Vervolg op ECLI:NL:RBGEL:2026:2490. Eindvonnis nadat eiser in reconventie van bewijslevering heeft afgezien.
Rechtbank Gelderland 5 June 2026
Jurisprudentie – Uitspraken
ECLI
ECLI:NL:RBGEL:2026:4404
Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
03-06-2026
Datum publicatie
05-06-2026
Zaaknummer
447177
Rechtsgebied
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
ECLI:NL:RBGEL:2026:4404text/xmlpublic2026-06-05T14:49:542026-06-03Raad voor de RechtspraaknlRechtbank Gelderland2026-05-20447177UitspraakBodemzaakEerste aanleg - enkelvoudigNLArnhemCiviel recht; VerbintenissenrechtRechtspraak.nlhttp://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2026:4404text/htmlpublic2026-06-05T14:46:312026-06-05Raad voor de RechtspraaknlECLI:NL:RBGEL:2026:4404 Rechtbank Gelderland , 20-05-2026 / 447177 Vervolg op ECLI:NL:RBGEL:2026:2490. Eindvonnis nadat eiser in reconventie van bewijslevering heeft afgezien.
RECHTBANK Gelderland Civiel recht Zittingsplaats Arnhem Zaaknummer: C/05/447177 / HA ZA 25-52 Vonnis van 20 mei 2026 in de zaak van
[eiser]
,
te [woonplaats] ,
eisende partij in conventie,
verwerende partij in reconventie,
advocaat: mr. V.W.J.H. Kobossen, tegen 1 [gedaagde 1] , te [vestigingsplaats] ,2. [gedaagde 2],
te [woonplaats] ,3. [gedaagde 3],
te [woonplaats] ,
gedaagde partijen in conventie,
eisende partijen in reconventie,
advocaat: mr. D. Coskun. Eisende partij zal hierna [eiser] worden genoemd. Gedaagde partijen zullen hierna afzonderlijk [gedaagde 1] , [gedaagde 2] en [gedaagde 3] worden genoemd. Gezamenlijk zullen zij [gedaagden] worden genoemd. 1De procedure1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 25 maart 2026,- het B16-formulier van [gedaagden] van 22 april 2026, waarbij [gedaagden] aangeeft dat zij afziet van bewijslevering en de rechtbank verzoekt om vonnis te wijzen. 1.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 2De verdere beoordeling in conventie 2.1. Op grond van de tussen partijen gesloten overeenkomst heeft [gedaagden] een revisiemotor in de bus van [eiser] geplaatst. De revisiemotor heeft het binnen enkele maanden begeven. In verband hiermee heeft [eiser] verschillende vorderingen tegen [gedaagden] ingesteld, die hij heeft gebaseerd op de stelling dat [gedaagden] is tekortgeschoten in de nakoming van haar verplichtingen uit de overeenkomst. Bij tussenvonnis van 25 maart 2026 (hierna: het tussenvonnis) heeft de rechtbank geoordeeld dat [eiser] deze stelling onvoldoende met feiten heeft onderbouwd, zodat aan nader onderzoek of bewijslevering niet wordt toegekomen. Daarmee ontvalt de grondslag aan de vorderingen van [eiser] . Die vorderingen zullen daarom worden afgewezen. Proceskosten 2.2.
[eiser] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagden] worden begroot op: - griffierecht € 2.995,00 - salaris advocaat € 1.108,00 (2 punten × € 554,00) - nakosten € 189,00 (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing) Totaal € 4.292,00 2.3. De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing. in reconventie 2.4.
[gedaagden] maakt aanspraak op betaling door [eiser] van de factuur van
16 juli 2023 van € 1.957,66 inclusief btw. Deze factuur bestaat uit twee posten, namelijk de post ‘doorbelasting kosten van de [naam] ’ en de post ‘tevens de eerdere reparaties n.a.v. uw klachten / repara opdracht vervangen aircopomp geluid afkostig van de dynamo’. 2.5. In het tussenvonnis heeft de rechtbank al overwogen en beslist dat de vordering van [gedaagden] tot betaling van € 1.957,66 inclusief btw zal worden afgewezen, voor zover dat bedrag betrekking heeft op de post ‘doorbelasting kosten van de [naam] ’.
Ten aanzien van de post ‘tevens de eerdere reparaties n.a.v. uw klachten / repara opdracht vervangen aircopomp geluid afkostig van de dynamo’ is [gedaagden] in de gelegenheid gesteld om bewijs te leveren dat [eiser] opdracht heeft gegeven voor de werkzaamheden die op de factuur vermeld staan onder deze post en dat [gedaagden] de gefactureerde werkzaamheden daadwerkelijk heeft verricht. 2.6. In haar bericht van 22 april 2026 heeft [gedaagden] te kennen gegeven dat zij afziet van de mogelijkheid bewijs te leveren en heeft zij de rechtbank verzocht om vonnis te wijzen. Dit betekent dat [gedaagden] niet in haar bewijsopdracht is geslaagd. Zoals overwogen in het tussenvonnis leidt dit ertoe dat ook het deel van de vordering van [gedaagden] van € 1.957,66 inclusief btw dat betrekking heeft op de post ‘tevens de eerdere reparaties n.a.v. uw klachten / repara opdracht vervangen aircopomp geluid afkostig van de dynamo’ zal worden afgewezen. Daarmee ontvalt de grondslag aan de vorderingen van [gedaagden] tot betaling door [eiser] van wettelijke (handels)rente en buitengerechtelijke kosten, zodat die vorderingen eveneens zullen worden afgewezen. Proceskosten 2.7.
[gedaagden] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op: - salaris advocaat € 1.108,00 (2 punten × € 554,00) - nakosten € 189,00 (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing) Totaal € 1.297,00 2.8. De veroordeling wordt hoofdelijk uitgesproken. Dat betekent dat iedere veroordeelde kan worden gedwongen het hele bedrag te betalen. Als de één (een deel) betaalt, hoeft de ander dat (deel van het) bedrag niet meer te betalen. 3De beslissing De rechtbank in conventie 3.1. wijst de vorderingen van [eiser] af, 3.2. veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 4.292,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, 3.3. veroordeelt [eiser] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald, 3.4. verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad, in reconventie 3.5. wijst de vorderingen van [gedaagden] af, 3.6. veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk in de proceskosten van € 1.297,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [gedaagden] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend. Dit vonnis is gewezen door mr. E. Boerwinkel en in het openbaar uitgesproken op 20 mei 2026. 943 / 1787 In de koptekst (vanaf pagina 2) en onderaan dat tussenvonnis staat per abuis het verkeerde jaartal: 2025 in plaats van 2026. Omdat de datum in de kop van het tussenvonnis wel juist is en het tussenvonnis geen voor tenuitvoerlegging vatbare titel bevat heeft de rechtbank besloten niet ambtshalve een herstelvonnis te wijzen.