Menu

Filter op
content
PONT Klimaat

0

ECLI:NL:RBGEL:2026:3025

Voorlopige voorziening gedeeltelijk toewijzen, nalatigheid zorgplicht en schending van de wetgeving gemeente.

Rechtbank Gelderland 22 April 2026

Jurisprudentie – Uitspraken

ECLI:NL:RBGEL:2026:3025 text/xml public 2026-04-22T17:00:12 2026-04-17 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Gelderland 2026-04-17 AWB 26/996 Uitspraak Proces-verbaal NL Arnhem Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2026:3025 text/html public 2026-04-20T08:44:42 2026-04-22 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBGEL:2026:3025 Rechtbank Gelderland , 17-04-2026 / AWB 26/996
Voorlopige voorziening gedeeltelijk toewijzen, nalatigheid zorgplicht en schending van de wetgeving gemeente.

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummer: ARN 26/996

proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van 26 maart 2026 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen
<?linebreak?> [verzoekster], uit [plaats], verzoekster
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Zevenaar
(gemachtigden: A.T. Naijen, G.C. R. Masselink, M.J.M. Lamers en A. Yahya).
Inleiding
1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoekster.
1.1.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 26 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoekster, [persoon A] (dochter van verzoekster), [persoon B] als tolk en de gemachtigden van het college.
1.2.
Na afloop van de zitting heeft de voorzieningenrechter onmiddellijk uitspraak gedaan.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
2. Verzoekster is samen met haar dochter in het kader van gezinshereniging naar Nederland gekomen.2.1. Verzoekster heeft zich tot het college gewend met een verzoek om een maatwerkvoorziening toe te kennen op grond van artikel 2.3.3. van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo). Na een incident in de huiselijke sfeer is verzoekster samen met haar dochter ondergebracht in een hotel. Dit verblijf eindigt op 1 april 2026. 2.2. Verzoekster heeft na 1 april 2026 geen onderdak meer. Zij wil met het verzoek om voorlopige voorziening bereiken dat het verblijf in het hotel wordt verlengd tot in alternatieve huisvesting is voorzien. Ook wil zij een schadevergoeding van het college wegens schending van artikel 6, van het EVRM.2.3. Niet in geschil is dat verzoekster en haar dochter niet terug kunnen naar de woning van haar voormalige partner waar zij voorheen verbleven. De voorzieningenrechter ziet in de gestelde omstandigheden en in afwachting van de door verzoekster in te dienen aanvraag om een woonurgentie aanleiding het verzoek om voorlopige voorziening toe te wijzen en te bepalen dat met toepassing van artikel 2.3.3 van de Wmo het verblijf in het hotel wordt verlengd tot en met 15 april 2026. In de tussentijd zal door het college aanvullend onderzoek worden gedaan naar de mogelijkheden om verzoekster toe te laten tot de maatschappelijke opvang. Hierbij bepaalt de voorzieningenrechter dat verzoekster haar volledige medewerking dient te verlenen aan het onderzoek, en daarbij dient te accepteren dat medewerkers van het college een gesprek voeren met de dochter van verzoekster, zonder dat verzoekster hierbij aanwezig is. Ook zal verzoekster zelf de echtscheiding dienen aan te vragen en moet zij een aanvraag indienen om in aanmerking te komen voor woonurgentie. 2.4. Voor het toekennen van een schadevergoeding is in een procedure in het kader van een voorlopige voorziening geen ruimte. De voorzieningenrechter wijst het verzoek in zoverre af.Conclusie en gevolgen

3. De voorzieningenrechter wijst het verzoek deels toe, treft de voorlopige voorziening dat het verblijf in het hotel wordt verlengd tot en met 15 april 2026. Voor het overige wijst de voorzieningenrechter het verzoek om voorlopige voorziening af.

4. Er is geen aanleiding om het college in de proceskosten te veroordelen.

5. Partijen zijn erop gewezen dat tegen deze mondelinge uitspraak geen hoger beroep of verzet openstaat.
Beslissing
De voorzieningenrechter:

wijst het verzoek om voorlopige voorziening gedeeltelijk toe;

bepaalt dat het verblijf in het hotel wordt verlengd tot en met 15 april 2026;

wijst het verzoek voor het overige af.

Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 26 maart 2026 door mr. H.J. Klein Egelink, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M.H.Y Snoeren-Bos, griffier.

De voorzieningenrechter en de griffier zijn verhinderd het proces-verbaal van mondelinge uitspraak te ondertekenen.

griffier

voorzieningenrechter

Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Artikel delen