Menu

Filter op
content
PONT Klimaat

0

ECLI:NL:RBDHA:2026:26652

Gezamenlijk gezag toewijzen

Rechtbank Den Haag 24 September 2026

Jurisprudentie – Uitspraken

ECLI:NL:RBDHA:2026:26652 text/xml public 2026-09-24T08:44:11 2026-09-14 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-08-14 C/09/692683 / FA RK 25-7557 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig Beschikking NL Den Haag Civiel recht; Personen- en familierecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:26652 text/html public 2026-09-24T08:43:54 2026-09-24 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:26652 Rechtbank Den Haag , 14-08-2026 / C/09/692683 / FA RK 25-7557
Gezamenlijk gezag toewijzen

Rechtbank DEN HAAG

Enkelvoudige Kamer

Rekestnummer: FA RK 25-7557

Zaaknummer: C/09/692683

Datum beschikking: 14 augustus 2026
Gezag en verdeling van de zorg- en opvoedingstaken
Beschikking op het op 7 oktober 2025 ingekomen verzoek van:
[de vader] ,
de vader,

wonende op een bij de rechtbank bekend adres,

advocaat: mr. E.C.A.E. Verschuren te Gilze.

Als belanghebbende wordt aangemerkt:
[de moeder] ,
de moeder,

wonende op een bij de rechtbank geheim bekend adres,

advocaat: mr. J. du Bois te Amsterdam.

Als informant wordt aangemerkt:

Stichting Jeugdbescherming West Haaglanden,

de gecertificeerde instelling.
Procedure
Bij beschikking van 29 januari 2026 heeft de rechtbank de behandeling van het verzoek aangehouden en de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) verzocht een onderzoek te verrichten naar onder meer het gezag.

De rechtbank heeft wederom kennisgenomen van de stukken, waaronder nu ook:

het raadsrapport van 28 mei 2026, met kenmerk [kenmerk 1] en [kenmerk 2] ;

het bericht van 18 juni 2026 van de moeder;

de berichten van 19 juni 2026 van de moeder;

het gewijzigd verzoekschrift van 4 augustus 2026, inclusief bijlagen;

het bericht van 4 augustus 2026 van de moeder, inclusief bijlage;

het bericht van 7 augustus 2026 van de gecertificeerde instelling.

De minderjarige [de minderjarige] is in de gelegenheid gesteld haar mening te geven over het verzoek. Zij heeft daarvan geen gebruikgemaakt.

Op 10 augustus 2026 om 09:00 uur is de behandeling op de zitting voortgezet. Hierbij zijn verschenen:

de vader, met zijn advocaat;

de moeder, met haar advocaat.

De moeder heeft spreekaantekeningen overgelegd.

Na de zitting heeft de rechtbank ontvangen:

- het bericht van 10 augustus 2026 van de moeder, inclusief bijlage.
Feiten
Naast de in de beschikking van 29 januari 2026 genoemde feiten staat het volgende vast:

- Bij beslissing van 9 juni 2026, op schrift gesteld op 29 juni 2026, heeft de kinderrechter van deze rechtbank [de minderjarige] onder toezicht gesteld van de gecertificeerde instelling van 9 juni 2026 tot 9 juni 2027 en een machtiging tot uithuisplaatsing verleend van [de minderjarige] bij de vader van 9 juni 2026 tot 9 maart 2027. Ook heeft de kinderrechter bepaald dat het gezag over [de minderjarige] , voor zover dit betrekking heeft op de aanmelding bij een onderwijsinstelling, wordt uitgeoefend door de gecertificeerde instelling van 9 juni 2026 tot 1 oktober 2026.
Verzoek en verweer
De vader verzoekt, na wijziging en voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, het eenhoofdig ouderlijk gezag van de moeder over [de minderjarige] te beëindigen en in plaats daarvan te beslissen dat beide ouders belast zullen zijn met het gezamenlijk ouderlijk gezag over [de minderjarige] , althans een dusdanige beslissing te nemen als de rechtbank in het belang van de minderjarige gerede acht.

De moeder voert verweer, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken. Aan het einde van de zitting heeft de moeder mondeling verzocht een zorgregeling voor de zomervakantie 2026 vast te stellen, waarbij [de minderjarige] bij de moeder is op dinsdag en donderdag van 14:00 uur tot 16:00 uur voor een buitenactiviteit en waarbij [de minderjarige] ieder weekend videobelcontact heeft met de moeder.
Beoordeling
Zorgregeling De moeder heeft haar zelfstandige verzoek tot het vaststellen van een zorgregeling mondeling op de zitting gedaan om 09:50 uur. De vader heeft hiertegen bezwaar gemaakt. De rechtbank verklaart de moeder niet-ontvankelijk in haar zelfstandige verzoek. Het had op de weg van de moeder gelegen om een dergelijk verzoek eerder in de procedure, en in ieder geval voorafgaand aan de zitting, schriftelijk in te dienen zodat het de vader duidelijk was dat de rechtbank hierover zou moeten beslissen en hij daar verweer op had kunnen voeren. In plaats daarvan heeft de moeder op de zitting aangegeven dat zij wenste dat partijen tijdens de zitting in overleg tot afspraken zouden komen over contactherstel tussen haar en [de minderjarige] . Toen dit niet mogelijk bleek te zijn, heeft zij aan het einde van de zitting de rechtbank verzocht om hierop te beslissen. Nu de vader niet in de gelegenheid is geweest om zich daar behoorlijk tegen te kunnen verweren, is het gedane verzoek in strijd met de goede procesorde.

Partijen hebben op de zitting gezamenlijk afgesproken dat [de minderjarige] en de moeder op zaterdag 15 augustus 2026 om 17:00 uur videobelcontact zullen hebben.

Gezag

De rechtbank handhaaft al hetgeen bij genoemde beschikking van 29 januari 2026 is overwogen en beslist, voor zover in deze beschikking niet anders wordt overwogen of beslist.

Juridisch kader Op grond van het eerste lid van artikel 1:253c van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de tot het gezag bevoegde ouder van het kind, die nimmer het gezag gezamenlijk met de moeder uit wie het kind is geboren heeft uitgeoefend, de rechtbank verzoeken de ouders met het gezamenlijk gezag dan wel hem alleen met het gezag over het kind te belasten. Op grond van het tweede lid van dit artikel wordt, indien het verzoek ertoe strekt de ouders met het gezamenlijk gezag te belasten en de andere ouder daarmee niet instemt, het verzoek slechts afgewezen als:

er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering in zou komen, of

afwijzing anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.

Rapport van de Raad

Uit het raadsrapport volgt, samengevat, het volgende.

De Raad heeft sinds het begin van het onderzoek ernstige zorgen over de ontwikkeling, en de fysieke en emotionele veiligheid van [de minderjarige] gehad. Zo is [de minderjarige] sinds na de zomervakantie van 2025 niet meer naar school gegaan en heeft zij gedurende langere tijd geen contact met de vader, haar broer of andere familieleden. De Raad maakt zich zorgen over de opvoedsituatie van [de minderjarige] bij de moeder. De Raad heeft vernomen dat er zorgen bestaan over de psychische gesteldheid van de moeder. [de minderjarige] is blootgesteld aan het wantrouwen van de moeder naar mensen en instanties. Uiteindelijk is gebleken dat de moeder in haar huidige situatie niet in staat is om voor [de minderjarige] te zorgen en is [de minderjarige] uit huis geplaatst bij de vader, waar haar meerderjarige broer ook woont. De Raad ziet dat de vader zijn vaderrol op een passende wijze oppakt en zich inspant om het leven van [de minderjarige] zoveel mogelijk te normaliseren. [de minderjarige] voelt zich prettig bij de vader. Daarnaast acht de Raad het positief dat de vader open is in het contact met de betrokken instanties en openstaat voor hulp vanuit professionele instanties en zijn netwerk. Zo heeft [de minderjarige] inmiddels een vertrouwensband opgebouwd met de tante aan vaderszijde. De Raad maakt zich wel zorgen over het wantrouwen en de spanning die [de minderjarige] ervaart ten aanzien van school en leeftijdsgenoten. In juni 2026 wordt [de minderjarige] aangemeld bij een school, waarbij extra hulp en begeleiding op maat voor [de minderjarige] van belang is.

De Raad heeft de indruk dat [de minderjarige] veel voor de moeder betekent en dat de moeder graag wil dat [de minderjarige] weer bij haar komt wonen. De enkele keren dat er telefonisch contact tussen [de minderjarige] en de moeder heeft plaatsgevonden, leek [de minderjarige] zich volgens de vader onprettig te voelen bij de dwingende houding van de moeder en geen behoefte aan het contact te hebben. [de minderjarige] heeft echter wel aangegeven dat zij beide ouders evenveel wil zien en graag wil dat de ouders gezamenlijk beslissingen over haar nemen. Indien de situatie van de moeder verbetert en contactherstel tussen [de minderjarige] en de moeder mogelijk is, wordt daarop ingezet.

De Raad is van mening dat het in het belang van [de minderjarige] is dat ook de vader met het gezag wordt belast. [de minderjarige] verblijft immers bij de vader en er is op dit moment geen contact met de moeder. Daarnaast is de vader in staat beslissingen in het belang van [de minderjarige] te nemen.

Standpunt van de vader

De vader wenst op termijn in goed overleg met de moeder gezagsbeslissingen te kunnen nemen en hij denkt dat dat ook mogelijk is. In het verleden hebben de ouders ook goed contact gehad. De vader heeft aangegeven dat hij, zolang de ondertoezichtstelling van kracht is, eventuele gezagsbeslissingen mede in overleg met de gecertificeerde instelling zal nemen.

Standpunt van de moeder De moeder vindt dat het verzoek moet worden afgewezen. Er bestaat volgens de moeder geen noodzaak om ook de vader te belasten met het ouderlijk gezag over [de minderjarige] . Met de door de kinderrechter verleende vervangende toestemming voor de inschrijving voor een school is tenslotte al voorzien in de noodzakelijke gezagsbeslissing op de korte termijn. Omdat de ouders al geruime tijd niet constructief met elkaar communiceren, zal gezamenlijk gezag bovendien leiden tot een vertraging van belangrijke gezagsbeslissingen en tot verdere conflicten tussen de ouders. Dat moet worden voorkomen.

Verder merkt de moeder op dat de uithuisplaatsing ertoe heeft geleid dat [de minderjarige] het contact met haar moeder heeft verloren. Dat moet zo snel mogelijk worden hersteld.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank zal het verzoek van de vader toewijzen. De rechtbank stelt daarbij voorop dat het wettelijk uitgangspunt is dat ouders gezamenlijk het gezag over hun kind uitoefenen tenzij sprake is van een onaanvaardbaar risico dat [de minderjarige] klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten valt dat hier binnen afzienbare tijd voldoende verbetering in komt en/of behoud van het eenhoofdig gezag anderszins in het belang van [de minderjarige] noodzakelijk is. [de minderjarige] verblijft sinds maart 2026 bij de vader op basis van een machtiging tot uithuisplaatsing. Het is in het belang van [de minderjarige] dat de vader, als huidige hoofdverzorger, mede wordt belast met het gezag over haar zodat hij betrokken wordt bij alle gezagsbeslissingen, en ook informatie ontvangt over [de minderjarige] , bijvoorbeeld van school en eventuele andere instanties en professionals die bij haar betrokken zijn. Dat de rechtbank al vervangende toestemming heeft verleend voor de inschrijving op een school, doet aan het voorgaande niets af; er zullen in de toekomst tenslotte nog meer gezagsbeslissingen genomen moeten worden. De rechtbank begrijpt dat het contact tussen de ouders op dit moment niet constructief verloopt en verbetering behoeft. De rechtbank acht echter ook van belang dat de insteek van de vader is dat het contact tussen [de minderjarige] en de moeder wordt hersteld, dat hij verwacht dat hij en de moeder op termijn in goed overleg samen beslissingen kunnen nemen en dat zij uiteindelijk opnieuw samen de zorg voor [de minderjarige] zullen delen. Ook vindt de rechtbank daarbij relevant dat zolang de ondertoezichtstelling loopt, de gecertificeerde instelling de ouders kan begeleiden in het gezamenlijk nemen van de nodige gezagsbeslissingen. Gelet op het vorenstaande is er geen sprake van één van de uitzonderingsgronden om het eenhoofdig gezag van de moeder te handhaven.
Beslissing
De rechtbank:

verklaart de moeder niet-ontvankelijk in haar zelfstandige verzoek tot het vaststellen van een zorgregeling voor de zomervakantie van 2026;

bepaalt dat voortaan aan de vader en de moeder gezamenlijk het gezag zal toekomen over de minderjarige [de minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2016 in [geboorteplaats] ;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mr. E.G. Nuboer, kinderrechter, bijgestaan door mr. L.N. van Megesen als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 14 augustus 2026.

Artikel delen