voorlopige voorziening, griffierecht niet betaald, niet-ontvankelijk
Rechtbank Gelderland 24 August 2026
Jurisprudentie – Uitspraken
ECLI
ECLI:NL:RBGEL:2026:6503
Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
19-08-2026
Datum publicatie
24-08-2026
Zaaknummer
AWB-26_3180
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI:NL:RBGEL:2026:6503text/xmlpublic2026-08-24T09:00:132026-08-19Raad voor de RechtspraaknlRechtbank Gelderland2026-08-19AWB-26_3180UitspraakEerste aanleg - enkelvoudigNLBestuursrecht; SocialezekerheidsrechtRechtspraak.nlhttp://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2026:6503text/htmlpublic2026-08-19T12:11:482026-08-24Raad voor de RechtspraaknlECLI:NL:RBGEL:2026:6503 Rechtbank Gelderland , 19-08-2026 / AWB-26_3180 voorlopige voorziening, griffierecht niet betaald, niet-ontvankelijk
RECHTBANK GELDERLAND Bestuursrecht zaaknummer: ARN 26/3180
uitspraak van de voorzieningenrechter van in de zaak tussen
[verzoeker] , uit [woonplaats] , verzoeker en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Overbetuwe.Samenvatting 1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker tegen het besluit van 7 juli 2026 met betrekking tot een jeugdhulpvoorziening. 1.1. Omdat het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk is, doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk is. Beoordeling door de voorzieningenrechter Toetsingskader
2. Iemand die een verzoek om voorlopige voorziening indient, moet griffierecht betalen. In een zaak als deze is het griffierecht € 54,- per verzoek om een voorlopige voorziening. De griffier van de rechtbank stelt een termijn waarbinnen het griffierecht moet worden betaald. Deze termijn is in een verzoek om een voorlopige voorziening twee weken. Dat betekent in dit verband dat het bedrag binnen die termijn is bijgeschreven op de rekening van de rechtbank of dat het binnen die termijn is betaald op de griffie van de rechtbank. Als het griffierecht niet of niet tijdig wordt betaald, verklaart de voorzieningenrechter het verzoek niet-ontvankelijk. Dat is alleen anders als het niet of niet tijdig betalen van het griffierecht verontschuldigbaar is. De griffier van de rechtbank verstuurt de brief met daarin het verzoek om het griffierecht te betalen in een verzoek om een voorlopige voorziening eenmaal. Het verzoek wordt per aangetekende post verzonden. Heeft verzoeker het griffierecht tijdig betaald?
3. De griffier heeft bij aangetekend verzonden brief van 26 juni 2026 verzoeker in de gelegenheid gesteld het griffierecht te betalen binnen twee weken na dagtekening van die brief. In de brief is ook vermeld dat als het griffierecht niet of niet tijdig wordt betaald er rekening mee moet worden gehouden dat het verzoek niet-ontvankelijk wordt verklaard. Uit informatie van PostNL is gebleken dat de brief op 30 juni 2026 is ontvangen. Verzoeker heeft het griffierecht niet op tijd betaald. Is het niet tijdig betalen verontschuldigbaar?
4. Verzoeker heeft geen reden gegeven voor dit verzuim. Er is dus geen verontschuldiging voor dit verzuim gebleken. Conclusie en gevolgen 5. Het verzoek is daarom kennelijk niet-ontvankelijk. Dat betekent dat de voorzieningenrechter het verzoek niet inhoudelijk beoordeelt. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk. Deze uitspraak is gedaan door mr. J.A. van Schagen, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van A. de Wijse-Hageman, griffier, en wordt openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl. griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open. Dit is geregeld in artikel 8:82 van de Awb in samenhang met artikel 8:41 van de Awb. Dit volgt uit artikel 5.1a van het Procesreglement bestuursrecht. Dit volgt uit artikel 2.5, tweede lid, van het Procesreglement bestuursrecht.