Menu

Filter op
content
PONT Klimaat

0

ECLI:NL:RBGEL:2026:6499

MRB; gebruik gemaakt van de openbare weg met motorrijtuig met buitenlands kenteken. Belanghebbende heeft niet doen blijken dat hij niet de feitelijke beschikking had over de auto. Bezwaar tegen rekening terecht niet-ontvankelijk verklaard. Beroepen ongegrond.

Rechtbank Gelderland 24 August 2026

Jurisprudentie – Uitspraken

ECLI:NL:RBGEL:2026:6499 text/xml public 2026-08-24T09:00:13 2026-08-19 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Gelderland 2026-08-19 ARN 25/4018 & ARN 25/4024 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Arnhem Bestuursrecht; Belastingrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2026:6499 text/html public 2026-08-19T11:03:50 2026-08-24 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBGEL:2026:6499 Rechtbank Gelderland , 19-08-2026 / ARN 25/4018 & ARN 25/4024
MRB; gebruik gemaakt van de openbare weg met motorrijtuig met buitenlands kenteken. Belanghebbende heeft niet doen blijken dat hij niet de feitelijke beschikking had over de auto. Bezwaar tegen rekening terecht niet-ontvankelijk verklaard. Beroepen ongegrond.

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummers: ARN 25/4018 en 25/4024
<?linebreak?>uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 19 augustus 2026
in de zaken tussen
<?linebreak?> [belanghebbende] , uit [woonplaats] , belanghebbende,
en

de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Heerlen/Centrale Administratie, de inspecteur.
Inleiding
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 30 juli 2025.

De inspecteur heeft aan belanghebbende een rekening motorrijtuigenbelasting (MRB) over het tijdvak dat loopt van 2 januari 2025 tot 2 april 2025 gestuurd van € 277.

De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende tegen deze rekening kennelijk niet-ontvankelijk verklaard. De inspecteur heeft daarnaast de registratie van het kenteken per 2 april 2025 beëindigd, waardoor de rekeningen over de periodes vanaf 2 april 2025 komen te vervallen.

De inspecteur heeft aan belanghebbende een naheffingsaanslag MRB over het tijdvak dat loopt van 2 januari 2024 tot en met 1 januari 2025 opgelegd van € 1.168 (de naheffingsaanslag).

Gelijktijdig met de vaststelling van de naheffingsaanslag heeft de inspecteur aan belanghebbende een verzuimboete van € 584 opgelegd (de boetebeschikking).

De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard.

De inspecteur heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.

De rechtbank heeft het beroep op 17 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben namens de inspecteur [persoon 1] en [persoon 2] deelgenomen. Belanghebbende is, zonder kennisgeving vooraf, niet op zitting verschenen.

Belanghebbende procedeert vrijwillig digitaal (via Digitale Toegang) bij de rechtbank. De rechtbank heeft op 19 mei 2026 belanghebbende via Digitale Toegang onder vermelding van tijd en plaats uitgenodigd voor de mondelinge behandeling van de zitting op 17 juni 2026. De rechtbank heeft op 19 mei 2026 om 9:51 uur een geautomatiseerd notificatiebericht gestuurd aan het opgegeven e-mailadres met daarin de mededeling dat de uitnodiging voor de zitting is geplaatst in het digitale dossier. Belanghebbende heeft de uitnodiging voor de zitting aldus op 19 mei 2026 ontvangen, dan wel wordt geacht die dan te hebben ontvangen. De rechtbank is van oordeel dat de uitnodiging om op de zitting te verschijnen op juiste wijze en tijdig is aangeboden.
Feiten
1. Belanghebbende stond blijkens de gegevens uit de Basisregistratie Personen (BRP) vanaf 13 januari 2004 ingeschreven op verschillende adressen in [persoon 2] .

2. Op 2 januari 2025 om 00.05 uur heeft de politie geconstateerd dat belanghebbende met een motorrijtuig van het merk Audi, type RS 4 avant, voorzien van het buitenlandse (Duitse) kenteken [kenteken] (de auto) gebruik heeft gemaakt van de openbare weg in Nederland. Het controleformulier vermeldt de volgende verklaring van belanghebbende:

“Ik heb het voertuig gehuurd voor een bruiloft. Het voertuig had eigenlijk vandaag al terug gemoeten naar de verhuurder in Duitsland.”

3. De inspecteur heeft met dagtekening 20 januari 2025 aan belanghebbende een brief gezonden met het opschrift “Gevolgen controle”. Daarin is onder meer vermeld dat belanghebbende, voor het gebruik van de openbare weg in Nederland, mogelijk motorrijtuigenbelasting moet betalen.

4. Naar aanleiding van de controle heeft de inspecteur met dagtekening 3 maart 2025 een vooraankondiging voor de naheffingsaanslag MRB met boetebeschikking aan belanghebbende gezonden. Daarin is onder meer het volgende vermeld:

“(…)

Constatering

U hebt gebruik van de weg gemaakt met een in het buitenland geregistreerd motorrijtuig, zonder dat de verschuldigde mrb is betaald.
Houder woonachtig in Nederland
U staat ingeschreven in de Basisregistratie Personen (BRP) of had ingeschreven moeten staan. Voor de heffing van de mrb neem ik daarom aan dat u in Nederland woont. Het motorrijtuig staat u feitelijk ter beschikking. Dat betekent dat u wordt aangemerkt als houder. De houder van een motorrijtuig moet de verschuldigde mrb betalen.

(…)

De naheffingsaanslag wordt altijd berekend over een periode van 12 maanden. De laatste dag van deze periode is de dag voorafgaand aan de dag waarop gebruik van de weg is geconstateerd. Indien blijkt dat het motorrijtuig over een gedeelte van de tijdsduur van 12 maanden u niet feitelijk ter beschikking heeft gestaan, wordt over dat gedeelte de belasting niet nageheven.

(…)

Stond het motorrijtuig niet de hele naheffingsperiode ter beschikking? Ligt

uw woonplaats niet in Nederland? Dan moet u dat aannemelijk maken door

tegenbewijs aan mij te sturen.

(…)”

5. Bij brief, ontvangen op 28 maart 2025, heeft belanghebbende op de vooraankondiging gereageerd. Belanghebbende geeft in zijn reactie onder meer aan: “Mijn vriend heeft deze auto gehuurd en ik mocht een klein rondje maken”. De inspecteur heeft belanghebbende vervolgens bij brief van 8 april 2025 gevraagd om het huurcontract aan te leveren en belanghebbende in de gelegenheid gesteld om tot 22 april 2025 schriftelijk te reageren. Belanghebbende heeft niet gereageerd.

6. Met dagtekening 20 mei 2025 heeft de inspecteur aan belanghebbende een rekening over de periode van 2 januari 2025 tot 2 april 2025 (met [kenmerk] ) verzonden van € 277.

7. Met dagtekening 20 mei 2025 heeft de inspecteur aan belanghebbende een naheffingsaanslag MRB voor de periode van 2 januari 2024 tot en met 1 januari 2025 opgelegd van € 1.168. De inspecteur heeft gelijktijdig een boete van € 584 opgelegd.

8. Belanghebbende heeft tegen de naheffingsaanslag en de rekening bezwaar gemaakt. De inspecteur heeft het bezwaarschriften op 27 mei en 3 juni 2025 ontvangen.

9. Met dagtekening 30 juli 2025 heeft de inspecteur het bezwaar tegen de niet-betaalde rekening kennelijk niet-ontvankelijk verklaard. Met dagtekening 30 juli 2025 heeft de inspecteur ook het bezwaar tegen de naheffingsaanslag ongegrond verklaard en de naheffingsaanslag en verzuimboete gehandhaafd.
Beoordeling door de rechtbank
10. De rechtbank beoordeelt of de naheffingsaanslag en de boetebeschikking terecht en tot de juiste hoogte zijn opgelegd. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.

11. De rechtbank is van oordeel dat de beroepen ongegrond zijn. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Rekening MRB (25/4018)

12. De rechtbank beoordeelt eerst of het bezwaar tegen de rekening terecht niet-ontvankelijk is verklaard door de inspecteur.

13. De rechtbank overweegt als volgt. Op grond van het gesloten stelsel van bezwaar en beroep in belastingzaken is het niet mogelijk om in bezwaar te komen tegen een rekening motorrijtuigenbelasting. Verder overweegt de rechtbank dat de motorrijtuigenbelasting een aangiftebelasting is. Artikel 26, tweede lid, van de AWR maakt het mogelijk in bezwaar en beroep te komen tegen de voldoening of afdracht op aangifte. Van een voldoening of afdracht is de rechtbank echter niet gebleken.

14. De conclusie luidt dat het bezwaar tegen de rekening terecht niet-ontvankelijk is verklaard. De rechtbank komt daarom niet toe aan een inhoudelijke behandeling. Het beroep met zaaknummer ARN 25/4018 is dus ongegrond.

De naheffingsaanslag (25/4024)

15. Belanghebbende heeft aangevoerd dat hij niet de houder van de auto is. Het betreft een huurauto die in het buitenland is gehuurd en slechts tijdelijk door belanghebbende is gebruikt. Belanghebbende stelt dit te kunnen aantonen door middel van het huurcontract. De MRB is daarom ten onrechte in rekening gebracht.

16. De inspecteur stelt zich op het standpunt dat belanghebbende niet heeft doen blijken dat de auto hem maar één dag feitelijk ter beschikking stond. Belanghebbende had op 2 januari 2025 de feitelijke beschikkingsmacht over een auto waarvoor de verschuldigde aangifte MRB niet was gedaan en geen vrijstellingsverzoek was ingediend. Belanghebbende heeft twee huurovereenkomsten overgelegd en (vermoedelijk) een inleverbewijs van een auto. De huurovereenkomsten staan niet op naam van belanghebbende en het inleverbewijs ziet op een andere auto (een Citroën C1).

17. De rechtbank overweegt als volgt. In de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994 (Wet MRB) is bepaald dat MRB wordt geheven ter zake van het houden van een personenauto. Een motorrijtuig wordt onder andere gehouden door degene die een in het buitenland geregistreerd motorrijtuig in Nederland feitelijk ter beschikking heeft.

18. Bij constatering van gebruik van de weg met een motorrijtuig waarvoor geen kenteken is opgegeven en de belasting geheel of gedeeltelijk niet is betaald, kan de belasting worden nageheven. Voor de toepassing hiervan wordt een in het buitenland geregistreerd motorrijtuig aangemerkt als een motorrijtuig waarvoor geen kenteken is opgegeven.

19. Het staat vast dat belanghebbende op 2 januari 2025, met een auto met buitenlands kenteken, gebruik heeft gemaakt van de openbare weg in Nederland, zonder dat daarvoor in Nederland motorrijtuigenbelasting is betaald. Dat betekent dat belanghebbende op die datum de feitelijke beschikking over de auto met het buitenlandse kenteken had. Voor naheffing van de MRB is niet vereist dat de auto in Nederland op naam van belanghebbende geregistreerd stond. Belanghebbende is aldus terecht aangemerkt als houder van de auto en de inspecteur was bevoegd om een naheffingsaanslag op te leggen.

20. De na te heffen belasting wordt in beginsel berekend over een tijdvak van twaalf maanden, waarbij het tijdvak eindigt op de dag die voorafgaat aan de dag waarop het gebruik van de weg wordt geconstateerd. Als blijkt dat de auto over een gedeelte van het tijdvak niet aan belanghebbende ter beschikking heeft gestaan, wordt over dat gedeelte geen belasting nageheven.

21. Belanghebbende geeft aan dat hij de auto maar heel kort daadwerkelijk heeft gebruikt. Het ligt op de weg van belanghebbende om te doen blijken dat de auto hem gedurende de rest van de periode niet feitelijk ter beschikking heeft gestaan. Belanghebbende stelt dat de auto tijdelijk in het buitenland is gehuurd. Ter onderbouwing van dit standpunt heeft belanghebbende verschillende stukken overgelegd, waaronder twee huurovereenkomsten, een factuur voor een Audi RS4 op 2 januari 2025 en een stuk dat ziet op een Citroën C1. De rechtbank is van oordeel dat belanghebbende met zijn beperkte toelichting en de overgelegde stukken niet heeft doen blijken dat hij niet de feitelijke beschikking had over de auto. De huurovereenkomsten staan op naam van een derde en gaan over de periode van 22 december 2024 t/m 25 december 2024 en de periode van 27 december 2024 t/m 1 januari 2025, de laatste vermeldt iets over een extra betaling op 2 januari 2025. Deze huurovereenkomsten zeggen niets over de feitelijke terbeschikkingstelling van de auto. Belanghebbende had bovendien op 2 januari 2025 ook de feitelijke beschikking over de auto, terwijl deze op dat moment door anderen gehuurd zou zijn. Het stuk dat gaat over de Citroën C1, ziet niet op het onderhavige voertuig (een Audi RS 4 avant). Voor het overige heeft belanghebbende niets aangevoerd. Belanghebbende heeft daarom niet doen blijken dat de auto hem niet feitelijk ter beschikking heeft gestaan.

22. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de naheffingsaanslag terecht en tot de juiste hoogte is opgelegd.

De boetebeschikking

23. Aangezien de naheffingsaanslag terecht is opgelegd, is er sprake van een verzuim. Op grond van artikel 37 van de Wet MRB gaat het om een verzuim als bedoeld in artikel 67c van de AWR, waarvoor een verzuimboete kan worden opgelegd. Voor het opleggen van een verzuimboete is niet vereist dat sprake is van opzet of grove schuld. Een verzuimboete blijft slechts achterwege indien sprake is van afwezigheid van alle schuld (avas). Hiervan is sprake indien belanghebbende alle in redelijkheid te vergen zorg heeft betracht om te voorkomen dat het verzuim zou worden begaan. Daarvan is naar het oordeel van de rechtbank in dit geval echter geen sprake.

24. Met in achtneming van paragraaf 34, onderdeel twee, van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst (BBBB) kan de inspecteur een boete opleggen van 50% van de nageheven belasting met een minimum van € 50 en een wettelijk maximum van € 5.514. De rechtbank is van oordeel dat de boete van € 584 passend en geboden is.

25. Het beroep met zaaknummer ARN 25/4024 is ongegrond.
Conclusie en gevolgen
26. De beroepen zijn ongegrond. Dat betekent dat de naheffingsaanslag en de boetebeschikking in stand blijven. Belanghebbende krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. L.L. van Benthem, rechter, in aanwezigheid van mr. E.N.N. Hustinx, griffier.

Uitgesproken op 19 augustus 2026.

De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.

griffier

rechter
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.

Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.

Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Dit volgt uit artikel 26, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR).

Zie artikel 14 van de Wet MRB.

Artikel 1, eerste lid, van de Wet MRB.

Artikel 7, eerste lid, aanhef en onderdeel c, van de Wet MRB.

Artikel 34, eerste lid, van de Wet MRB.

Artikel 34, tweede en derde lid, van de Wet MRB.

Artikel 34, eerste lid, van de Wet MRB.

Artikel delen