Menu

Filter op
content
PONT Klimaat

0

ECLI:NL:RBDHA:2026:27288

Artikel 8 van het EVRM. Referent is afkomstig uit Afghanistan en heeft om gezinshereniging met zijn ouders, broers en zus verzocht. De rechtbank komt voltoetsend tot de conclusie dat er geen sprake is van familieleven tussen referent en zijn ouders, tussen referent en zijn meerderjarige broer en tussen referent en zijn minderjarige broers en zus. De minister was daarom niet gehouden om een bela...

Rechtbank Den Haag 21 September 2026

Jurisprudentie – Uitspraken

ECLI:NL:RBDHA:2026:27288 text/xml public 2026-09-21T09:03:00 2026-09-18 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-09-18 NL24.16102 Uitspraak Eerste aanleg - meervoudig NL Amsterdam Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:27288 text/html public 2026-09-21T09:02:22 2026-09-21 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:27288 Rechtbank Den Haag , 18-09-2026 / NL24.16102
Artikel 8 van het EVRM. Referent is afkomstig uit Afghanistan en heeft om gezinshereniging met zijn ouders, broers en zus verzocht. De rechtbank komt voltoetsend tot de conclusie dat er geen sprake is van familieleven tussen referent en zijn ouders, tussen referent en zijn meerderjarige broer en tussen referent en zijn minderjarige broers en zus. De minister was daarom niet gehouden om een belangenafweging te maken. Ook kent de rechtbank een schadevergoeding toe voor de overschrijding van de redelijke termijn. Het beroep is ongegrond.

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam

Bestuursrecht

Zaaknummer: NL24.16102
<?linebreak?>uitspraak van de meervoudige kamer in de zaak
[eiser 1] , geboren op [geboortedatum 1] 1968, hierna te noemen: de vader,
[eiseres] , geboren op [geboortedatum 8] 1978, hierna te noemen: de moeder,

gezamenlijk te noemen: de ouders,

[eiser 2] , geboren op [geboortedatum 3] 2002, hierna te noemen: [eiser 2] ,

[eiser 3] , geboren op [geboortedatum 4] 2005,

[eiser 4] , geboren op [geboortedatum 5] 2008,

[minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 6] 2015,

[minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 7] 2017,

gezamenlijk te noemen: de broers en de zus,

allen van Afghaanse nationaliteit, alle betrokkenen gezamenlijk te noemen: eisers,

(gemachtigde: mr. D. Brouwer),

en
de minister van Asiel en Migratie, de minister,
(gemachtigden: mr. J. Kennis en mr. A. Al-Edani).

Als derde-partij neemt aan de zaak deel:

de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid), de Staat.
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eisers tegen de afwijzing van hun aanvraag van om verlening van een verblijfsvergunning regulier onder de beperking ‘familieleven op grond van artikel 8 van het EVRM’.
1.1.
Shir Khan Qudraty, referent, is op 18 september 2021 in bezit gesteld van een asielvergunning voor bepaalde tijd. Op 21 december 2021 heeft hij een aanvraag voor de afgifte van een mvv voor zijn ouders, broers en zus ingediend.
1.2.
De minister heeft deze aanvraag met het besluit van 18 oktober 2022 afgewezen. Met het bestreden besluit van 20 februari 2024 op het bezwaar van eisers is de minister bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
1.3.
De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.4.
De meervoudige kamer van de rechtbank heeft het beroep op 4 augustus 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eisers, referent, de heer D. Hosseini als tolk in de taal Dari en de gemachtigden van de minister.
Beoordeling door de rechtbank
2. De rechtbank beoordeelt het beroep van eisers aan de hand van de beroepsgronden die zij hebben aangevoerd.
2.1.
Wat partijen verdeeld houdt, is of er sprake is van familieleven tussen eisers en referent op grond van artikel 8 van het EVRM.
2.2.
De rechtbank is - vol toetsend - van oordeel dat er in het geval eisers geen sprake is van familieleven in de zin van dat artikel. De rechtbank licht dit als volgt toe.

Familieleven tussen referent en zijn ouders

Jongvolwassenenbeleid

3. Eisers stellen zich op het standpunt dat de minister zich ten onrechte op het standpunt stelt dat referent niet voldoet aan de voorwaarden van het jongvolwassenenbeleid. Uit hetgeen referent heeft verklaard, blijkt dat hij geen stap naar zelfstandigheid heeft willen zetten en dat het voor hem juist moeilijk was om zich zelfstandig te kunnen handhaven. Het enkele feit dat referent geld verdiende en dat naar zijn familie opstuurde, betekent niet dat hij geen deel meer van het gezin uitmaakt. Deze contra-indicaties staan volgens de jurisprudentie van het EHRM er niet aan in de weg om familieleven op grond van het jongvolwassenenbeleid aan te nemen.
3.1.
Onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 9 maart 2026 blijft de minister bij zijn standpunt dat referent en de ouders niet voldoen aan de voorwaarden van het jongvolwassenenbeleid. Volgens de minister gaat het om cumulatieve vereisten en het niet voldoen aan één van deze vereisten maakt dat er niet wordt voldaan aan het jongvolwassenenbeleid.
3.2.
Op grond van het jongvolwassenenbeleid nam de minister uitsluitend aan dat er sprake is van familie- en gezinsleven tussen het meerderjarige kind en diens ouder(-s), zonder dat sprake hoeft te zijn van bijkomende elementen van afhankelijkheid, als het meerderjarige kind:

jongvolwassen is,

met zijn ouders in gezinsverband samenleeft,

niet in zijn eigen onderhoud voorziet en

geen zelfstandig gezin heeft gevormd.
3.3.
Wat partijen verdeeld houdt, is of referent in gezinsverband samenleeft met zijn ouders, omdat hij stappen naar zelfstandigheid heeft gezet.
3.4.
De rechtbank is van oordeel dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat referent stappen naar zelfstandigheid heeft gezet. Referent is in 2017 naar Kabul verhuisd om daar te gaan studeren. Hij heeft gelijktijdig een rechtenopleiding en een studie aan de militaire academie gevolgd. Voor de militaire academie deelde referent een kamer op een campus. In de vakantieperiodes kwamen eisers hem bezoeken in Kabul. Hij kon niet terugkeren naar eisers in Bagdashan, omdat hij herkenbaar was als militair. De rechtbank stelt dan ook vast dat referent sinds 2017 niet meer met eisers samenwoont en ook niet meer is teruggekeerd naar de woning van eisers. Verder verklaart referent dat hij de keuze om te gaan studeren aan de militaire academie zelf heeft gemaakt, zonder tussenkomst of op advies van zijn ouders. De rechtbank ziet hierin stappen naar zelfstandigheid. Referent heeft deze stappen gezet om (financieel) voor zijn familie te kunnen zorgen. De vader is blind aan zijn linkeroog en kan zijn werkzaamheden als boer daardoor niet meer uitvoeren. De moeder lijdt al jaren aan kanker en heeft behandeling en medicatie nodig. Door het volgen van de militaire opleiding ontving referent een financiële vergoeding die hij elke maand geheel aan eisers schonk, omdat zijn ouders moeilijk financieel konden rondkomen vanwege de genoemde gezondheidsproblemen. Naar het oordeel van de rechtbank is hierdoor een omgekeerde afhankelijkheidsrelatie ontstaan: eisers zijn financieel afhankelijk geworden van referent.
3.5.
Het bovenstaande betekent dat de minister terecht heeft geconcludeerd dat niet wordt voldaan aan de voorwaarden van het jongvolwassenenbeleid. De beroepsgrond slaagt niet.

Bijkomende elementen van afhankelijkheid

4. Eisers stellen zich op het standpunt dat de minister bij beoordeling niet alle elementen in onderlinge samenhang heeft bezien en daarom ten onrechte tot de conclusie is gekomen dat er geen sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid. De minister heeft volgens eisers ten aanzien van de samenwoning onvoldoende rekening gehouden met de feitelijke situatie. Ook is het onduidelijk wat het standpunt van de minister is over de medische stukken van de moeder en had de minister de chaotische situatie van de evacuaties uit Afghanistan en de algemene positie van vrouwen in Afghanistan bij de beoordeling van het familieleven moeten betrekken.
4.1.
De minister stelt zich op het standpunt dat het bestreden besluit rechtens juist is. De minister heeft alle door eisers aangevoerde omstandigheden kenbaar betrokken bij de beoordeling van het familieleven en deze in onderlinge samenhang beoordeeld. Ten aanzien van de samenwoning stelt de minister zich op het standpunt dat referent weliswaar niet zelfstandig een woning heeft gehuurd en met andere studenten heeft gewoond, maar dat dit niet afdoet aan het feit dat referent sinds 2017 al niet meer met zijn ouders heeft samengewoond. Over de medische situatie van de moeder, heeft de minister zich in het primaire besluit al uitgelaten. Eisers hebben geen originele documenten ingediend, maar al zouden zij die hebben ingediend en deze echt zijn bevonden, dan was het niet referent maar waren het de vader en [eiser 2] die de dagelijkse zorg aan de moeder boden. Eisers hebben ook niet gemotiveerd aangegeven hoe de evacuatie van referent van invloed is geweest op hun banden met Nederland of hoe dit tot een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie zou leiden. Dat geldt volgens de minister ook voor de positie van vrouwen in Afghanistan. De omstandigheid dat vrouwen in Afghanistan zich niet zonder begeleiding van een man buitenshuis kunnen begeven, brengt op zichzelf niet mee dat sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid met referent.
4.2.
De rechtbank overweegt als volgt. Uit rechtspraak van het EHRM volgt dat bij relaties tussen meerderjarige kinderen en hun ouders voor het aannemen van beschermenswaardig familie- of gezinsleven in de zin van artikel 8 van het EVRM – als het jongvolwassenenbeleid niet van toepassing is – sprake moet zijn van ‘more than the normal emotional ties’ (een meer dan gebruikelijke emotionele band). Om te bepalen of dit het geval is, kijkt het EHRM naar ‘additional elements of dependancy’ (bijkomende elementen van afhankelijkheid). Het al dan niet bestaan van een dergelijk familie- of gezinsleven is in essentie een kwestie van feitelijke aard en afhankelijk van het daadwerkelijk bestaan van hechte persoonlijke banden. Elementen die hierbij relevant kunnen zijn, zijn eventuele samenwoning, de mate van financiële en emotionele afhankelijkheid, de gezondheid van betrokkenen en de banden met het land van herkomst.
4.3.
Naar het oordeel van de rechtbank is er geen sprake van bijkomende elementen van afhankelijkheid tussen referent en de ouders. Vaststaat dat eisers en referent sinds 2017 niet meer met elkaar samenwonen. Op het moment van het nemen van het bestreden besluit betrof dat een periode van zeven jaar. Referent heeft ten aanzien van de financiële afhankelijkheid geen stukken overgelegd over de periode in Afghanistan, omdat hij door zijn evacuatie alles heeft moeten achterlaten. Eisers, de neef en de oom van referent en de buren van eisers hebben in hun persoonlijke verklaringen wel verklaard dat referent kostwinnaar was van het gezin. Referent heeft twee documenten overgelegd waaruit blijkt dat hij op 7 mei 2022 20.000 Afghaanse Afghani (destijds omgerekend ongeveer € 220,-) en op 29 juni 2022 € 300,- heeft overgemaakt aan eisers. Op de zitting heeft referent verklaard dat hij sinds hij een vaste baan heeft geld stuurt en dat eisers nog steeds sinds zijn vertrek uit 2021 geheel financieel afhankelijk van hem zijn. De rechtbank stelt vast dat eisers daar sinds 23 september 2022 geen stukken meer van hebben ingediend. De rechtbank overweegt dat structureel geld sturen zoals de minister in het bestreden besluit stelt weliswaar niet het criterium is, maar dat eisers te weinig stukken hebben ingebracht waaruit blijkt dat zij financieel afhankelijk zijn van referent.
4.4.
Verder stelt de rechtbank vast dat uit de ingediende stukken blijkt dat de moeder een kankergezwel bij haar oog had in 2020 en dat referent geen zorg aan zijn moeder heeft verleend tot zijn vertrek uit Afghanistan in 2021. Sindsdien zijn er geen nieuwe stukken meer ingediend. Het blijft daardoor naar het oordeel van de rechtbank onduidelijk wat de aard en omvang van haar medische situatie is. Dat kan de rechtbank ook niet eenduidig uit de verklaringen van referent opmaken. Dat zij in de meeste gevallen op bed ligt, erg veel zweet en weinig energie heeft, is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende concreet om uit te gaan van medische afhankelijkheid. De moeder krijgt op dit moment geen behandeling en slikt geen medicatie. Dat referent in het verleden voor haar medicatie heeft betaald, is evenmin met stukken aannemelijk gemaakt. Met betrekking tot de vader heeft referent verklaard dat hij in staat is zelfstandig te functioneren, zelf geen zorg nodig heeft en voor de moeder zorgt. Gelet op het voorgaande is de rechtbank dan ook van oordeel dat niet gebleken is dat de ouders medisch of praktisch afhankelijk zijn van referent.
4.5.
Voor wat betreft de emotionele afhankelijkheid overweegt de rechtbank dat het op basis van wat referent op de zitting en in bezwaar heeft verteld, invoelbaar is dat referent zich zorgen maakt over de situatie van eisers in Afghanistan en dat dit hem zwaar valt. De huisarts van referent heeft in 2023 nog melding gemaakt van psychische klachten vanwege het gemis van zijn familie en gevoelens van eenzaamheid. Het voorgaande geeft weliswaar blijk van een grote mate van betrokkenheid van referent bij zijn ouders, maar dat is naar het oordeel van de rechtbank te weinig om uit te gaan van een bijzondere emotionele afhankelijkheid in de zin van artikel 8 van het EVRM. Referent heeft ook niet met stukken onderbouwd op welke wijze hij het contact met eisers onderhoudt.
4.6.
Verder overweegt de rechtbank dat het feit dat referent is geëvacueerd uit Afghanistan en dat de Nederlandse overheid een willekeurig beleid heeft gehanteerd over welke personen op de evacuatielijsten terecht zijn gekomen, op zichzelf niets zegt over bijkomende elementen van afhankelijkheid met referent. De toets die wordt gehanteerd bij de beoordeling van bijkomende elementen van afhankelijkheid ziet namelijk op de vraag of het gezinsleven beschermd dient te worden op grond van artikel 8 van het EVRM. Dit is een toets van feitelijke aard. De rechtbank ziet niet in hoe de chaotische situatie ten tijde van de evacuatie binnen deze toets past, omdat het niets zegt over de feitelijke situatie van het gezinsleven dat al dan niet wordt uitgeoefend. Het is wel denkbaar dat familieleden vanwege een ingrijpende gebeurtenis of gezamenlijke beleving daarvan een sterke emotionele band ontwikkelen, maar dat dient dan wel gesteld en aannemelijk te worden gemaakt. Dit hebben eisers niet gedaan. Het voorgaande geldt naar het oordeel van de rechtbank ook voor de algemene positie van vrouwen in Afghanistan. Eisers hebben niet gemotiveerd waarom de positie van vrouwen in Afghanistan in hun concrete geval wel zou leiden tot een bijzondere afhankelijkheidsrelatie in het kader van artikel 8 van het EVRM.
4.7.
De rechtbank komt op basis van het bovenstaande tot de conclusie dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat er geen sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid tussen referent en zijn ouders. Deze beroepsgrond slaagt dus ook niet.

Familieleven tussen referent en zijn broers en zus

Familieleven tussen [eiser 2] en referent

5. [eiser 2] is meerderjarig. Daarom moet voor het bestaan van familieleven tussen hem en referent worden beoordeeld of er sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid.
5.1.
Eisers stellen zich op het standpunt dat er familieleven tussen referent en zijn ouders bestaat en dat dat ervoor zorgt dat ook gezinsleven met de overige kinderen onder artikel 8 van het EVRM bestaat. Zij behoren allemaal tot hetzelfde kerngezin.
5.2.
De minister stelt zich op het standpunt dat [eiser 2] weliswaar financieel afhankelijk is van referent, maar dat zij al sinds 2017 niet meer samenwonen. Het bezwaarschrift bevat verder geen afzonderlijke bezwaren tegen de beoordeling van de bijkomende elementen van afhankelijkheid met [eiser 2] . Daarom kan de financiële afhankelijkheid volgens de minister op afstand worden voortgezet.
5.3.
Voor het juridisch kader verwijst de rechtbank allereerst naar overweging 4.2. van deze uitspraak. De rechtbank overweegt verder dat er in bezwaar geen omstandigheden zijn aangevoerd die specifiek zagen op de bijkomende elementen van afhankelijkheid tussen [eiser 2] en referent, maar enkel op de situatie van eisers als geheel. Daarom verwijst de rechtbank voor wat betreft de financiële afhankelijkheid en samenwoning naar hetgeen hiervoor is overwogen ten aanzien van referent en zijn ouders. De rechtbank stelt daarnaast vast dat er tussen referent en [eiser 2] geen sprake is van medische afhankelijkheid. Hoe de emotionele afhankelijkheid van [eiser 2] van referent werd vormgegeven ten tijde van het bestreden besluit, kan de rechtbank niet uit de overgelegde stukken opmaken. Op de zitting heeft referent verteld dat hij één keer per week met [eiser 2] belt. Dit is weliswaar nieuw, maar wekelijks een keer bellen is onvoldoende om te spreken van een bijzondere emotionele afhankelijkheid. De minister heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat er geen sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid tussen [eiser 2] en referent. Deze beroepsgrond slaagt ook niet.

Hechte persoonlijke banden

6. Analoog aan overweging 5.1. betogen eisers dat er eveneens familieleven bestaat tussen referent en zijn minderjarige broers en zus.
6.1.
Volgens de minister is er geen sprake van hechte persoonlijke banden tussen referent en zijn minderjarige broers en zus. Of sprake is van familieleven dient per onderlinge relatie te worden beoordeeld. Het enkele feit dat eisers deel uitmaken van hetzelfde gezin, brengt niet mee dat er automatisch echte persoonlijke banden bestaan met de minderjarige kinderen wanneer er sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid tussen referent en zijn ouders. Verder acht de minister de samenwoning tot 2017 onvoldoende voor het aannemen van hechte persoonlijke banden, kan de financiële afhankelijkheid op afstand kan worden voortgezet en is de vader in staat om voor de kinderen te zorgen.
6.2.
Zoals de Afdeling eerder in haar uitspraken heeft overwogen volgt uit rechtspraak van het EHRM dat voor het bestaan van familie- en gezinsleven tussen meerderjarige en minderjarige broers en zussen niet relevant is of er sprake is van 'more than the normal emotional ties'. Of familie- en gezinsleven bestaat is een kwestie van feitelijke aard en afhankelijk van het daadwerkelijk bestaan van 'sufficiently close family ties'. Verder heeft het EHRM in paragraaf 108 van het arrest Kruškić overwogen dat, hoewel het samenwonen geen vereiste is voor het aannemen van familie- en gezinsleven, aangezien frequent contact ook voldoende kan zijn voor het ontstaan van ‘sufficiently close family ties’, deze banden doorgaans worden aangenomen als meerderjarige en minderjarige broers en zussen een tijd hebben samengewoond.
6.3.
Naar het oordeel van de rechtbank is ook geen sprake van hechte persoonlijke banden tussen referent en zijn minderjarige broers en zus. Tussen 2019 en 2021 toen referent nog in Afghanistan woonde, zagen zij elkaar twee keer per jaar als eisers in de vakantieperiode op bezoek kwamen bij referent. Dat geeft naar het oordeel van de rechtbank geen blijk van frequent contact en evenmin van samenwoning. Voordat referent ging studeren heeft hij slechts twee jaar met [minderjarige 1] samengewoond en met [minderjarige 2] hooguit enkele maanden. Referent, [eiser 3] en [eiser 4] hebben weliswaar meer dan tien jaar met elkaar samengewoond, maar naar het oordeel van de rechtbank is dit gegeven op zichzelf onvoldoende om te kunnen spreken van hechte persoonlijke banden aangezien zij ten tijde van het bestreden besluit al zeven jaar niet meer samenwoonden. Referent verklaart verder af en toe telefonisch contact met zijn broers en zus te hebben sinds zijn vertrek uit Afghanistan in 2021. Zoals de rechtbank al ten aanzien van het familieleven tussen referent en [eiser 2] heeft overwogen zijn daar geen stukken van ingediend. Nu ook niet is aangetoond dat er ten tijde van het bestreden besluit sprake was van frequent contact, heeft de minister zich in het bestreden besluit terecht op het standpunt gesteld dat er geen sprake is van hechte persoonlijke banden tussen referent en zijn minderjarige broers en zus. De beroepsgrond slaagt niet.

Belangenafweging

7. Nu de rechtbank vol toetsend tot de conclusie is gekomen dat er geen sprake is van familieleven in de zin van artikel 8 van het EVRM tussen referent en eisers, was de minister niet gehouden om een belangenafweging te maken. De beroepsgronden die daarop betrekking hebben behoeven daarom geen bespreking meer.

Overschrijding van de redelijke termijn

8. Op de zitting hebben eisers zich beroepen op de overschrijding van de redelijke termijn in de zin van artikel 6 van het EVRM en de rechtbank verzocht om een schadevergoeding vast te stellen.
8.1.
De vraag of de redelijke termijn is overschreden, wordt beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het geval. Daarbij zijn van betekenis de ingewikkeldheid van de zaak, de wijze waarop de zaak door het bestuursorgaan en de rechter is behandeld, het processuele gedrag van de betrokkene gedurende de hele procesgang en de aard van de maatregel en het daardoor getroffen belang van de betrokkene. Als uitgangspunt geldt dat voor een bezwaar- en een beroepsprocedure een totale lengte van twee jaar redelijk is. Het bezwaar moet in beginsel binnen een half jaar en het beroep binnen anderhalf jaar worden afgehandeld. Wanneer de redelijke termijn is overschreden, dan geldt een immateriële schadevergoeding van € 500,00 voor ieder half jaar waarmee de redelijke termijn wordt overschreden waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond.
8.2.
Volgens vaste rechtspraak vangt de redelijke termijn in beginsel aan op het moment waarop het bestuursorgaan het bezwaarschrift heeft ontvangen. De termijn is dus aangevangen op 10 november 2022. Twee jaar daarna, dus op 10 november 2024, is de redelijke termijn verstreken. Tot aan de datum van deze uitspraak zijn ruim drie en een halfjaar, oftewel ruim 46 maanden verstreken. Dat betekent dat de redelijke termijn afgerond met 23 maanden is overschreden. Eisers hebben per half jaar recht op een vergoeding. Nu er naar boven afgerond anderhalf jaar na de overschrijding van de redelijke termijn zijn verstreken, heeft eiser recht op een vergoeding van € 2.000,-.
8.3.
De rechtbank dient vervolgens te beoordelen aan wie deze overschrijding toe te rekenen is. De rechtbank is van oordeel dat de termijnoverschrijding deels aan de minister is te wijten. De minister op 20 februari 2024 op het bezwaar beslist. Daarmee heeft de minister de termijn van een half jaar met 10 maanden overschreden. De minister wordt daarom veroordeeld tot een vergoeding van het bedrag van € 870,- aan eisers. De rechtbank heeft de termijn met 13 maanden overschreden. Daarom wordt de Staat veroordeeld tot een vergoeding van het bedrag van € 1.130,- aan eisers.
Conclusie en gevolgen
9. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eisers geen gelijk krijgen. Eisers krijgen het griffierecht niet terug.
9.1.
Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht, krijgen eisers een vergoeding van hun proceskosten voor het doen van het verzoek voor een schadevergoeding voor de overschrijding van de redelijke termijn. De rechtbank stelt de vergoeding vast op een bedrag van € 467,- (1 punt met een waarde van € 934,- per punt met wegingsfactor 0,5).
Beslissing
De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;

- wijst het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn toe;

- veroordeelt de minister om een vergoeding van € 870,- te betalen aan eisers;

- veroordeelt de Staat om een vergoeding te betalen van € 1.130,- aan eisers;

- veroordeelt de minister in de proceskosten van eisers tot een bedrag van € 467,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.E.J.M. Gielen, voorzitter, en mr. M.B. de Boer en mr. H.B. van Gijn, leden, in aanwezigheid van mr. R. Hol, griffier.

Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en fundamentele vrijheden.

Machtiging tot voorlopig verblijf.

Voor de motivering van de volle toets verwijst de rechtbank naar haar uitspraken van 19 juni 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:9656 en 22 april 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:9087.

Europese Hof voor de Rechten van de Mens.

Afdeling bestuursrechtspraak Raad van State.

ECLI:NL:RVS:2026:1318.

Dit beleid was vastgelegd in paragraaf B7/3.8.1. van de Vreemdelingencirculaire 2000 maar is per 3 juni 2026 afgeschaft, Stcrt. 2026, nr. 18219.

Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 27 maart 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1188.

Zie bijvoorbeeld de uitspraken van 5 februari 2015, ECLI:NL:RVS:2015:383 en 3 augustus 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2050.

Vergelijk bijvoorbeeld par. 150 van K. en T. tegen Finland, arrest van 12 juli 2001, ECLI:CE:ECHR:2001:0712JUD002570294 en par. 108 van Kruškić tegen Kroatië, arrest van 25 november 2014, ECLI:CE:ECHR:2014:1125DEC001014013.

Zie voetnoot 18.

Zie in dit verband ook de uitspraak van de Afdeling van 3 augustus 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2050.

De rechtbank verwijst daarvoor naar de uitspraken van de Afdeling van 27 maart 2024, ECLI:NLRVS:2024:1187, ECLI:NLRVS:2024:1188 en ECLI:NLRVS:2024:1189.

Zie de uitspraak van de Afdeling van 29 januari 2014, ECLI:NL:RVS:2014:188.

Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 28 september 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2562.

Berekening toerekening minister: 10/23 x 2.000.

Berekening toerekening Staat: 13/23 x 2.000.

Artikel delen