vader. Een gedeelte van € 355,- komt voor rekening van de partner van de vader. Gezin 3 met [minderjarige 3] De vader stelt zich op het standpunt dat hij onderhoudsplichtig is voor zijn andere dochter [minderjarige 3] en dat de rechtbank daar rekening mee dient te houden in de alimentatieberekening. De moeder betwist dat de vader een onderhoudsbijdrage voor [minderjarige 3] betaalt en dat daarom geen rekening gehouden dient te worden met [minderjarige 3] in de alimentatieberekening. De rechtbank volgt de moeder in haar standpunt en zal geen rekening houden met eventuele onderhoudskosten voor [minderjarige 3] in de alimentatieberekening. Volgens de rechtbank kan zij geen rekening houden met [minderjarige 3] , omdat er allereerst geen financiële gegevens van de moeder van [minderjarige 3] bekend zijn waardoor de behoefte van [minderjarige 3] niet berekend kan worden. Daarnaast is het de rechtbank niet gebleken dat de vader stelselmatige betalingen voor [minderjarige 3] als onderhoudsbijdrage heeft voldaan. In de alimentatieberekening voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zal [minderjarige 3] daarom buiten beschouwing worden gelaten. Vergelijking gezin 1 en gezin 2 Gelet op het voorgaande moet de vader voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in totaal € 1.415,- per maand, ofwel € 708,- per kind, bijdragen en in totaal voor [minderjarige 4] € 630,- per maand bijdragen. Samen is dit € 2.045,- per maand. De vader is daartoe financieel niet in staat want hij heeft een draagkracht van € 1.654,- per maand. De rechtbank zal daarom de draagkracht van de vader verdelen naar rato van de berekende aandelen in de kosten van de drie kinderen.
De man heeft dan beschikbaar:
voor [minderjarige 1] : (708/2.045) x 1.654 = € 572,-
voor [minderjarige 2] : (708/2.045) x 1.654 = € 572,-
voor [minderjarige 4] : (630/2.045) x 1.654 = € 510,-
€ 1.654,- Het aandeel van de moeder in de kosten van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] van € 369,- per maand en het aandeel van de vader in deze kosten van € 1.144,- per maand komen bij elkaar neer op
€ 1.513,- per maand en zijn dus ontoereikend om volledig in de kosten van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te voorzien en maakt een tekort van (€ 1.727,- -/- € 1.513,- =) € 214,- per maand. Zorgkorting
De rechtbank hanteert een zorgkorting van 35% van de behoefte aangezien de ouders uitvoering geven aan een co-ouderschapsregeling. Aangezien [minderjarige 2] zijn hoofdverblijfplaats bij de moeder heeft, geniet de vader een zorgkorting van € 302,- per maand voor [minderjarige 2] . [minderjarige 1] heeft de hoofdverblijfplaats bij de vader waardoor de moeder een zorgkorting geniet van € 302,- per maand. De ouders zijn het daar ook over eens. Omdat sprake is van een tekort van € 214,- per maand, wordt dit tekort aan iedere ouder voor de helft ofwel voor € 107,- per maand toegerekend. Dit betekent dat aan de zijde van de vader rekening wordt gehouden met een zorgkorting van (302 -/- 107 =) € 195,- per maand. Aan de zijde van de moeder wordt ook rekening gehouden met een zorgkorting van € 195,- per maand. Het aandeel van de vader in de kosten van [minderjarige 2] bedraagt dan per maand € 377,- (€ 572,- -/- € 195,-). Het aandeel van de moeder in de kosten van [minderjarige 1] bedraagt € 39,- (€156- €195), een tekort, dus dat moet de vader ook betalen aan de moeder voor [minderjarige 1] . Conclusie
Uit voorgaande berekening volgt een door de vader te betalen bedrag van € 377,- per maand voor [minderjarige 2] en € 39,- per maand voor [minderjarige 1] . De rechtbank zal dit bedrag aan kinderalimentatie vaststellen met ingang van 14 augustus 2026. Zorgregeling
Vakantie- en feestdagenregeling
Uit de stukken en op de zitting is gebleken dat de moeder akkoord gaat met het voorgestelde schema door de vader die als productie 10 in het digitale dossier is ingediend. De rechtbank zal overeenkomstig de wens van de ouders beslissen en het vakantie-en feestdagenschema uit productie 10 aan de beschikking hechten. Verjaardag [minderjarige 2]
is op [datum 2] jarig en de vader verzoekt om te bepalen dat [minderjarige 2] op zijn verjaardag verblijft bij de ouder bij wie de kinderen conform de zomervakantieverdeling op dat moment verblijven. De rechtbank acht dit voorstel redelijk en zal daarom het verzoek van de vader toewijzen. Verjaardag [minderjarige 4]
De rechtbank acht het in het belang van de kinderen dat zij verjaardagen met elkaar kunnen vieren. Het is echter niet noodzakelijk om daar een extra weekend aan te koppelen. De rechtbank bepaalt daarom dat de kinderen, in zowel de even als de oneven jaren, op de verjaardag van [minderjarige 4] bij de vader verblijven. Halen en brengen
Vader wenst dat de ouders de kinderen door derden mogen laten halen en brengen indien de ouder niet in staat is de kinderen op te halen/brengen waarbij de ouders dit tijdig aan elkaar laten weten. De moeder wil niet dat de kinderen door derden wordt opgehaald die zij niet kent. Als de vader het niet lukt om de kinderen zelf op te halen of te brengen, wil de moeder een andere afspraak met de vader maken. De rechtbank acht het niet van belang om een beslissing op dit punt te nemen. Er bestaat geen wettelijke grond waarop het halen en brengen door derden aan ouders wordt verboden. Het is aan de ouders om in onderling overleg tot afspraken hierover te komen. De rechtbank wijst daarom het verzoek van de vader op dit punt af.
Informatie-uitwisseling
De vader verzoekt om bij de overdracht van de kinderen na het wisselmoment een e-mail te sturen aan de andere ouder met daarin de meest actuele informatie van de kinderen beschreven. De moeder gaat hiermee akkoord. De rechtbank zal daarom overeenkomstig beslissen en het verzoek van de vader toewijzen. Inschrijving huisarts en tandarts
Huisarts
Het is de rechtbank gebleken dat de ouders het niet eens zijn over het inschrijven van de kinderen bij een nieuwe huisarts. Het is de rechtbank echter niet gebleken dat een wijziging van huisarts voor de kinderen noodzakelijk is. De rechtbank zal daarom het verzoek afwijzen wegens gebrek aan belang bij het verzoek. Tandarts
Uit de stukken en op de zitting is gebleken dat de ouders inmiddels een oplossing hebben gevonden. De rechtbank behoeft hier dus niet meer op te beslissen. Paspoorten
Het is de rechtbank gebleken dat momenteel ieder van de ouders een paspoort van een van de kinderen in bewaring heeft. Het is niet aannemelijk dat een wijziging hiervan leidt tot een verbetering, dus acht de rechtbank een wijziging niet noodzakelijk. De rechtbank zal het verzoek van de vader daarom afwijzen en wijst het verzoek van de moeder daarmee toe. Beslissing De rechtbank: bepaalt dat de vakantie- en feestdagenregeling geldt zoals in het schema aangehecht aan deze beschikking; bepaalt dat de verjaardag van [minderjarige 2] wordt gevierd bij de ouder bij wie [minderjarige 2] conform de zomervakantieverdeling verblijft; bepaalt dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] , in zowel de even als de oneven jaren, op de verjaardag van [minderjarige 4] bij de vader verblijven; bepaalt dat de ouders bij de overdracht van de kinderen na het wisselmoment een e-mail te sturen aan de andere ouder met daarin de meest actuele informatie van de kinderen beschreven; bepaalt dat de moeder het paspoort van [minderjarige 2] in beheer heeft en dat de vader het paspoort van [minderjarige 1] in beheer heeft; bepaalt de door de vader met ingang van 14 augustus 2026 te betalen alimentatie voor de minderjarige [minderjarige 2], geboren op [geboortedatum 2] 2022 te [geboorteplaats] op € 377,- per maand, vanaf vandaag telkens bij vooruitbetaling aan de moeder te voldoen; bepaalt de door de vader met ingang van 14 augustus 2026 te betalen alimentatie voor de minderjarige [minderjarige 1], geboren op [geboortedatum 1] 2021 te [geboorteplaats] op € 39,- per maand, vanaf vandaag telkens bij vooruitbetaling aan de moeder te voldoen; verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad; wijst af het meer of anders verzochte. Deze beschikking is gegeven door mr. C.G. Meeder, rechter, bijgestaan door mr. R. Warmerdam als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van 14 augustus 2026.