Menu

Filter op
content
PONT Klimaat

0

ECLI:NL:RBDHA:2026:4279

Beroep ongegrond, vovo niet-ontvankelijk. Beroep tegen afwijzing afgifte veblijfsdocument EU/EER. Chavez-Vilchez, arrest K.A., hoorplicht.

Rechtbank Den Haag 17 July 2026

Jurisprudentie – Uitspraken

ECLI:NL:RBDHA:2026:4279 text/xml public 2026-07-17T14:32:49 2026-03-04 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-02-25 NL25.12889 en NL25.12890 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig Voorlopige voorziening NL Den Haag Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:4279 text/html public 2026-07-17T14:23:48 2026-07-17 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:4279 Rechtbank Den Haag , 25-02-2026 / NL25.12889 en NL25.12890
Beroep ongegrond, vovo niet-ontvankelijk. Beroep tegen afwijzing afgifte veblijfsdocument EU/EER. Chavez-Vilchez, arrest K.A., hoorplicht.

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummers: NL25.12889 en NL25.12890

uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen

[eiseres] , V-nummer: [V-nummer] , eiseres/verzoekster (hierna: eiseres)

(gemachtigde: mr. R. Dhalganjansing),

en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: mr. K. Wouda).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de afwijzing van haar aanvraag om afgifte van een verblijfsdocument EU/EER en beoordeelt de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening van eiseres.
1.1.
Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 19 december 2024 afgewezen. Met het bestreden besluit van 11 maart 2025 op het bezwaar van eiseres is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 28 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van verweerder. Eiseres is niet aanwezig vanwege griep.
Beoordeling door de rechtbank
Waar gaat deze zaak over?

2. Eiseres is geboren op [geboortedatum] 1983 en heeft de Surinaamse nationaliteit. Eiseres heeft een aanvraag ingediend voor verblijf bij haar gestelde nicht [referente] (referente) en haar kind [naam] . Referente en [naam] hebben de Nederlandse nationaliteit. Eiseres wil bij hen verblijven, omdat zij stelt een hechte band te hebben met hen.
2.1.
Verweerder heeft de aanvraag afgewezen, omdat eiseres de familierechtelijke relatie met zowel referente als [naam] niet heeft aangetoond. Wat betreft [naam] , heeft eiseres niet aangetoond dat zij zorg- en opvoedtaken voor hem uitvoert en dat er sprake is van een zodanige afhankelijkheidsverhouding tussen hen dat zij op geen enkele wijze van elkaar gescheiden kunnen worden. Voor referente heeft eiseres geen bijzondere afhankelijkheid aannemelijk gemaakt. Er is geen schending van het recht op familie- en privéleven van eiseres in de zin van artikel 8 van het EVRM.

Wat vindt eiseres in beroep?

3. Eiseres is het niet eens met het bestreden besluit en voert – kort samengevat – het volgende aan. Eiseres is van mening dat verweerder de hoorplicht heeft geschonden. Daarnaast betoogt eiseres dat haar aanvraag zowel ziet op toetsing aan de voorwaarden voor een verblijfsrecht op grond van artikel 20 van het VWEU als op grond van artikel 8 van het EVRM. Verder voert eiseres aan dat uit jurisprudentie volgt dat bij een aanvraag om afgifte van een verblijfsdocument EU/EER eerst moet worden gekeken of de vreemdeling in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning op grond van nationaal recht. Tot slot verwijst eiseres naar verschillende uitspraken van nationale rechtbanken, het EHRM, het HvJEU en een handleiding van de Europese Commissie.

Wat is het oordeel van de rechtbank?

4. De rechtbank is van oordeel dat het beroep ongegrond is. Hieronder geeft de rechtbank weer hoe tot dit oordeel is gekomen.

5. De rechtbank overweegt allereerst dat uit het in algemene zin verwijzen naar uitspraken, (internationale) wetsartikelen en het handboek van de Europese Commissie – zonder dit nader toe te lichten – de rechtbank niet kan afleiden waarom eiseres van mening is dat het bestreden besluit onjuist is. Bovendien heeft eiseres niet aangetoond dat de aangehaalde uitspraken op haar situatie van toepassing zijn. Deze punten zal de rechtbank daarom niet als beroepsgronden aanmerken.

Chavez-Vilchez

6. Uit het arrest Chavez-Vilchez volgt dat een derdelander ouder van een minderjarig kind dat EU-burger is, een afgeleid verblijfsrecht op grond van artikel 20 van het VWEU heeft, als weigering van dat verblijfsrecht tot gevolg heeft dat het kind gedwongen wordt die ouder te volgen naar een derde land en daarmee het grondgebied van de Europese Unie (EU) moet verlaten.
6.1.
De rechtbank stelt voorop dat eiseres de familierechtelijke relatie tussen haar en [naam] niet heeft onderbouwd. Verder heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat niet is gebleken dat eiseres daadwerkelijk zorg- en opvoedingstaken verricht en dat er sprake is van een zodanige afhankelijkheidsverhouding tussen haar en [naam] dat hij bij het vertrek van eiseres naar Suriname gedwongen zou worden om het grondgebied van de EU te verlaten. Hierbij is van belang dat de verklaring van eiseres waarin zij onder meer uitlegt dat zij een hechte persoonlijke band heeft met [naam] , zijn (peet)tante is en onderdeel uitmaakt van zijn leven, niet nader is onderbouwd met objectief verifieerbare stukken. Zoals verweerder op de zitting heeft toegelicht zou het bijvoorbeeld kunnen gaan om verklaringen van leraren en de huisarts, waaruit volgt dat eiseres [naam] naar school brengt, ophaalt of naar de dokter vergezelt. Als eiseres denkt de aanvraag beter te kunnen onderbouwen kan zij met nadere stukken een nieuwe aanvraag indienen.

Arrest K.A.

7. Een derdelander zoals eiseres kan een verblijfsrecht ontlenen aan het verblijfsrecht van een Burger van de Unie, indien sprake is van een afhankelijkheidsrelatie. Uit het arrest K.A. van het HvJEU volgt dat slechts in uitzonderlijke gevallen tussen twee volwassen familieleden een afgeleid verblijfsrecht op grond van artikel 20 van het VWEU kan bestaan, indien een zodanige afhankelijkheidsrelatie bestaat dat zij op geen enkele wijze van elkaar gescheiden kunnen worden. Het is aan eiseres om dit aannemelijk te maken. De beantwoording van de vraag of eiseres aannemelijk heeft gemaakt dat deze situatie zich voordoet, vergt een beoordeling door verweerder van de, gelet op artikel 4:2 van de Awb, door eiseres in de bestuurlijke fase aan te voeren, feiten en omstandigheden van het geval. De uitkomst van die beoordeling kan door de rechter zonder terughoudendheid worden getoetst.
7.1.
De rechtbank stelt voorop dat eiseres de familierechtelijke relatie tussen haar en referente niet heeft onderbouwd. Verder is de rechtbank van oordeel dat eiseres niet heeft aangetoond dat er een zodanige afhankelijkheidsverhouding tussen haar en referente bestaat dat zij op geen enkele manier van elkaar gescheiden kunnen worden. Hierbij is van belang dat de verklaring van referente waarin zij onder meer stelt dat eiseres en zij door omstandigheden niet samen zijn opgegroeid, onvoldoende is. Ook de verklaring van eiseres waarin zij stelt dat zij zich verantwoordelijk voelt voor referente en haar gezien en dat zij referente helpt, is onvoldoende. Verder heeft eiseres geen stukken overgelegd om de verhouding tussen haar en referente te onderbouwen. Als eiseres denkt de aanvraag beter te kunnen onderbouwen kan zij met nadere stukken een nieuwe aanvraag indienen.

Artikel 7 Handvest en artikel 8 van het EVRM

8. Uit artikel 52, derde lid, van het Handvest volgt dat voor zover het Handvest rechten bevat die corresponderen met rechten die zijn gegarandeerd door het EVRM, de inhoud en de reikwijdte ervan dezelfde zijn als die welke er door het EVRM aan worden toegekend. Volgens de Toelichting bij het Handvest correspondeert artikel 7 van het Handvest met artikel 8 van het EVRM. Het voorgaande is bevestigd in vaste rechtspraak van het HvJEU en de hoogste bestuursrechter.
8.1.
Zoals hiervoor in rechtsoverwegingen 6.1 en 7.1 is overwogen, heeft eiseres niet aangetoond dat er een familierechtelijke relatie bestaat tussen zowel haar en [naam] als tussen haar en referente. Er is dan ook geen sprake van familie- of gezinsleven in de zin van artikel 8 van het EVRM. In een dergelijke situatie hoeft verweerder ook geen belangenafweging in het kader van artikel 8 van het EVRM te maken, omdat de familieband niet is aangetoond, Gelet hierop kan het betoog van eiseres dat verweerder bij de aanvraag om afgifte van een verblijfsdocument EU/EER ambtshalve volledig moet toetsen of eiseres op grond van het nationaal recht in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning niet tot een ander oordeel leiden.
8.2.
Ten aanzien van het privéleven van eiseres, is de rechtbank van oordeel dat verweerder de belangenafweging in het nadeel van eiseres heeft mogen laten uitvallen. Verweerder heeft in het nadeel van eiseres laten meewegen dat eiseres haar banden met Nederland heeft opgebouwd terwijl zij geen verblijfsvergunning heeft gehad. Ook heeft verweerder mogen tegenwerpen dat eiseres geen betaald werk verricht en de bijzondere en sterke binding met Nederland niet heeft aangetoond. Verweerder heeft mogen betrekken dat eiseres sterkere banden heeft met Suriname dan met Nederland, nu zij zo’n veertig jaar in Suriname heeft gewoond en aldaar is geboren en getogen. Verder heeft verweerder van belang mogen achten dat niet is gebleken van een objectieve dan wel subjectieve belemmering voor eiseres om terug te keren naar Suriname.
8.3.
Voor zover eiseres stelt dat het besluit van verweerder tot inhumane gevolgen leidt, onder verwijzing naar het arrest Jeunesse volgt de rechtbank eiseres hierin niet. Verweerder heeft de aanvraag van eiseres beoordeeld aan de hand van de toepasselijke wet- en regelgeving en is – zoals uit het bovenstaande volgt – op goede gronden tot de conclusie gekomen dat eiseres niet in aanmerking komt voor het gevraagde document en voor een verblijfsvergunning op grond van artikel 8 van het EVRM. Hoewel de rechtbank begrijpt dat eiseres, referente en [naam] in elkaars nabijheid willen verblijven, heeft verweerder gelet op het ontbreken van stukken, de belangenafweging in het nadeel van eiseres kunnen laten uitvallen.

Hoorplicht

9. De rechtbank is van oordeel dat verweerder eiseres in bezwaar niet had hoeven horen. De hoogste bestuursrechter heeft overwogen dat het horen in bezwaar een essentieel onderdeel is van de bezwaarschriftenprocedure en dat de vreemdeling in beginsel wordt gehoord. Verweerder mag slechts van horen afzien als er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk is dat de gronden van bezwaar niet tot een ander besluit kunnen leiden. Gelet op de motivering van het besluit en op hetgeen door eiseres is aangevoerd in de bezwaarfase, heeft verweerder kunnen vaststellen dat er redelijkerwijs geen twijfel bestond dat het bezwaar ongegrond was. Eiseres heeft immers ook in bezwaar geen (objectiveerbare) stukken overgelegd om de familierechtelijke relatie en afhankelijkheidsrelatie te onderbouwen. Ook is tijdens de bezwaarfase niet gecommuniceerd over de inspanningen die zijn verricht om deze stukken, zoals de aangekondigde rapportages, te overleggen. Bovendien heeft eiseres niet onderbouwd wat zij tijdens een hoorzitting naar voren had willen brengen. Verweerder heeft daarom van het horen in de bezwaarfase mogen afzien.

Overige beroepsgronden

10. De rechtbank is van oordeel dat hetgeen verder is aangevoerd eiseres niet kan baten, reeds omdat de familierechtelijke band tussen eiseres en zowel [naam] als referente niet is aangetoond.
Conclusie en gevolgen
11. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft.

12. Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt buiten zitting afgedaan en niet-ontvankelijk verklaard, nu er uitspraak is gedaan in het beroep en er niet langer sprake is van connexiteit.

13. Eiseres krijgt het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J.P. Bosman, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. J.F. Elzenaar, griffier.

De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak op het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen hoger beroep of verzet open.

Als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000

Volgens het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 10 mei 2017 in de zaak C-133/15, Chavez-Vilchez en anderen, ECLI:EU:C:2017:354.

Volgens het arrest van het Europees Hof voor Rechten van de Mens (EHRM) van 8 april 2018 (K.A. e.a. t. België), ECLI:EU:C:2018:308.

Onder andere in strijd met artikel 41 van het EU Handvest.

Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie.

Europees Hof voor de Rechten van de Mens.

Hof van Justitie van de Europese Unie.

Arrest van het EHRM van 8 april 2018 (K.A. e.a. t. België), ECLI:EU:C:2018:308.

Uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 24 juni 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2541, r.o. 3.2.

Uitspraak van de Afdeling van 24 juni 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2541, r.o. 3.2.

Verklaring van 15 januari 2026.

Zie hiervoor bijvoorbeeld het arrest van het HvJEU van 15 november 2011 (Dereci e.a.), ECLI:EU:C:2011:734 en de uitspraak van de Afdeling van 24 juli 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1986.

Arrest van het EHRM van 3 oktober 2014 (Jeunesse t. Nederland), ECLI:CE:ECHR:2014:1003JUD001273810.

Uitspraak van de Afdeling van 6 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1918.

Op grond van artikel 8:81 en 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht.

Artikel delen