Voorlopige voorziening, verblijf vakantiewoning, geen besluit, niet-ontvankelijk.
Rechtbank Gelderland 26 March 2026
Jurisprudentie – Uitspraken
ECLI
ECLI:NL:RBGEL:2026:2328
Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
24-03-2026
Datum publicatie
26-03-2026
Zaaknummer
26/1463
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
ECLI:NL:RBGEL:2026:2328text/xmlpublic2026-03-26T17:00:462026-03-24Raad voor de RechtspraaknlRechtbank Gelderland2026-03-2426/1463UitspraakVoorlopige voorzieningNLBestuursrecht; BestuursprocesrechtRechtspraak.nlhttp://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2026:2328text/htmlpublic2026-03-24T15:19:462026-03-26Raad voor de RechtspraaknlECLI:NL:RBGEL:2026:2328 Rechtbank Gelderland , 24-03-2026 / 26/1463 Voorlopige voorziening, verblijf vakantiewoning, geen besluit, niet-ontvankelijk.
RECHTBANK GELDERLAND Bestuursrecht zaaknummer: ARN 26/1463
uitspraak van de voorzieningenrechter vanin de zaak tussen
[verzoeker], uit [plaats], verzoeker (gemachtigde: mr. A. van Schaik), en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Rheden (gemachtigde: J. Laclé). Inleiding 1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker voor het verlengen van noodopvang dat de gemeente Rheden aan zijn gezin heeft geboden. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet. 1.1. Omdat het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk is, doet voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. 2. Verzoeker, zijn partner en acht kinderen wonen aan de [locatie] in [plaats]. In de avond van 2 maart 2026 is er een oploop van mensen geweest bij de woning, naar aanleiding van een incident op school eerder die dag waarbij één van de kinderen van verzoeker betrokken is geweest. Politie is die avond ter plaatse geweest en heeft in overleg met de gemeente Rheden besloten om het gezin tijdelijk een alternatief onderkomen te bieden. Na een nacht in een hotel heeft de gemeente geregeld dat het gezin voor een week kan verblijven in een vakantiewoning. Dit verblijf is nog tweemaal verlengd met een week en loopt 23 maart 2026 af. Beoordeling door de voorzieningenrechter 3. Verzoeker vraagt de voorzieningenrechter om bij wijze van voorlopige voorziening te bepalen dat het college het verblijf in de vakantiewoning moet verlengen. Het gezin voelt zich niet veilig en wil daarom niet terug naar huis. Volgens verzoeker zijn verdere incidenten niet uitgesloten. Is er sprake van een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb? 4. Het college heeft in het verweerschrift gereageerd op het verzoek. Het beschikbaar stellen van de vakantiewoning is een feitelijke handeling geweest en niet gericht op rechtsgevolg. Verzoeker en zijn gezin zijn niet verplicht om opvolging te geven aan deze mogelijkheid. Er is ook geen sprake van stopzetting van opvang, omdat de vakantiewoning niet voor onbepaalde tijd beschikbaar is gesteld. In het contact met verzoeker is benoemd dat de vakantiewoning tijdelijk beschikbaar werd gesteld. Het college stelt dan ook dat er geen sprake is van een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb waartegen rechtsmiddelen aangewend kunnen worden. 4.1. Verzoeker is het niet met het college eens en stelt dat er sprake is van een besluit. Door de noodsituatie is er geen besluit op schrift gesteld. Later is wel sprake van schriftelijke communicatie, waarbij aangegeven wordt dat het verblijf in de vakantiewoning verlengd wordt. Verder is verzoeker van mening dat er sprake is van een rechtsgevolg, namelijk het creëren van recht op opvang. De bevoegdheid tot het bieden van noodopvang is geregeld in de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015). Artikel 2.3.3. van de Wmo 2015 bepaalt dat het college in spoedeisende gevallen na een melding onverwijld beslist tot verstrekking van een tijdelijke maatwerkvoorziening, zoals noodpvang. Verzoeker en zijn gezin werden door de politie ook verplicht gebruik te maken van de vakantiewoning. 5. In artikel 8:81, eerste lid, van de Awb is bepaald dat de voorzieningenrechter een voorlopige voorziening kan treffen, indien tegen een besluit bezwaar is gemaakt. Volgens artikel 1:3 van de Awb is een besluit een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan inhoudende een publieksrechtelijke rechtshandeling. 5.1. De voorzieningenrechter is van oordeel dat er geen sprake is van een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb, omdat geen sprake is van een publieksrechtelijke rechtshandeling. Dit legt zij hierna uit. 5.2. Niet is gebleken dat het college, dan wel de burgemeester gebruik heeft gemaakt van een publiekrechtelijke bevoegdheid. De gemeente heeft het verblijf in de vakantiewoning aangeboden, mede op advies van de politie en met instemming van verzoeker en zijn gezin. De voorzieningenrechter begrijpt uit de stukken dat het verblijf van het gezin elders dan in de woning het doel had om de situatie te de-escaleren en te onderzoeken. Het is niet gebleken dat hiervoor een publiekrechtelijke bevoegdheid van het college dan wel de burgemeester is aangewend. De voorzieningenrechter volgt niet dat er sprake is van maatschappelijke opvang op grond van de Wmo 2015. Maatschappelijke opvang is een voorziening voor een betrokkene die de thuissituatie heeft verlaten door problemen bij het handhaven in de samenleving vanwege psychische problematiek, al dan niet in verband met huiselijk geweld. Dat is hier niet aan de orde. Bovendien is ook niet gebleken van een melding van verzoeker voor opvang op grond van de Wmo 2015, waardoor van een tijdelijke maatwerkvoorziening in de zin van de Wmo 2015 ook geen sprake kan zijn. De aanwijzing van de politie om in de vakantiewoning te blijven kan niet aan het college of de burgemeester worden toegerekend en kan dus ook niet als een rechtshandeling namens een van deze bestuursorganen worden gezien. De voorzieningenrechter acht het faciliteren van verblijf in de vakantiewoning en de beëindiging daarvan dan ook een feitelijke handeling en geen besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb. 6. Nu er geen sprake is van een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb is het verzoek niet-ontvankelijk. De voorzieningenrechter merkt ten overvloede op dat indien verzoeker zich op het standpunt stelt dat de feitelijke handeling onrechtmatig is, hij zich tot de burgerlijke rechter kan wenden. Conclusie en gevolgen 7. De voorzieningenrechter is van oordeel dat het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk is. Voor een proceskostenveroordeling of vergoeding van het griffierecht bestaat geen aanleiding. Beslissing De voorzieningenrechter verklaart het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk. Deze uitspraak is gedaan door mr. A.S. Gaastra, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. Y.A.J. van Egmond, griffier. Deze uitspraak wordt openbaar gemaakt door geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl. De voorzieningenrechter is verhinderd deze uitspraak te ondertekenen. griffier voorzieningenrechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open. Artikel 2.3.5, derde lid van de Wmo 2015. Artikel 2.3.3 en artikel 2.3.2, eerste lid, van de Wmo 2015.