Menu

Filter op
content
PONT Klimaat

0

ECLI:NL:RBDHA:2026:5496

Beroep niet tijdig regulier

Rechtbank Den Haag 16 March 2026

Jurisprudentie – Uitspraken

ECLI:NL:RBDHA:2026:5496 text/xml public 2026-03-16T15:00:40 2026-03-16 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-03-16 NL26.4830 Uitspraak Vereenvoudigde behandeling NL Groningen Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:5496 text/html public 2026-03-16T14:59:52 2026-03-16 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:5496 Rechtbank Den Haag , 16-03-2026 / NL26.4830
Beroep niet tijdig regulier

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

zaaknummer: NL26.4830
<?linebreak?>uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam],<?linebreak?>V-nummer: [nummer],<?linebreak?>[naam],<?linebreak?>V-nummer: [nummer],<?linebreak?>[naam],<?linebreak?>V-nummer: [nummer],<?linebreak?>[naam],<?linebreak?>V-nummer: [nummer],<?linebreak?>[naam],<?linebreak?>V-nummer: [nummer]
gezamenlijk: eisers,

(gemachtigde: mr. H.T. Gerbrandy),

en
de minister van Asiel en Migratie, de minister.
Inleiding
1. Deze uitspraak gaat over het opvolgende beroep dat eisers hebben ingediend, omdat de minister niet op tijd zou hebben beslist op de aanvraag tot het verlenen van een machtiging tot voorlopig verblijf.
1.1.
Eisers hebben gevraagd om vrijstelling van het griffierecht. De rechtbank ziet aanleiding om dit verzoek toe te wijzen. Eisers hoeven dus geen griffierecht te betalen.
1.2.
De rechtbank doet uitspraak zonder zitting.
Beoordeling door de rechtbank
2. In een eerdere beroepsprocedure niet tijdig beslissen heeft de rechtbank de minister opgedragen om binnen twee weken alsnog een beslissing op de aanvraag te nemen. De minister heeft dit niet gedaan. In deze situatie is geen ingebrekestelling nodig.

3. Het beroep is ontvankelijk en gegrond.

4. De rechtbank stelt vast dat het dossier (mogelijk) nog niet compleet is, omdat de minister in afwachting is van een reactie op de herstelverzuimbrief van 24 februari 2026. De minister heeft in die brief een termijn gesteld van vier weken. Mede gelet op de beslistermijn die de rechtbank in de eerdere procedure over niet tijdig beslissen heeft opgelegd en het tijdsverloop sindsdien, bepaalt de rechtbank dat de minister binnen vier weken na 24 maart 2026, dus uiterlijk 21 april 2026, een beslissing op de aanvraag moet nemen.

5. Eisers hebben gevraagd om een dwangsom op te leggen als de minister niet op tijd beslist. De rechtbank bepaalt dat de minister een dwangsom van € 100,- per dag moet betalen als hij de nu door de rechtbank opgelegde beslistermijn overschrijdt. Hierbij geldt een maximum van € 15.000,-. De rechtbank overweegt dat deze dwangsom redelijk is. De dwangsom is bedoeld als prikkel om het bestuursorgaan te bewegen een besluit te nemen. In de meeste gevallen is een dwangsom van € 100,- per dag met een maximum van € 15.000,- daarvoor voldoende. In het feit dat de eerder opgelegde dwangsom niet heeft geleid tot het nemen van een besluit ziet de rechtbank in dit geval geen aanleiding voor een verhoging van de dwangsom.

6. De minister moet de door eisers gemaakte proceskosten vergoeden. De rechtbank

stelt de wegingsfactor die gebruikt wordt bij het bepalen van de hoogte van die proceskostenvergoeding op 0,25. Hiertoe ziet zij aanleiding omdat de omvang van de werkzaamheden die redelijkerwijs nodig zijn voor een opvolgend beroep wegens niet tijdig beslissen in beginsel beperkter zijn dan voor een eerste beroep. Dat betekent dat de proceskostenvergoeding zal worden vastgesteld op € 233,50.
Beslissing
De rechtbank:

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit;

draagt de minister op uiterlijk 21 april 2026 alsnog een besluit op de aanvraag bekend te maken;

bepaalt dat de minister aan eisers een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-;

veroordeelt de minister in de proceskosten van eisers tot een bedrag van € 233,50.

Deze uitspraak is gedaan door mr. L.J. van der Veen, rechter, in aanwezigheid van

A.W. Landman, griffier en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.

Deze uitspraak is bekendgemaakt en openbaar gemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden.

Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Artikel 8:55d, tweede lid, van de Awb.

Zie r.o. 6.2 ECLI:NL:RBDHA:2025:22665.

Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door de gemachtigde verleende rechtsbijstand, waarbij 1 punt is gerekend voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor van 0,25.

Artikel delen