ECLI:NL:RBDHA:2026:2735
Bewaring, ongegrond.
Rechtbank Den Haag 16 February 2026
Jurisprudentie – Uitspraken
ECLI:NL:RBDHA:2026:2735
text/xml
public
2026-02-16T17:00:11
2026-02-13
Raad voor de Rechtspraak
nl
Rechtbank Den Haag
2026-02-12
NL26.4608
Uitspraak
Eerste aanleg - enkelvoudig
NL
Arnhem
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Rechtspraak.nl
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:2735
text/html
public
2026-02-13T09:36:09
2026-02-16
Raad voor de Rechtspraak
nl
ECLI:NL:RBDHA:2026:2735 Rechtbank Den Haag , 12-02-2026 / NL26.4608
Bewaring, ongegrond.
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.4608
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 12 februari 2026 in de zaak tussen
[eiser], V-nummer: [nummer], eiser
(gemachtigde: mr. R.J.J. Flantua),
en
de minister van Asiel en Migratie,
(gemachtigde: mr. A.N. Sap).
Procesverloop
Bij besluit van 27 januari 2026 (het bestreden besluit) heeft de minister aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder b en c, van de Vreemdelingenwet 2000 opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft geprobeerd om het beroep op 3 februari 2026 op zitting te behandelen. Omdat geen beeldverbinding (met behulp van telehoren) tot stand kon worden gebracht met het detentiecentrum op Schiphol, is het beroep op 10 februari 2026, met behulp van een beeldverbinding, op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
Leidt ambtshalve toetsing tot onrechtmatigheid van de maatregel van bewaring?
1. De rechtbank stelt vast dat eiser geen gronden heeft ingediend tegen de maatregel van bewaring. De rechtbank ziet in de door de minister verstrekte gegevens ook geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan.
Conclusie en gevolgen
2. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M.C. Schuurman-Kleijberg, in aanwezigheid van
mr. J.M. van Kouwen, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.
Vergelijk HvJEU 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647 (Adrar) en HvJEU 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858 (C, B en X).