Menu

Filter op
content
PONT Klimaat

0

ECLI:NL:RBGEL:2026:6502

voorlopige voorziening, Participatiewet, verstrekken bewijsstukken, belangenafweging, voorschot.

Rechtbank Gelderland 24 August 2026

Jurisprudentie – Uitspraken

ECLI:NL:RBGEL:2026:6502 text/xml public 2026-08-24T09:00:13 2026-08-19 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Gelderland 2026-08-19 AWB-26_3792 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Arnhem Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2026:6502 text/html public 2026-08-19T12:03:37 2026-08-24 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBGEL:2026:6502 Rechtbank Gelderland , 19-08-2026 / AWB-26_3792
voorlopige voorziening, Participatiewet, verstrekken bewijsstukken, belangenafweging, voorschot.
RECHTBANK GELDERLAND
Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummer: ARN 26/3792
uitspraak van de voorzieningenrechter van
in de zaak tussen
[verzoeker 1] en [verzoeker 2] , uit [woonplaats] , verzoekers
(gemachtigde: mr. Y. Kurt),

en
college van burgemeester en wethouders van Voorst, het college
(gemachtigden: [gemachtigde 1] en [gemachtigde 2] ).
Samenvatting
1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over het besluit van 23 juli 2026, waarin de aanvraag van verzoekers voor bijstand op grond van de Participatiewet (Pw) is afgewezen. Verzoekers zijn het hier niet mee eens. Zij hebben bezwaar gemaakt en verzoeken om een voorlopige voorziening. Zij voeren daartoe een aantal gronden aan.
1.1.
De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek toe. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
Procesverloop
2. Verzoekers hebben op 21 mei 2026 een aanvraag voor bijstand op grond van de Pw ingediend.
2.1.
Bij bestreden besluit van 23 juli 2026 heeft het college de aanvraag afgewezen, omdat het college het recht op bijstand van verzoekers niet kan vaststellen.
2.2.
Verzoekers hebben hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
2.3.
Het college heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift.
2.4.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 12 augustus 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker, de gemachtigde van verzoekers en de gemachtigden van het college. Verzoekster is niet op de zitting verschenen.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

Is er een spoedeisend belang?

3. Indien tegen een besluit bij de bestuursrechter beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de bestuursrechter, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, kan de voorzieningenrechter van de bestuursrechter die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
3.1.
Tussen partijen is in geschil of er sprake is van een spoedeisend belang bij het treffen van een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter overweegt dat de spoedeisendheid in beginsel is gelegen in de afwijzing van het verzoek om bijstand en ertoe leidt dat verzoekers geen inkomen krijgen van het college. Op de zitting heeft verzoeker toegelicht dat er sprake is van een financiële noodsituatie; er is geen inkomen en er zijn veel schulden. De huur hebben zij kunnen voldoen met de nabetaling van de kinderbijslag en het kindgebonden budget, maar er is geen geld meer voor de kosten van levensonderhoud van verzoekers en hun vijf minderjarige kinderen en de overige noodzakelijke bestaanskosten. Het college heeft een verzoek om een voorschot afgewezen. Het college heeft op de zitting zijn twijfels geuit over de gestelde financiële noodsituatie van verzoekers maar deze twijfel in weerwil van de verklaring van verzoeker en de in het dossier aanwezige stukken naar het oordeel van de voorzieningenrechter onvoldoende onderbouwd. Gelet hierop is de voorzieningenrechter van oordeel dat verzoekers voldoende aannemelijk hebben gemaakt dat er sprake is van een financiële noodsituatie en een spoedeisend belang bij het treffen van een voorlopige voorziening.

Heeft het bezwaar een redelijke kans van slagen?

4. De voorzieningenrechter beoordeelt bij de vraag of zij een voorlopige voorziening zal treffen of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft. Dat kan een reden zijn om het bestreden besluit te schorsen. Om dit te beoordelen beantwoordt zij - aan de hand van de gronden van verzoekers - of het college de aanvraag terecht heeft afgewezen.

5. De voorzieningenrechter overweegt dat het college de aanvraag heeft afgewezen omdat verzoekers een aantal bewijsstukken niet hebben aangeleverd en daarom het inkomen en het vermogen - en daarmee het recht op bijstand - niet is vast te stellen. Het gaat volgens het college om de navolgende bewijsstukken:

afschriften van de gezamenlijke spaarrekening over de periode 21 mei 2026 tot 23 juli 2026;

afschriften van twee zakelijke rekeningen over de periode 21 februari 2026 tot en met 19 mei 2026. Het gaat om de Hongaarse rekening [rekeningnummer 1] en de Amerikaanse rekening [rekeningnummer 2] ;

bewijzen van de verkoop van alle appartementen (verkoopakten);

schuldenoverzichten (bewijzen) van alle schuldeisers waaruit de hoogte van de schuld en de terugbetalingsverplichtingen blijken.

Op de zitting heeft de voorzieningenrechter vastgesteld dat verzoekers de gevraagde stukken, voor zover zij daarover op dit moment kunnen beschikken, aan het college hebben verstrekt. Nu de gevraagde stukken zijn overgelegd, stelt de voorzieningenrechter vast dat daarmee de grondslag van de afwijzing van de aanvraag is achterhaald.

Het college heeft desgevraagd bevestigd dat in bezwaar een heroverweging zal gaan plaatsvinden waarbij aan de hand van de overgelegde (bewijs)stukken zal moeten worden beoordeeld of verzoekers in bijstandsbehoevende omstandigheden verkeren. Voor de voorzieningenrechter is op dit moment echter nog onduidelijk wat de uitkomst daarvan zal zijn. Of het bestreden besluit, waarbij de aanvraag van verzoekers om bijstand is afgewezen, in bezwaar in stand kan blijven is dan ook op dit moment niet te beoordelen.

Belangenafweging

6. Rest de vraag of de voorzieningenrechter onder deze omstandigheden toch een voorlopige voorziening moet treffen. De voorzieningenrechter weegt in dat kader de belangen van verzoekers af tegen die van het college. De belangen van verzoekers zijn er in gelegen dat zij snel over financiële middelen kunnen beschikken waarmee zij in de kosten van levensonderhoud kunnen voorzien. De belangen van het college zijn er in gelegen dat het hier gaat om de uitgave van publiek geld en dat hierop mogelijk geen recht bestaat. De voorzieningenrechter kent in dit geval een zwaarder gewicht toe aan het belang van verzoekers. Verzoekers hebben de zorg en het onderhoud van vijf minderjarige kinderen en verzoekster is – zo bleek op de zitting – zwanger. Niet gebleken is dat zij inkomen hebben. Op zitting heeft verzoeker de saldo’s van de bankrekeningen opgenoemd en daaruit blijkt dat deze nagenoeg nihil zijn. De voorzieningenrechter gaat er daarom vooralsnog van uit dat verzoekers in een acute financiële noodsituatie verkeren. Daar komt bij dat – mochten verzoekers achteraf gezien geen recht op bijstand hebben – het college de betaalde kosten van bijstand kan terugvorderen. Gelet op het vorenstaande acht de voorzieningenrechter het aangewezen om een voorlopige voorziening te treffen.
Conclusie en gevolgen
7. De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe en treft de voorlopige voorziening dat aan verzoekers met ingang van 29 juli 2026 (datum indiening verzoekschrift) bij wijze van voorschot bijstand wordt verstrekt ter hoogte van de gezinsnorm, tot zes weken na bekendmaking van het besluit op bezwaar.
7.1.
De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding te bepalen dat het college het griffierecht aan verzoekers moet vergoeden, nu verzoekers een geslaagd beroep hebben gedaan op betalingsonmacht en zij daarom geen griffierecht hebben hoeven te betalen. Wel ziet de voorzieningenrechter aanleiding te bepalen dat verzoekers een vergoeding krijgen van hun proceskosten. Het college moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend.

Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgen verzoekers een vast bedrag per proceshandeling. Elke proceshandeling heeft een waarde van € 934,-. De gemachtigde is op de zitting aanwezig geweest. De vergoeding bedraagt in totaal € 934,-. Daarnaast krijgen verzoekers de reiskosten (van verzoeker) op basis van het openbaar vervoer (retour) van € 27,20 vergoed.
Beslissing
De voorzieningenrechter:

- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe;

- draagt het college op om aan verzoekers met ingang van 29 juli 2026 bij wijze van voorschot bijstand te verlenen ter hoogte van de gezinsnorm, tot zes weken na de bekendmaking van het besluit op bezwaar;

- veroordeelt het college tot betaling van € 934,- aan proceskosten en € 27,20 aan reiskosten aan verzoekers.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M.C. Schuurman-Kleijberg, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van A. de Wijse-Hageman, griffier, en wordt openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.

griffier

voorzieningenrechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Artikel delen