Omgevingsvergunning bouw school Ede; voorlopige voorziening afgewezen.
Rechtbank Gelderland 3 June 2026
Jurisprudentie – Uitspraken
ECLI
ECLI:NL:RBGEL:2026:4287
Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
29-05-2026
Datum publicatie
03-06-2026
Zaaknummer
AWB-26_1937 en AWB-26_1978
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
ECLI:NL:RBGEL:2026:4287text/xmlpublic2026-06-03T17:03:492026-05-29Raad voor de RechtspraaknlRechtbank Gelderland2026-05-29AWB-26_1937 en AWB-26_1978UitspraakVoorlopige voorzieningNLArnhemBestuursrecht; BestuursprocesrechtRechtspraak.nlhttp://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2026:4287text/htmlpublic2026-06-01T08:28:062026-06-03Raad voor de RechtspraaknlECLI:NL:RBGEL:2026:4287 Rechtbank Gelderland , 29-05-2026 / AWB-26_1937 en AWB-26_1978 Omgevingsvergunning bouw school Ede; voorlopige voorziening afgewezen.
RECHTBANK GELDERLAND Zittingsplaats Arnhem Bestuursrecht zaaknummers: ARN 26/1937 en 26/1978 uitspraak van de voorzieningenrechter van in de zaken tussenStichting Millieuwerkgroepen Ede (SMWE), uit Bennekom, en[persoon A], uit [plaats]verzoekers(gemachtigde: mr. M.T. Hoen),
en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Ede (gemachtigden: A.G.J. Polman en J. Stieber). Als derde-partij neemt aan de zaken deel: de gemeente Ede (vergunninghouder)
(gemachtigden: R. Brands en B. de Geest). Samenvatting 1. Deze uitspraak op de verzoeken om een voorlopige voorziening gaat over de aan vergunninghouder verleende omgevingsvergunning voor de bouw van een school en gymzaal aan de [locatie] in [plaats] . Verzoekers zijn het hier niet mee eens. Zij hebben afzonderlijk bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Daartoe voeren zij een aantal gronden aan. 1.1. De voorzieningenrechter beoordeelt bij de vraag of zij een voorlopige voorziening zal treffen of de bezwaren een redelijke kans van slagen hebben. Dat kan een reden zijn om het bestreden besluit te schorsen. Deze vraag beantwoordt zij aan de hand van de gronden van verzoekers. 1.2. De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak de verzoeken af. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. 1.3. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet. Procesverloop 2. Met het bestreden besluit van 30 januari 2026 heeft het college aan vergunninghouder een omgevingsvergunning verleend voor de bouw van een school en gymzaal. Verzoekers hebben hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om voorlopige voorzieningen te treffen. 2.1. De voorzieningenrechter heeft de verzoeken op 21 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [persoon B] namens SMWE, [persoon A] , de gemachtigde van verzoekers, de gemachtigden van het college en de gemachtigden van vergunninghouder. Beoordeling door de voorzieningenrechter 3. Vergunninghouder is voornemens een school en gymzaal te bouwen aan de [locatie] in [plaats] op het terrein van de voormalige [naam kazerne] . Het nieuwe schoolgebouw is bedoeld voor de huisvesting van de [naam school] , die nu nog op een locatie op ongeveer 400 meter ten noordwesten van het plangebied gevestigd is. Het
nieuwe schoolgebouw zal bestaan uit 16 klaslokalen en daarmee ruimte bieden voor maximaal 400 leerlingen voor de hele gemeente Ede. 3.1. Bij besluit van 16 januari 2025 heeft de gemeenteraad het bestemmingsplan " [bestemmingsplan]
" vastgesteld. Bij uitspraak van 12 mei 2025 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) geoordeeld dat niet vast is komen te staan dat de bouw van een basisschool met gymzaal op deze locatie al passend is beoordeeld in het kader van de Nbw-vergunning uit 2015 en dat zo'n beoordeling daarom bij dit bestemmingsplan achterwege mocht worden gelaten. Daarom heeft de Afdeling het besluit van de gemeenteraad van 16 januari 2025 tot vaststelling van het plan geschorst. 3.2. Naar aanleiding van de uitspraak van 12 mei 2025 heeft de gemeenteraad aanvullende stukken bij de Afdeling ingediend. Uit deze stukken volgt volgens de gemeenteraad dat het bestemmingsplan voldoet aan artikel 2.8, tweede lid, van de Wnb. De Afdeling heeft in de uitspraak van 6 januari 2026 geoordeeld dat de gemeenteraad met de aanvullende stukken deugdelijk heeft gemotiveerd dat het bestemmingsplan voldoet aan artikel 2.8, tweede lid, van de Wnb. De voorzieningenrechter verwacht daarom dat de Afdeling in de bodemprocedure zal oordelen dat op grond van die bepaling bij de voorbereiding van het bestemmingsplan een nieuwe passende beoordeling achterwege mocht worden gelaten. Daarom heeft de voorzieningenrechter van de Afdeling de schorsing van het bestemmingsplan opgeheven. 3.3. Met het bestreden besluit van 30 januari 2026 heeft het college de gevraagde omgevingsvergunning verleend voor de activiteiten bouwactiviteit (omgevingsplan), bouwactiviteit (technisch) en afwijken van regels in het omgevingsplan. Het bouwplan is in strijd met het bestemmingsplan omdat de overstekken van het schoolgebouw en de gymzaal meer dan één meter uitsteken en hierdoor niet kunnen worden gezien als een ondergeschikt
bouwdeel. De overstekken worden aangemerkt als een overkapping en moeten worden getoetst aan regels die gelden voor bouwwerken geen gebouw zijnde. In het bouwplan is bovendien een half verdiepte buitenberging opgenomen. De berging zelf valt binnen het bouwvlak. De hellingbaan en keerwanden naar de berging en fietsenstalling zijn gelegen buiten het bouwvlak en zijn bouwwerken geen gebouw zijnde. Het bestemmingsplan staat geen andere bouwwerken geen gebouw zijnde toe dan speelvoorzieningen en erf- en terreinafscheidingen. De overkappingen en de hellingbaan en keerwanden zijn daarom in strijd met het bestemmingsplan. Voor wat betreft de hellingbaan en keerwanden kan binnenplans worden afgeweken, voor de overstekken heeft het college een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsactiviteit (BOPA) verleend. 3.4. Verzoekers hebben afzonderlijk bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd een voorlopige voorziening te treffen. 3.5. Verzoekers betogen allereerst dat de omgevingsvergunning niet verleend had kunnen worden. In de uitspraak van 14 januari 2026 heeft de Afdeling haar rechtspraak over intern salderen in de voortoets bij bestemmingsplannen gewijzigd. Omdat deze wijziging mogelijk van belang is voor (de geldigheid van) het bestemmingsplan heeft de Afdeling de gemeenteraad bij brief van 4 februari 2026 gevraagd om te bezien of de gemeenteraad in de uitspraak van de Afdeling van aanleiding ziet voor het geven van een aanvullende motivering of herstel van het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan. Daarbij heeft de Afdeling de gemeenteraad in de gelegenheid gesteld te reageren en desgewenst het bestreden besluit te herstellen. Hoewel de Afdeling de schorsing van het bestemmingsplan heeft opgeheven, is de werking van het bestemmingsplan door de gewijzigde rechtspraak weer op losse schroeven is gezet. Verzoekers stellen dat de omgevingsvergunning niet verleend mag worden voordat er duidelijkheid is over de vraag of genoemd bestemmingsplan voldoet aan de gewijzigde rechtspraak van de Afdeling inzake intern salderen in de voortoets bij bestemmingsplannen. 3.5.1. De voorzieningenrechter volgt dit betoog niet. Niet in geschil is dat het bestemmingsplan door opheffing van de schorsing in werking is getreden. Het college heeft zich hier bij de totstandkoming van de verleende omgevingsvergunning dan ook op kunnen en moeten baseren. Dat er zoals verzoekers stellen vraagtekens te stellen zijn bij de vraag of het bestemmingsplan voldoet aan de gewijzigde rechtspraak over intern salderen doet hier – wat er overigens ook van zij – niet aan af. Niet alleen ligt het bestemmingsplan niet voor, de voorzieningenrechter is bovendien niet bevoegd daarover te oordelen. 3.6. Verzoeker [persoon A] betoogt verder dat het bouwplan in strijd is met het bestemmingsplan terwijl het bestemmingsplan pas recent is vastgesteld. De overstekken, die in strijd zijn met het bestemmingsplan, zijn vijf meter breed. Daar kunnen veel mensen onder schuilen in geval van regen of kou. Bovendien is in de nabije omgeving last van zogenoemde buitenslapers. Hier wordt door het college onvoldoende tegen op getreden. De vrees bestaat dat deze buitenslapers bij slecht weer onder de overstekken zullen gaan liggen. De afwijkingen maken bovendien dat het pand zowel optisch als feitelijk groter wordt. In de vergunning wordt verder de uitspraak van 6 januari 2026 van de voorzieningsrechter van de Afdeling uitgebreid geciteerd, maar er wordt met geen woord gerept over het feit dat er nog een beroepsprocedure bij de Raad van State loopt die ingrijpende gevolgen kan hebben. Deze onvolledigheid is bedenkelijk. 3.6.1. Het college heeft op de zitting toegelicht dat door het gebruik van overstekken de totale hoogte van het pand lager is gebleven. Bovendien is het volgens het college niet aannemelijk dat er mensen onder gaan liggen omdat de overstekken op een behoorlijke hoogte worden gerealiseerd, waardoor wind en regen er nog steeds onder kan komen. Maar bovendien is dat een aspect dat – als het zich voor doet - in het kader van handhaving aangepakt zal worden, zo heeft het college toegelicht. De fietsenkelder wordt deels buiten het bouwvlak gerealiseerd. Daardoor komt het bouwplan dichter bij de woningen te liggen. Omdat deze ondergronds wordt gerealiseerd zal het effect van de overschrijding van het bouwvlak op de belangen van de omwonenden volgens het college evenwel zeer beperkt zijn. 3.6.2. De voorzieningenrechter stelt voorop dat enkele feit dat een bestemmingsplan recent is vastgesteld niet maakt dat daarvan niet kan worden afgeweken. Wel moet bij de verlening van de omgevingsvergunning worden beoordeeld of de buitenplanse omgevingsactiviteit voldoet aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Dat geldt overigens alleen voor de hierboven in 3.3 genoemde afwijkingen, waarin het bouwplan afwijkt van het bestemmingsplan. Het college komt bij de beslissing om al dan niet toepassing te geven aan de hem toegekende bevoegdheid om in afwijking van het bestemmingsplan een omgevingsvergunning te verlenen, beleidsruimte toe en het moet de betrokken belangen afwegen. De bestuursrechter oordeelt daarom niet zelf of verlening van de omgevingsvergunning in overeenstemming is met een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. De bestuursrechter beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit in overeenstemming is met het recht. Daarbij kan aan de orde komen of de nadelige gevolgen van het besluit onevenredig zijn in verhouding tot de met de verlening van de omgevingsvergunning te dienen doelen. 3.6.3. Verzoeker heeft in zijn verzoekschrift niet onderbouwd waarom hij het niet eens is met de verleende omgevingsvergunning en de vergunde afwijkingen. Hij is hier op de zitting wel op ingegaan, maar het voert in het kader van deze spoedprocedure te ver om deze (relatief beperkte) afwijkingen inhoudelijk te beoordelen. Het college heeft bovendien in het bestreden besluit gemotiveerd dat het bouwplan voldoet aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Ook heeft het college onderbouwd waarom de afwijking van het bestemmingsplan in de gegeven omstandigheden redelijk is en waarom de belangen van verzoeker zich hier niet tegen zouden verzetten. De voorzieningenrechter heeft op voorhand geen reden om aan de gegeven onderbouwing te twijfelen. Daarbij komt dat verzoeker op 200 meter afstand van de school woont en dat het college heeft aangegeven dat, hoewel het onwaarschijnlijk is dat er buitenslapers onder de overkapping zullen gaan liggen, hier indien nodig handhavend tegen opgetreden zal worden. Verder acht de voorzieningenrechter van belang dat het bestemmingsplan het bouwplan voor het grootste deel toestaat en dat op korte termijn een beslissing zal worden genomen op de ingediende bezwaarschriften, waarbij de verleende vergunning voor het afwijken van het bestemmingsplan zal worden beoordeeld. 3.6.4. De voorzieningenrechter is concluderend van oordeel dat er op dit moment geen reden is om aan te nemen dat de verleende omgevingsvergunning in bezwaar niet in stand zal kunnen blijven. Voor het treffen van een voorlopige voorziening is daarom geen reden. Dat, zoals verzoeker heeft aangevoerd, in de omgevingsvergunning slechts wordt gewezen op de uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling van 6 januari 2026 en niet wordt benoemd dat er nog een procedure loopt tegen het besluit van de gemeenteraad om het bestemmingsplan vast te stellen, doet hier tenslotte niet aan af. Juist de uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling is immers van belang voor de verleende omgevingsvergunning, omdat met deze uitspraak de schorsing van het bestemmingsplan werd opgeheven en de weg werd vrijgemaakt om de aangevraagde omgevingsvergunning te verlenen. Conclusie en gevolgen 4. De voorzieningenrechter wijst de verzoeken af. Dat betekent dat de omgevingsvergunning niet wordt geschorst en vergunninghouder een aanvang kan maken met de werkzaamheden. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De voorzieningenrechter wijst de verzoeken om voorlopige voorzieningen af. Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J.M. Verhoeven, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M.H.Y Snoeren-Bos, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. De griffier is verhinderd de uitspraakte ondertekenen. griffier voorzieningenrechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open. ECLI:NL:RVS:2025:2119 ECLI:NL:RVS:2026:57 ECLI:NL:RVS:2026:193 Vgl. ABRvS 15 maart 2017, ECLI:NL:RVS:2017:702 en ABRvS 5 april 2017, ECLI:NL:RVS:2017:941. Dit volgt uit artikel 8.0a, van het Besluit kwaliteit leefomgeving.