Menu

Filter op
content
PONT Klimaat

0

ECLI:NL:RBDHA:2026:713

Afwijzing vovo; kennelijk niet-ontvankelijk. Geen lopende bezwaar- of beroepsprocedure, dus niet voldaan aan connexiteitsvereiste 8:83 Awb. Ook geen spoedeisend belang; acute financiële noodsituatie niet onderbouwd met stukken.

Rechtbank Den Haag 28 January 2026

Jurisprudentie – Uitspraken

ECLI:NL:RBDHA:2026:713 text/xml public 2026-01-28T08:53:41 2026-01-19 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-01-14 SGR 25/8657 Uitspraak Voorlopige voorziening NL Den Haag Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:713 text/html public 2026-01-28T08:53:32 2026-01-28 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:713 Rechtbank Den Haag , 14-01-2026 / SGR 25/8657
Afwijzing vovo; kennelijk niet-ontvankelijk. Geen lopende bezwaar- of beroepsprocedure, dus niet voldaan aan connexiteitsvereiste 8:83 Awb. Ook geen spoedeisend belang; acute financiële noodsituatie niet onderbouwd met stukken.

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 25/8657
uitspraak van de voorzieningenrechter van 14 januari 2026 in de zaak tussen
<?linebreak?> [eiser] , uit [woonplaats] , eiser
en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het Uwv (gemachtigde: G.M. Folkers-Hooijmans).
Inleiding
1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker tegen het besluit van 15 juli 2024. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

2. Het Uwv heeft in het besluit van 15 juli 2024 bepaald dat verzoeker vanaf 10 augustus 2024 geen Ziektewet-uitkering meer krijgt, omdat het recht op deze uitkering na 104 weken ziekteverzuim eindigt. Verzoeker heeft geen bezwaar tegen deze beslissing gemaakt.

3. Omdat het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk is doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk is.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
4. Alleen als er een bezwaar- of beroepsprocedure loopt kan een verzoek om voorlopige voorziening worden behandeld. Het is de voorzieningenrechter niet gebleken dat verzoeker tegen het besluit van 15 juli 2024 bezwaar heeft gemaakt en dat tegen dat besluit (nog) een bezwaar- of beroepsprocedure loopt. Er is daarom geen sprake van de vereiste connexiteit. Alleen al daarom is het verzoek om voorlopige voorziening kennelijk niet-ontvankelijk.
5.1
Daarbij komt nog het volgende. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb alleen een voorlopige voorziening als "onverwijlde spoed" dat vereist. Bij een financieel geschil, zoals in deze zaak, is dat niet snel het geval. In beginsel kan namelijk het bedrag waarover het geschil gaat, later alsnog worden (terug)betaald, zo nodig met vergoeding van de wettelijke rente. Als er geen onomkeerbare situatie dreigt, bijvoorbeeld faillissement, of acute financiële nood is, neemt de voorzieningenrechter aan dat spoedeisend belang ontbreekt, zodat hij alleen al daarom geen voorlopige voorziening treft.
5.2
Voor zover in deze zaak wel sprake zou zijn van een aan een lopend bewaar of beroep (en wel tegen het WIA-besluit van 26 september 2024 dat inmiddels door het Uwv is genomen en waartegen verzoeker in bezwaar is gegaan, maar dat hij niet als grondslag voor zijn verzoek om voorlopige voorziening heeft genoemd), overweegt de voorzieningenrechter nog het volgende over het spoedeisend belang. Verzoeker ontvangt sinds 30 april 2025 weer een Ziektewet-uitkering, zodat hij niet geheel zonder inkomsten zit. Dat die Ziektewet-uitkering vanaf 1 augustus 2025 is verlaagd naar 70% van het dagloon vanwege een beëindiging van het dienstverband, maakt dit niet anders. Verder heeft verzoeker naar eigen zeggen torenhoge kosten, maar hij heeft in het geheel niet onderbouwd wat die kosten zijn en wat zijn inkomen is, ook niet nadat de rechtbank hem daarom per brief van 10 december 2025 uitdrukkelijk heeft gevraagd. Daarom is de voorzieningenrechter niet gebleken dat sprake zou zijn van een acute financiële noodsituatie. Ook om die reden kan het verzoek om voorlopige voorziening dus niet slagen.
Conclusie en gevolgen
6. De conclusie is dat het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk is vanwege het ontbreken van connexiteit. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter verklaart het beroep niet-ontvankelijk.

Deze uitspraak is gedaan door mr. D.R. van der Meer, rechter, in aanwezigheid van

mr. M.J. Bronsveld, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 14 januari 2026.

griffier

rechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Artikel 8:81, eerste lid, van de Awb.

Artikel delen