ECLI:NL:RBGEL:2026:4998
IB/PVV
Rechtbank Gelderland 1 July 2026
Jurisprudentie – Uitspraken
ECLI:NL:RBGEL:2026:4998
text/xml
public
2026-07-01T09:00:15
2026-06-24
Raad voor de Rechtspraak
nl
Rechtbank Gelderland
2026-06-24
ARN 25/124
Uitspraak
Eerste aanleg - enkelvoudig
NL
Arnhem
Bestuursrecht; Belastingrecht
Rechtspraak.nl
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2026:4998
text/html
public
2026-06-24T13:12:40
2026-07-01
Raad voor de Rechtspraak
nl
ECLI:NL:RBGEL:2026:4998 Rechtbank Gelderland , 24-06-2026 / ARN 25/124
IB/PVV
RECHTBANK GELDERLAND
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 25/124
uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 24 juni 2026
in de zaak tussen
[belanghebbende] , uit [woonplaats] , belanghebbende
en
de inspecteur van de belastingdienst, kantoor Eindhoven, de inspecteur.
Inleiding
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 2 december 2024.
De inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar 2023 een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 155.687.
Gelijktijdig met de vaststelling van de aanslag heeft de inspecteur belanghebbende € 120 belastingrente in rekening gebracht (de belastingrentebeschikking).
Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen de belastingrentebeschikking. De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende tegen de belastingrentebeschikking ongegrond verklaard en de beschikking gehandhaafd.
De inspecteur heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep op 7 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft belanghebbende deelgenomen en namens de inspecteur [gemachtigde 1] en [gemachtigde 2] .
Feiten
De inspecteur heeft op 31 januari 2023 aan belanghebbende op basis van geschatte inkomensgegevens een voorlopige aanslag IB/PVV voor het jaar 2023 opgelegd naar een te betalen bedrag van € 9.503.
Op 25 juli 2023 heeft belanghebbende een verzoek tot wijziging van de voorlopige aanslag IB/PVV 2023 ingediend. Het aangegeven verzamelinkomen bedraagt € 140.052. Dit is als volgt opgebouwd:
Belastbare winst uit onderneming
€ 150.474
Saldo inkomsten en aftrekposten eigen woning
-/- € 8.022
Uitgaven voor inkomensvoorzieningen
-/- € 2.400
Verzamelinkomen
€ 140.052
3. Met dagtekening 11 augustus 2023 heeft de inspecteur aan belanghebbende een gewijzigde voorlopige aanslag IB/PVV 2023 opgelegd. Het verzamelinkomen is daarbij conform het verzoek van belanghebbende vastgesteld op € 140.052. De voorlopige aanslag betreft een te betalen bedrag van € 55.677.
4. Op 20 juni 2024 heeft belanghebbende de aangifte IB/PVV 2023 ingediend. Het aangegeven verzamelinkomen bedraagt € 155.687. Dit is als volgt opgebouwd:
Belastbare winst uit onderneming
€ 162.822
Uitgaven voor inkomensvoorzieningen
-/- € 7.135
Verzamelinkomen
€ 155.687
5. De inspecteur heeft met dagtekening 16 augustus 2024 de definitieve aanslag IB/PVV aan belanghebbende opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning, tevens verzamelinkomen, van € 155.687. De aanslag leidt tot een te betalen bedrag van € 6.662 (exclusief belastingrente). De inspecteur heeft € 120 aan belastingrente in rekening gebracht. De belastingrente is berekend over de periode 1 juli 2024 tot en met 27 september 2024.
6. De inspecteur heeft met dagtekening 5 november 2024 de voorgenomen beslissing op bezwaar aan belanghebbende kenbaar gemaakt.
7. Op 2 december 2024 hebben partijen telefonisch contact gehad. De inspecteur heeft te kennen gegeven dat een hoorgesprek zijn standpunt niet zou doen wijzigen. Belanghebbende heeft daarop besloten af te zien van een hoorgesprek.
8. Belanghebbende is gehuwd met [partner] (de fiscale partner). De definitieve aanslag IB/PVV 2023 van de fiscale partner betreft een te ontvangen bedrag van € 3.456. Daarbij is geen belastingrente vergoed.
Beoordeling door de rechtbank
9. De rechtbank beoordeelt of de belastingrente terecht en naar het juiste bedrag in rekening is gebracht en of sprake is van strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.
10. Het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Belastingrente
Wettelijk kader
11. Artikel 3:4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) luidt als volgt:
1. Het bestuursorgaan weegt de rechtstreeks bij het besluit betrokken belangen af, voor zover niet uit een wettelijk voorschrift of uit de aard van de uit te oefenen bevoegdheid een beperking voortvloeit.2. De voor een of meer belanghebbenden nadelige gevolgen van een besluit mogen niet onevenredig zijn in verhouding tot de met het besluit te dienen doelen.
12. Artikel 30fc van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) luidt, voor zover van belang, als volgt:
1. Indien met betrekking tot de inkomstenbelasting (…) na het verstrijken van een periode van 6 maanden te rekenen vanaf het einde van het tijdvak waarover de belasting wordt geheven een aanslag (…) met een door de belastingplichtige te betalen bedrag aan belasting wordt vastgesteld, wordt met betrekking tot die aanslag, (…), aan de belastingplichtige rente – belastingrente – in rekening gebracht.2. De belastingrente wordt enkelvoudig berekend over het tijdvak dat aanvangt 6 maanden te rekenen vanaf het einde van het tijdvak waarover de belasting wordt geheven en eindigt op de dag voorafgaand aan de dag waarop de aanslag, (…), invorderbaar is ingevolge artikel 9 van de Invorderingswet 1990 en heeft als grondslag het te betalen bedrag aan belasting.3. Ingeval de aanslag is vastgesteld overeenkomstig de ingediende aangifte, eindigt het tijdvak waarover de belastingrente wordt berekend in afwijking in zoverre van het tweede lid, uiterlijk 19 weken na de datum van ontvangst van de aangifte.4. Geen belastingrente wordt in rekening gebracht ingeval de aanslag inkomstenbelasting (…) is vastgesteld overeenkomstig een ingediende aangifte die is ontvangen voor de eerste dag van de vijfde, (…), maand na afloop van het tijdvak waarover de belasting wordt geheven.(…).
13. Artikel 30hb van de AWR luidde van 1 oktober 2020 tot en met 31 december 2024 als volgt:
Het percentage van de belastingrente bedraagt een bij algemene maatregel van bestuur vast te stellen percentage, dat voor verschillende belastingen verschillend kan worden vastgesteld.
14. Artikel 1 van het Besluit belasting- en invorderingsrente (hierna: Bbi) luidde, voor zover van belang, vanaf 1 januari 2024:
Het percentage van de belastingrente, bedoeld in artikel 30hb van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, voor een kalenderjaar is voor de inkomstenbelasting, (…) gelijk aan het percentage van de herfinancieringsrente die door de Europese Centrale Bank is vastgesteld voor haar meest recente basisherfinancieringstransactie die heeft plaatsgevonden vóór 1 november van het aan het betreffende kalenderjaar voorafgaande kalenderjaar, vermeerderd met 3 procentpunt, met dien verstande dat:a. aanpassing van het percentage, indien nodig, jaarlijks per 1 januari geschiedt;b. afronding van het percentage plaatsvindt op halve procentpunten;c. het percentage ten minste 4,5 bedraagt; end. aanpassing van het percentage is beperkt tot maximaal 2 procentpunt per wijziging.
15. Ingevolge het Besluit vaststelling wettelijke rente bedroeg de wettelijke rente met ingang van 1 januari 2024 7,00%.
Toepassing op de zaak
16. Belanghebbende heeft zich op het standpunt gesteld dat bij de berekening van de belastingrente sprake is van discriminatie en willekeur, hetgeen tot ongelijke behandeling leidt. Verder stelt belanghebbende dat het gelijkheidsbeginsel is geschonden doordat aan belanghebbende belastingrente in rekening wordt gebracht, terwijl aan de fiscale partner ter zake van de teruggaaf van inkomstenbelasting geen belastingrente is vergoed. Verder heeft belanghebbende gesteld dat bij de berekening van belastingrente sprake is van strijdigheid met het evenredigheidsbeginsel.
17. Het gelijkheidsbeginsel houdt in dat gelijke gevallen gelijk dienen te worden behandeld. Ongelijke behandeling van gelijke gevallen is slechts toegestaan als daarvoor een objectieve en redelijke rechtvaardiging bestaat.
18. Belanghebbende stelt in dit kader dat het oneerlijk is dat belastingrente wordt berekend indien belasting is verschuldigd en dat geen belastingrente wordt vergoed indien sprake is van een terug te ontvangen bedrag. Belanghebbende benoemt in dit kader specifiek dat de definitieve aanslag IB/PVV 2023 van de fiscaal partner een te ontvangen bedrag bedraagt.
19. Naar het oordeel van de rechtbank bevindt iemand die een belastingteruggaaf ontvangt zich rechtens en feitelijk niet in dezelfde positie als belanghebbende, die belasting is verschuldigd. Het feit dat bij een aanslag naar een te betalen bedrag belastingrente in rekening wordt gebracht terwijl bij een te ontvangen teruggaaf over dezelfde periode geen belastingrente wordt vergoed, vloeit voort uit het wettelijke systeem en vormt geen reden voor vermindering van de in rekening gebrachte belastingrente. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel slaagt daarom niet.
20. De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 16 januari 2026 geoordeeld dat de selectieve renteverhoging van de belastingrente voor vennootschapsbelastingplichtigen in strijd is met het evenredigheids- en het gelijkheidsbeginsel. In de ten overvloede gegeven overwegingen bij dit arrest heeft de Hoge Raad, voor zover hier van belang, het volgende overwogen:
“4.11.3
Van het belastingrentepercentage van artikel 1, letter a, van het Besluit kan, bij gelijke toepassing daarvan op alle soorten belastingen waarvoor belastingrente in rekening wordt gebracht, niet worden gezegd dat het een inbreuk vormt op het gelijkheidsbeginsel. Het komt evenmin in strijd met het verbod van discriminatie in artikel 1 van de Grondwet en in internationale verdragen.
4.11.4
Evenmin leidt deze bepaling in de jaren 2022 en 2023 tot een inbreuk op het evenredigheidsbeginsel. Het in die bepaling geregelde rentepercentage is in beginsel gelijk aan de in artikel 6:119 BW bedoelde wettelijke rente voor verbintenissen tot betaling van een geldsom in gevallen waarin geen sprake is van een handelsovereenkomst. Deze wettelijke rente wordt berekend door de basisherfinancieringsrente van de Europese Centrale Bank te verhogen met een opslag van (in de onderhavige jaren) 2,25 procentpunt, met een rekenkundige afronding van halve procenten. Van een aldus berekende rente kan niet worden gezegd dat die disproportioneel hoog is. Hetzelfde geldt voor het met ingang van 1 januari 2024 in artikel 1 van het Besluit daarvoor in de plaats getreden percentage van de herfinancieringsrente die door de Europese Centrale Bank is vastgesteld voor een recente basisherfinancieringstransactie, vermeerderd met 3 procentpunt.
4.11.5
In het geval de in artikel 6:119 BW bedoelde wettelijke rente lager is dan (in de onderhavige jaren) 4 procent, wordt de in artikel 1, letter a, van het Besluit bedoelde rente gesteld op 4 procent. Met ingang van 2024 bedraagt het minimum rentepercentage volgens artikel 1, lid 1, letter a, van het Besluit 4,5. Die minimumpercentages zijn in een zodanig geval weliswaar relatief hoog, in vergelijking met de wettelijke rente, maar komen niet in strijd met het evenredigheidsbeginsel, in aanmerking genomen dat
(i) de absolute hoogte ervan niet als excessief kan worden aangemerkt,
(ii) dit percentage geldt voor de belastingrente bij alle belastingen waarvoor zulke rente in rekening wordt gebracht,
(iii) de invoering ervan – oorspronkelijk in artikel 30hb AWR – berustte op budgettaire overwegingen, [Voetnoot 19: Kamerstukken II, 2013/14, 33 755, nr. 3, blz. 2.] die bij de vaststelling van het rentepercentage voor de belastingrente als legitiem doel kunnen worden aangemerkt (zie hiervoor in 4.8.1), en
(iv) een relatief hoge belastingrente voor alle daarvoor in aanmerking komende belastingen eveneens bijdraagt aan een legitiem doel, omdat deze maatregel, overeenkomstig de bedoeling van de wetgever, een prikkel voor belastingplichtigen vormt om op tijd en juist aangifte te doen of (tijdig) om een voorlopige aanslag of een aanpassing daarvan te verzoeken. Ook indien veel belastingplichtigen daartoe, zoals belanghebbende heeft aangevoerd, in redelijkheid niet of niet tijdig in staat zijn, kan dat doel niettemin in de beschouwing worden betrokken, met het oog op de gevallen waarin kan worden verwacht dat de berekening van belastingrente naar een relatief hoog percentage wel dit beoogde effect heeft.
Onder de hiervoor vermelde vier omstandigheden kan niet – met inachtneming van de hiervoor in 4.5.2 bedoelde terughoudendheid – worden aangenomen dat de nadelige gevolgen van de genoemde minimum rentepercentages voor de betrokken belastingplichtigen onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen doelen.
4.11.6
Gelet op hetgeen hiervoor in 4.11.4 en 4.11.5 is overwogen, kan evenmin worden gezegd dat de daar bedoelde rentepercentages een ‘fair balance’ tussen de belangen van het betrokken individu en het algemene belang niet respecteren en daarom inbreuk maken op artikel 1 van het Eerste Protocol bij het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM)
(…).”
21. Uit de hiervoor geciteerde overwegingen van de Hoge Raad volgt dat het percentage van de belastingrente voor de inkomstenbelasting dat aan belanghebbende in rekening is gebracht, niet in strijd is met het evenredigheidsbeginsel en het gelijkheidsbeginsel. Gelet op hetgeen de Hoge Raad heeft overwogen in rechtsoverweging 4.11.4 van voornoemd arrest, is ook in absolute zin het percentage belastingrente niet te hoog. De hierop gerichte beroepsgronden van belanghebbende slagen derhalve niet.
22. Belanghebbende heeft gesteld dat hij voor het tijdstip van indienen van de aangifte IB/PVV afhankelijk is van het accountantskantoor. Dit is een aspect dat voor rekening van belanghebbende komt. Deze stelling slaagt daarom niet.
Zorgvuldigheidsbeginsel/hoorgesprek
Wettelijk kader
23. Artikel 3:2 van de Awb luidt als volgt:
Bij de voorbereiding van een besluit vergaart het bestuursorgaan de nodige kennis omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen.
Toepassing op de zaak
24. Belanghebbende heeft gesteld dat sprake is van schending van het zorgvuldigheidsbeginsel. De inspecteur heeft in de bezwaarfase namelijk te kennen gegeven dat een hoorgesprek niet tot een andere uitkomst zou leiden dan de voorgenomen beslissing van 5 november 2024. Daardoor heeft belanghebbende afgezien van het hoorrecht. De handelwijze van de inspecteur is volgens belanghebbende in strijd is met het zorgvuldigheidsbeginsel.
25. De inspecteur heeft ter zitting erkend dat zijn collega zich in de bezwaarfase niet gelukkig heeft uitgelaten door te stellen dat een hoorgesprek geen wijziging zou brengen in zijn standpunt. Hij heeft toegelicht dat de uitlating van de collega te maken heeft met het geschilpunt. In zaken als deze waarin het gaat over de in rekening te brengen belastingrente heeft de inspecteur namelijk niet de ruimte om de rente te verminderen. De rechtbank ziet geen aanleiding om de zaak terug te wijzen naar de inspecteur omdat belanghebbende daar niet om heeft verzocht. De inspecteur heeft aangegeven dat de uitlating van de collega aanleiding is om het griffierecht aan belanghebbende te vergoeden. De rechtbank is van oordeel dat hiermee voldoende rekening is gehouden met de minder zorgvuldige wijze waarop de medewerker van de belastingdienst zich heeft uitgelaten en zal dienovereenkomstig beslissen.
Conclusie en gevolgen
26. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de uitspraak op bezwaar in stand blijft. Belanghebbende krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten. De inspecteur moet het griffierecht van € 53 aan belanghebbende vergoeden.
Beslissing
De rechtbank:
verklaart het beroep ongegrond;
bepaalt dat de inspecteur het griffierecht van € 53 aan belanghebbende moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P.J. Tikken, rechter, in aanwezigheid van mr. T.J.P. Wientjens, griffier.
Uitgesproken op 24 juni 2026.
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.
griffier
rechter
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Hoge Raad 6 juni 1979, ECLI:NL:HR:1979:AM4573.
Vergelijk Hoge Raad 26 maart 1997, ECLI:NL:HR:1997:AA214.
Hoge Raad 13 november 2020, ECLI:NL:HR:2020:1778.
ECLI:NL:HR:2026:59.