Menu

Filter op
content
PONT Klimaat

0

ECLI:NL:RBGEL:2026:6727

tussenvonnis: Bewijswaardering. Eiseres (slachthuis) niet geslaagd in bewijslevering dat de boer op de hoogte was van dioxineverdenking Galloway koeien. Deskundigenonderzoek naar vraag over hoe (Europese) regelgeving in de branche in de praktijk wordt toegpast en of eiseres (slachthuis) de voedselketeninformatie zelf had moeten controleren of al dan niet mocht blind varen op het door de boer in...

Rechtbank Gelderland 11 September 2026

Jurisprudentie – Uitspraken

ECLI:NL:RBGEL:2026:6727 text/xml public 2026-09-11T09:00:31 2026-08-27 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Gelderland 2026-09-09 C/05/430860 / HA ZA 24-47 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Arnhem Civiel recht; Verbintenissenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2026:6727 text/html public 2026-09-03T14:09:10 2026-09-11 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBGEL:2026:6727 Rechtbank Gelderland , 09-09-2026 / C/05/430860 / HA ZA 24-47
tussenvonnis: Bewijswaardering. Eiseres (slachthuis) niet geslaagd in bewijslevering dat de boer op de hoogte was van dioxineverdenking Galloway koeien. Deskundigenonderzoek naar vraag over hoe (Europese) regelgeving in de branche in de praktijk wordt toegpast en of eiseres (slachthuis) de voedselketeninformatie zelf had moeten controleren of al dan niet mocht blind varen op het door de boer ingevulde IVK-formulier
RECHTBANK Gelderland
Civiel recht

Zittingsplaats Arnhem

Zaaknummer: C/05/430860 / HA ZA 24-47

Vonnis van 9 september 2026

in de zaak van

VION TILBURG B.V.,

gevestigd te Tilburg,

eisende partij,

hierna te noemen: Vion,

advocaat: mr. A.E. van den Heuvel,

tegen
<nr>1</nr> [maatschap] ,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,2. [gedaagde 1],

3. [gedaagde 2],

beiden wonende te [woonplaats] ,

gedaagde partijen,

hierna samen te noemen: de Maatschap,

advocaat: mr. L.J.P. Duijs.
<nr>1</nr>De procedure 1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 26 maart 2025- de akte met producties 33 tot en met 36 van Vion- de akte met productie 20 van de Maatschap- het getuigenverhoor van 4 november 2025- het tegenverhoor van 27 januari 2026

- de conclusie na getuigenverhoor van Vion van 25 februari 2026

- de antwoordconclusie van de Maatschap van 25 maart 2026.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
<nr>2</nr>De verdere beoordeling 2.1.
In het tussenvonnis van 26 maart 2025 is Vion opgedragen te bewijzen dat de Maatschap voorafgaand aan de verkoop aan Vion op de hoogte was van de dioxineverdenking van de twee Galloway runderen en dat deze daardoor niet geschikt waren voor menselijke consumptie, omdat de Maatschap daarover door de vorige eigenaar, [persoon 2] , was geïnformeerd.
2.2.
Vion heeft in dat verband twee schriftelijke verklaringen van mevrouw [persoon 1] van respectievelijk 7 november 2024 (productie 33) en 7 april 2025 (productie 34), een aanvullende schriftelijke verklaring van de heer [persoon 2] van 7 april 2025 (productie 35) en een ongedateerde schriftelijke verklaring van [persoon 3] , de vader van de heer [persoon 2] , (productie 36) in het geding gebracht. Verder heeft Vion de heer [persoon 2] en mevrouw [persoon 1] als getuigen doen horen. In tegenverhoor heeft de Maatschap de heer [gedaagde 1] als getuige doen horen.
2.3.
De heer [persoon 2] heeft als getuige het volgende verklaard:

Het klopt dat ik nog een schriftelijke verklaring heb afgegeven op 7 april 2025. U houdt mij voor dat in die verklaring staat dat mijn vader de runderen van [naam] heeft gekocht. U laat mij productie 9 bij de dagvaarding zien. Dat is een koopovereenkomst van 17 maart 2021. Daarin sta ik als de koper vermeld en [naam] als verkoper. Dat klopt niet. De handtekening op die overeenkomst is niet van mij en ook niet van mijn vader. Ik woonde op 17 maart 2021 ook niet in [woonplaats] maar in Wamel. Ik heb deze koopovereenkomst nooit gezien en ik heb die ook niet aan Vion afgegeven. Mijn vader, [persoon 3] heeft de runderen van [naam] gekocht. Er is daarvan ook een schriftelijke overeenkomst tussen [naam] en mijn vader. Ik weet niet zeker of de verkoopdatum 17 maart 2021 was.

In augustus 2022 heb ik de woning en dieren van mijn vader overgenomen. Het waren meerdere dieren; een koppel schapen en drie koeien. Die koeien waren de twee runderen en het kalf waar het hier over gaat. Mijn vader is destijds elders gaan wonen. Mijn vader was van beroep docent en de dieren waren hobbydieren. Ook van mij waren het hobbydieren.

Mijn vrouw en ik hebben een koppel paarden van Wamel naar [woonplaats] meegenomen. De koeien stonden steeds in de tuin en daar wilden we vanaf. We wilden verder met alleen de paarden en de schapen. Toen hebben we de koeien en het kalf te koop gezet op Marktplaats. In de advertentie stond: Galloway koeien te koop. Ik weet niet hoe dat verder precies gaat, want het was het account van mijn vrouw. Ik denk dat in de advertentie ook stond dat wij benaderd konden worden voor vragen. Er stond geen vraagprijs in de advertentie.

Mijn vader had mij verteld dat de dieren niet geschikt waren voor de slacht. En dat staat ook op de stallijst. Met de stallijst bedoel ik het Registratiesysteem. Dat is de I&R. In de advertentie op Marktplaats stond niet dat de koeien niet geschikt waren voor de slacht. Ik heb geen idee waarom niet. Ik denk dat de advertentie eind september/begin oktober 2022 op Marktplaats stond. Ik weet dat niet zeker want wij hebben dat niet meer kunnen achterhalen bij Marktplaats.

Ik denk dat er drie of vier gegadigden waren. In ieder geval één daarvan heeft per sms gereageerd. Aan iedere gegadigde hebben wij gemeld dat de runderen dioxide verdacht waren. Die gegadigden haakten af omdat de RVO niet kon zeggen hoelang de verdenking erop zou zitten. Mijn vader had over die runderen al contact gehad met de RVO met de vraag over hoe lang de verdenking zou duren. Ik heb zelf ook contact met RVO gehad naar aanleiding van de sms van die ene gegadigde. RVO kon geen datum geven wanneer de verdenking ervan af zou gaan en dus ging de koop ook niet door.

[gedaagde 1] was de laatste gegadigde. Hij had eerst 1.400,- euro geboden op Marktplaats en daarna heeft hij telefonisch contact met mij opgenomen. Ik denk dat aan het account van mijn vrouw een telefoonnummer van ons was gekoppeld. Ik heb in ieder geval telefonisch contact met [gedaagde 1] gehad. Ik heb toen verteld dat op de twee oudste runderen een dioxideverdenking zat. [gedaagde 1] zei toen dat hij ze met die verdenking ook wel wilde kopen maar voor een lager bedrag. Dat was 1.000,- euro voor de drie koeien. Ik heb dat bod geaccepteerd. Ik denk dat dat allemaal in het eerste gesprek was. Dat telefoongesprek met [gedaagde 1] heb ik bij mij in de woonkamer gevoerd. Mijn vrouw was daarbij aanwezig. Zij kon horen wat er gezegd werd, want ze zat naast mij. In dat gesprek is ook besproken dat ik de koeien wilde verkopen omdat ik ze niet in mijn tuin wilde hebben. Ik weet niet zeker of [gedaagde 1] gezegd heeft wat hij met de dieren van plan was. Ik veronderstel fokken maar weet niet of hij dat zo gezegd heeft. Kort na dat telefoongesprek waarin de koop is gesloten heeft [gedaagde 1] de koopprijs betaald op mijn bankrekening. In mijn schriftelijke verklaring staat wanneer dat was. Ik heb dat opgezocht in mijn bankafschriften. Er is ook afgesproken dat de dieren een week later op zaterdag door [gedaagde 1] zouden worden opgehaald.

Voordat de dieren werden opgehaald heb ik nog telefonisch contact met [gedaagde 1] gehad omdat mijn vader het Uniek Bedrijfsnummer nodig had van [gedaagde 1] . De stallijst hangt onder het UBN nummer. Ik heb toen dat UBN nummer van [gedaagde 1] gekregen en aan mijn vader doorgegeven. Daarna kwam [gedaagde 1] op zaterdag de dieren ophalen. [gedaagde 1] heeft de dieren in zijn trailer geladen. Mijn vrouw was daar ook bij. Ik heb aan [gedaagde 1] toen nog een uitdraai uit de I&R meegegeven. Dat is de stallijst waarin stond dat die verdenking op de twee runderen zat.

Daarna is er nog telefonisch contact geweest tussen mijn vader en [gedaagde 1] . Dat ging over het aanmelden door [gedaagde 1] op zijn eigen stallijst. Dat was heel kort na het ophalen van de dieren. Mijn vader heeft dat met [gedaagde 1] afgehandeld. Ik had daar geen bemoeienis mee.

(…)

De gegadigde met wie ik sms contact heb gehad heeft eerst contact gezocht omdat hij geïnteresseerd was in deze dieren om deze af te mesten. Toen ik hem vertelde dat de dioxideverdenking erop zat is die gegadigde gaan uitzoeken hoe lang zo’n verdenking zou duren en heb ik ook zelf contact opgenomen met het RVO om dat na te vragen. Daarna heeft die gegadigde mij de sms gestuurd dat hij ervan af zag. Nadat Vion bij mij op de stoep stond over de problemen heb ik nog contact gehad met die gegadigde van de sms. Ik heb dat sms’je nog.

De volgorde op de dag van het ophalen van de dieren was als volgt. Ik had de dieren in de vangkooi gedaan zoals met [gedaagde 1] was afgesproken. De dieren zijn toen geladen in de trailer en voor het vertrek van [gedaagde 1] heb ik hem het papier overhandigd met de nummer van de dieren en waarop ook stond dat er een dioxideverdenking was.

(…)

Toen Vion bij mij op de stoep stond hebben zij geen stukken meegenomen. Ik was destijds niet thuis en ben gebeld door een buurman. Daarna ben ik telefonisch benaderd door Vion. Ook zijn er wel wat email wisselingen tussen mij en Vion geweest.

U vraagt mij naar de koopovereenkomst met [naam] . De handtekening van mijn vader ziet er anders uit dan de handtekening op die overeenkomst. Mijn vader noemt zich [persoon 3] maar hij tekent nooit met [persoon 3]

Het telefoongesprek met [gedaagde 1] over de verkoop heeft volgens mij in de middag/avond plaatsgevonden maar dat weet ik niet zeker. Ik weet niet wat voor een weer het toen was.

Mijn vrouw was niet aanwezig bij de telefoongesprekken met de andere gegadigden. Ik weet niet of ze bij de telefoongesprekken met alle gegadigden niet aanwezig was. Ze was wel aanwezig bij het telefoongesprek met [gedaagde 1] . Dat gesprek heeft naar mijn schatting ongeveer 10 minuten geduurd.

Toen [gedaagde 1] de koeien ophaalde reed hij in een Volvo sedan. Ik denk een groene. Het was ’s middags en mooi weer.

Ik had geen toegang tot de I&R want dat was nog op naam van mijn vader. Ik had een uitdraai van mijn vader gekregen van het I&R, volgens mij in de week voor het ophalen van de dieren. Ik heb de uitdraai gegevens meegegeven omdat er een verdenking op de dieren zat.

Ik weet niet welke prijs mijn vader destijds voor de dieren heeft betaald.

Mijn vader heeft ook contact met het RVO gehad over de vraag wanneer de dioxideverdenking op de dieren vervallen zou zijn.

Productie 36 van Vion is een notitie van mijn vader. Ik denk dat deze is opgemaakt naar aanleiding van vragen van Vion. Dat zou dan in december 2022 zijn geweest. Het is maar 1 A4’tje.
2.4.
Mevrouw [persoon 1] heeft als getuige het volgende verklaard:

Wij hebben de woning van mijn schoonouders overgenomen en mijn schoonvader had die drie koeien. Het waren twee koeien en een kalfje. Dat speelde in juli/augustus 2022. We wilden die koeien verkopen want ze braken ’s nachts uit en verder deden we er niets mee. Ik heb toen een advertentie voor Marktplaats opgesteld. Daarin stond: drie Galloway koeien te koop met foto’s erbij. Ik weet niet meer of het telefoonnummer van mijn man in de advertentie stond of dat gegadigden mij een bericht stuurden via Markplaats en ik dan het nummer van mijn man doorgaf. In de advertentie stond geen koopprijs. Wij wisten toen al wel dat er een dioxineverdenking op de dieren zat. Dat had mijn schoonvader verteld en hij had ook gezegd dat we dat moesten vermelden als we de dieren zouden verkopen. Dat die dioxineverdenking bestond heb ik niet in de advertentie gezet. Ik heb geen idee waarom niet. Ik weet ook niet meer wanneer de advertentie is geplaatst. Er was een aantal geïnteresseerden en die hebben met mijn man gebeld. Ik was niet altijd bij die telefoongesprekken aanwezig. Ik weet niet hoeveel gegadigden er waren. Mijn man vertelde aan de gegadigden van de dioxineverdenking en de meeste gegadigden wilden daar niet aan beginnen. Er was een gegadigde die nog wilde nadenken en met iemand overleggen maar die deed het ook niet zolang er een verdenking op zat. Ik heb dat van mijn man gehoord.

In die tijd kregen we een bod van [gedaagde 1] van 1.400 euro. Dat was een bieding op Marktplaats en ik kreeg dat in mijn berichten binnen. Ik denk dat ik toen het telefoonnummer van mijn man aan [gedaagde 1] heb doorgegeven. Er is een telefoongesprek tussen mijn man en [gedaagde 1] . Ik weet niet wie wie heeft gebeld. Ik was bij dat telefoongesprek aanwezig. Mijn man en ik waren toen in de slaapkamer. Ik weet niet hoe laat het was maar ik was ook aanwezig in de slaapkamer. Ik kon het gesprek met [gedaagde 1] horen want mijn man had de telefoon op luidspreker gezet. Ik weet niet waarom hij dat had gedaan maar ik denk omdat [gedaagde 1] de eerste serieuze koper was. In dat telefoongesprek heeft mijn man tegen [gedaagde 1] gezegd dat de koeien dioxineverdacht waren. [gedaagde 1] vond dat geen probleem maar wilde dan wel minder betalen. Ik weet niet of in dat gesprek gezegd is waarom wij de koeien weg deden. Ik kan me dat niet herinneren. Ik weet het niet zeker maar ik dacht dat [gedaagde 1] zei dat hij ook een koppeltje van die koeien had en dat hij met de dieren wilde gaan fokken. [gedaagde 1] wilde nog 1.000 euro bieden. Dat hebben wij geaccepteerd. Ik denk dat toen ook de afspraak is gemaakt om de dieren op te halen. Dat weet ik niet meer.

[gedaagde 1] heeft de dieren opgehaald. Ik denk dat dat op een zaterdagmiddag was. Het was met een vee-trailer. Wij hadden de dieren al in een vangkooi gedaan en vanuit die vangkooi gingen zij in de trailer. Voordat de dieren de trailer ingingen heeft mijn man papieren aan [gedaagde 1] meegegeven. Dat was een uitdraai van het I&R. Ik heb die papieren zelf gelezen en mijn schoonvader had nadrukkelijk gezegd dat we die moesten meegeven. Op die papieren was te zien dat de koeien dioxineverdacht waren. Toen de dieren in de trailer zaten is [gedaagde 1] gelijk weggereden. Ik weet niet wat voor een auto [gedaagde 1] had. Dit was mijn laatste contact met [gedaagde 1] . Ik heb geen contact met mevrouw [gedaagde 1] gehad. Volgens mij heeft [gedaagde 1] nog wel met mijn man gebeld maar ik was daar niet bij. Dat was volgens mij toen bij Vion aan het licht was gekomen dat de koeien waren geslacht. Volgens mij verweet [gedaagde 1] ons dat wij niets zouden hebben gezegd over de dioxineverdenking.

(…)

Ik heb bij het ophalen van de dieren gezien dat mijn man het formulier aan [gedaagde 1] heeft gegeven. Ik stond daar vlakbij. Er is toen ook door mijn man gemeld dat op die papieren de dioxineverdenking vermeld was.

U vraagt mij wat ik nog weet over het telefoongesprek tussen mijn man en [gedaagde 1] na de ontdekking door Vion. Ik weet daar niet veel van want ik was er niet bij. Ik herinner mij wel dat mijn man geëmotioneerd en boos was door dat gesprek omdat [gedaagde 1] hem had beschuldigd van het niet meedelen van de dioxineverdenking.

(…)

Mijn Marktplaats account is gekoppeld aan mijn email adres. U vraagt mij waarom ik mijn verklaring van 7 november 2024 (productie 33) vanaf het email adres van mijn man heb gestuurd. Ik heb geen idee.

Bij het ophalen van de dieren waren alleen mijn man, ik en [gedaagde 1] aanwezig. U vraagt mij wat het weer toen was. Ik denk dat het toen droog was.
2.5.
De heer [gedaagde 1] heeft als getuige het volgende verklaard:

Medio september 2022 heb ik de advertentie van de koeien op Marktplaats gezien. Er werden twee koeien en een kalf aangeboden. Ik kocht wel vaker koeien op Marktplaats. In de advertentie stond dat er drie Galloways te koop waren. Verder stond er niets bij. Wel zaten er foto’s bij de advertentie. Ik heb toen een bod gedaan van € 1400,00 via het antwoorden op de advertentie. Dan kunnen anderen mijn bod niet zien, maar alleen de verkoper kan dat zien.

Ongeveer drie of vier weken later, werd er gereageerd op mijn bod. Dat was telefonisch door de heer [persoon 2] . Ik was verwonderd dat hij na drie of vier weken nog belde. Mijn haren gingen daarvan overeind staan, want de kans om te verkopen is na zo’n tijd wel minder. Daarom heb ik een lager bod uitgebracht. Ik kon in het telefoongesprek merken dat [persoon 2] graag van de koeien af wilde. Dat kon ik horen aan de toon. Gevoelsmatig voel je dat. Ik heb op basis van de foto’s bij de advertentie mijn bod uitgebracht. Dan kan het meevallen of tegenvallen. Pas als je de dieren in het echt ziet, weet je wat je gekocht hebt. Ik heb toen € 1000,00 geboden voor de drie dieren. Ik denk dat dit telefoongesprek met [persoon 2] op de dinsdag of de woensdag was voordat ik de dieren heb opgehaald. Ik heb ze op zaterdag 29 oktober opgehaald, dus vanaf die datum moet je dan terugtellen. Ik weet niet meer wat er woordelijk is gezegd in het telefoongesprek. Ik heb mijn bod gedaan en toen zei [persoon 2] : haal ze maar op, het liefst zo gauw mogelijk.

U vraagt mij of [persoon 2] heeft gezegd waarom hij de dieren wilde verkopen. Hij heeft gezegd dat ze nog niet zo lang daar woonden, en dat ze wilden gaan verbouwen. Ze wilden van de koeien af. Volgens mij zijn het meer paardenmensen. Er is niet gesproken over waarvoor ik de dieren zou gaan gebruiken. Ik weet van te voren ook nooit 100% zeker wat ik ermee ga doen. Ik wilde ze eerst thuis hebben om te kijken of ze mak waren. Meestal koop ik ze voor de dood. Daarmee bedoel ik voor de slacht.

In het telefoongesprek heeft [persoon 2] niets gezegd over een dioxineverdenking. Als hij dat wel had gezegd, zou ik de dieren niet hebben gekocht, want dan kan je er niets mee.

Ik heb lager geboden dan mijn eerste bod, omdat er al drie of vier weken voorbij waren. ‘Dan is het beleg van je boterham’. Daarmee bedoel ik dat er dan minder wordt geboden, als ze al dan zo lang te koop staan.

Ik denk dat ik dezelfde middag als waarop het telefoongesprek plaatsvond, de koeien heb betaald via de bank. Ik had in het telefoongesprek het bankrekeningnummer van [persoon 2] gevraagd.

U vraagt mij of ik daarna nog contact met [persoon 2] heb gehad. [persoon 2] heeft in het getuigenverhoor gezegd dat zij een sms naar mij hebben gestuurd. Ik weet dat niet, want ik kan een sms niet openen. Ik heb een bejaardentelefoon en ik weet niet hoe het werkt met sms.

In het telefoongesprek met [persoon 2] waarin de koop is gesloten, is ook al afgesproken dat ik de dieren op zaterdag zou ophalen. Volgens mij om 15:00 uur. Ik heb geen contact gehad met [persoon 2] tussen het telefoongesprek en het ophalen van de dieren.

Toen ik de dieren ging ophalen, was de A15 afgesloten. Ik ben toen weer naar huis gegaan, en uiteindelijk binnendoor naar het adres van [persoon 2] gegaan. Ik kwam daar ongeveer anderhalf uur later dan was afgesproken. Ik denk om een uur of 16:00. Ik kwam met een auto met aanhanger. Ik kon het adres eerst niet goed vinden. Het was bij een rotonde en die heb ik een paar keer rondgereden. Toen stond er iemand te zwaaien en dat was [persoon 2] . Hij zei dat ik achter hem aan moest rijden. De koeien stonden al in een vangkooi. Dat was ook zo afgesproken. De koeien gingen vanuit de vangkooi in mijn aanhanger. Dat ging redelijk snel. Ik heb toen de klep dichtgedaan. Ik wilde toen in de auto stappen, maar [persoon 2] zei dat hij nog mijn UBN-nummer moest hebben om de koeien af te melden. Ik heb mijn UBN-nummer toen gegeven, want dat ken ik uit mijn hoofd. Volgens mij heeft [persoon 2] dat in zijn telefoon opgeslagen. Toen kwamen er twee vrouwen aangelopen met een wortel. Ik denk om de koeien in de aanhanger te lokken, maar dat hoefde dus niet meer. Daarna ben ik weggereden. Die vrouwen hebben die wortel nog achterin de aanhanger gegooid.

Ik heb geen papieren meegekregen van [persoon 2] .

Toen ik thuiskwam, ben ik eerst mijn vee gaan voeren en heb ik de koeien nog in de aanhanger laten staan. Later heb ik samen met mijn vrouw de nummers van de koeien opgeschreven. Die nummers staan op een label in het oor. Dat zijn negen cijfers, en die zijn nodig om de dieren aan te melden bij het RVO. Diezelfde avond zijn alle drie de koeien aangemeld. Dat heeft mijn vrouw gedaan via de computer. Ik weet niet hoe dat moet.

Daarna heeft [persoon 2] mij nog gebeld. Ik denk dat dat maandagmorgen was. Volgens hem waren de koeien nog niet aangemeld. Dat was de [persoon 2] die ik al had gesproken, niet zijn vader. Ik heb gezegd dat ik de koeien al had aangemeld. Ik heb verder niets meer gedaan en ik heb ook niets meer gehoord van [persoon 2] .

(…)

Ik had mijn telefoonnummer erbij gezet toen ik antwoordde op de advertentie op Marktplaats. Zo kon [persoon 2] mij dus bereiken.

(…)

Mijn telefoonnummer is [telefoonnummer] . U vraagt mij of we ook een vast telefoonnummer hebben. Ja, dat hebben we, maar dat gebruik ik nooit meer. (…). Dat zijn de nummers die ik ken. Mijn vrouw heeft ook nog een mobielnummer, maar dat gebruikt zij alleen.
2.6.
In de conclusie na getuigenverhoor heeft Vion een screenshot opgenomen van een sms-bericht aan [persoon 2] , gedateerd op 15 oktober 2022, van een gegadigde die op de advertentie op Marktplaats had gereageerd, met de volgende inhoud:

Ik had u vanmiddag aan de telefoon over de koeien, zolang er een blokkade op zit word me aangeraden om ze niet te kopen. als dit niet meer het geval is zou ik het graag horen. Gr
2.7.
Vion meent dat zij is geslaagd in de bewijslevering. De Maatschap meent dat Vion daarin niet is geslaagd.
2.8.
Voormelde getuigenverklaring van [persoon 2] komt in grote lijnen overeen met zijn verklaring in zijn e-mailbericht van 7 december 2022 aan Vion (productie 10 bij dagvaarding) en zijn aanvullende schriftelijke verklaring van 7 april 2025 (productie 35), behoudens het volgende. In de verklaring van 7 december 2022 vermeldt hij niet dat zijn vrouw aanwezig was bij het telefoongesprek met de heer [gedaagde 1] , waarin de koop werd gesloten, en bij het ophalen van de runderen door de heer [gedaagde 1] . Pas in de aanvullende schriftelijke verklaring van 7 april 2025 en in de getuigenverklaring van 4 november 2025 verklaart hij dat zijn vrouw bij het telefoongesprek met de heer [gedaagde 1] aanwezig was en ook bij het ophalen van de runderen. In de verklaring van 7 december 2022 vermeldt hij verder dat hij bij het ophalen van de runderen met de heer [gedaagde 1] heeft besproken dat de runderen dioxineverdacht waren en dat hij dat heeft aangetoond met behulp van een I&R uitdraai waarop dit was vermeld en dat hij die uitdraai aan de heer [gedaagde 1] heeft meegegeven.

In de aanvullende verklaring van 7 april 2025 en de getuigenverklaring van 4 november 2025 verklaart hij dat hij bij het ophalen van de runderen een I&R uitdraai heeft meegegeven aan de heer [gedaagde 1] en verklaart hij niet dat hij de dioxineverdenking toen nog heeft besproken met de heer [gedaagde 1] .

De verklaringen van [persoon 2] zijn dus niet geheel consistent.
2.9.
Voormelde getuigenverklaring van [persoon 1] komt eveneens in grote lijnen overeen met hetgeen zij eerder heeft verklaard in haar e-mailbericht van 7 november 2024 aan mr. van den Heuvel (productie 33) en haar aanvullende schriftelijk verklaring van 7 april 2025 (productie 34), behoudens het volgende. In de verklaring van 7 november 2024 verklaart zij dat “bij de telefoongesprekken die vooraf telefonisch zijn gevoerd waren wij samen bij” en dat zij niet meer weet of zij “het bij het ophalen van de dieren daadwerkelijk nog over de dioxide verdenking hebben gehad”, maar verklaart zij wel dat haar man bij het ophalen van de dieren de papieren van de I&R heeft overhandigd. In de aanvullende schriftelijke verklaring van 7 april 2025 verklaart zij dat zij bij het telefoongesprek tussen haar man en de heer [gedaagde 1] aanwezig was, maar dat zij niet meer weet of de telefoon op speaker stond of dat zij op een andere heeft meegeluisterd, maar dat zij “in elk geval zowel [haar man] als [gedaagde 1] kon horen” en dat zij “bij het ophalen van de koeien aanwezig was” en “heeft gezien dat [haar man] de uitdraaien uit het I&R aan de heer [gedaagde 1] heeft meegegeven”. In de getuigenverklaring van 4 november 2025 verklaart zij dat zij bij het telefoongesprek tussen haar man en de heer [gedaagde 1] aanwezig was en dat zij het gesprek met de heer [gedaagde 1] kon horen omdat haar man de telefoon op luidspreker had gezet. Toen heeft zij ook verklaard dat haar man bij het ophalen van de dieren de uitdraai van het I&R aan de heer [gedaagde 1] heeft meegegeven en dat haar man toen ook heeft gemeld dat “op die papieren de dioxineverdenking vermeld was”.

De verklaringen van [persoon 1] zijn dus niet geheel consistent. Opvallend is dat de verklaringen van [persoon 1] naarmate de tijd vordert, steeds stelliger worden.
2.10.
De getuigenverklaringen van [persoon 2] en [persoon 1] komen niet met elkaar overeen ten aanzien van de plaats waar het telefoongesprek met de heer [gedaagde 1] heeft plaatsgevonden en op welke wijze [persoon 1] dat gesprek kon horen. [persoon 2] verklaart immers dat het telefoongesprek met [gedaagde 1] in de woonkamer heeft plaatsgevonden en dat zijn vrouw toen naast hem zat en [persoon 1] verklaart dat dat telefoongesprek in de slaapkamer heeft plaatsgevonden en dat haar man zijn telefoon op de speaker had gezet. Ook zijn de getuigenverklaringen niet geheel consistent op het punt wanneer de I&R-papieren aan de heer [gedaagde 1] zijn overhandigd bij het ophalen van de runderen. [persoon 2] verklaart over de volgorde immers dat de runderen eerst vanuit de vangkooi in de trailer zijn geladen en dat hij daarna voor het vertrek van de heer [gedaagde 1] de papieren aan hem heeft overhandigd en [persoon 1] verklaart dat haar man de papieren aan de heer [gedaagde 1] heeft overhandigd voordat de runderen vanuit de vangkooi de trailer ingingen en dat de heer [gedaagde 1] gelijk is weggereden toen de dieren in de trailer zaten.
2.11.
De getuigenverklaringen van [persoon 2] en [persoon 1] worden tegengesproken door de getuigenverklaring van [gedaagde 1] . Zo komen de verklaringen niet overeen ten aanzien van (i) hoeveel tijd er zat tussen het eerste bod van [gedaagde 1] van € 1.400,00 en het telefoongesprek waarin de koop is gesloten voor een bedrag van € 1.000,00, (ii) of de dioxineverdenking in het telefoongesprek met [gedaagde 1] wel of niet is gemeld door [persoon 2] , (iii) of er tussen het telefoongesprek en het ophalen van de runderen nog telefonisch contact is geweest tussen [persoon 2] en [gedaagde 1] , (iv) wie er op welk moment aanwezig was bij het ophalen van de runderen, (v) of bij het ophalen van de runderen door [persoon 2] I&R-papieren zijn meegegeven aan [gedaagde 1] en (vi) of na het ophalen van de dieren nog telefonisch contact is geweest tussen [gedaagde 1] en de vader van [persoon 2] .
2.12.
Verder is onduidelijk wanneer de ongedateerde schriftelijke verklaring door [persoon 3] , de vader van [persoon 2] , (productie 36) is afgelegd en ten behoeve van wie. [persoon 2] verklaart dat deze verklaring waarschijnlijk is opgesteld naar aanleiding van vragen van Vion en in de conclusie na getuigenverhoor stelt Vion dat het een kopie is uit een aantekeningenboekje van vader. Dat laatste bevreemdt omdat op de verklaring is vermeld “M. vr. gr. [persoon 3] (…)”. Bovendien heeft [gedaagde 1] verklaard dat hij de vader niet telefonisch heeft gesproken en dat hij alleen [persoon 2] nog na het ophalen van de runderen telefonisch heeft gesproken omdat volgens hem, [persoon 2] , de runderen nog niet waren aangemeld bij het RVO.

Vion erkent dat de verklaring van [persoon 3] dat de dioxineverdenking bij de verkoop door zijn zoon aan [gedaagde 1] is meegedeeld een verklaring van horen zeggen is en dat de vader dat dus niet uit eigen waarneming kan verklaren.
2.13.
De rechtbank constateert dat de verklaring van [persoon 2] slechts gedeeltelijk wordt ondersteund door de verklaring van zijn vrouw [persoon 1] en op tamelijk cruciale punten daarvan afwijkt ten aan zien van (i) de plaats waar het telefoongesprek met de heer [gedaagde 1] heeft plaatsgevonden en hoe [persoon 1] de inhoud van dat gesprek heeft kunnen waarnemen, en (ii) wanneer de I&R-papieren aan de heer [gedaagde 1] zijn overhandigd. Dat maakt dat aan de verklaring van [persoon 1] slechts beperkte ondersteunende waarde kan worden toegekend. Daarbij komt dat [persoon 2] en zijn vrouw niet twee afzonderlijke, onafhankelijke derden zijn die geen enkel belang hebben bij het afleggen van hun getuigenverklaringen. Zij zijn immers een echtpaar en indien het zo zou zijn dat zij de heer [gedaagde 1] niet hebben meegedeeld dat de runderen dioxineverdacht waren en hem geen I&R- papieren hebben overhandigd, zou dat mogelijk gevolgen voor hen kunnen hebben. Zij hebben dus, evenals [gedaagde 1] , belang erbij om te verklaren zoals zij hebben gedaan.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat de verklaringen van [persoon 2] en [persoon 1] niet afzonderlijk meetellen in de bewijslevering. Dat betekent dat hun verklaringen tegenover de verklaring van [gedaagde 1] blijven staan. Partijen betogen allebei dat aan de verklaringen van de ene getuige meer waarde moet worden gehecht dan aan de getuigenverklaring van de andere(n) en maken daartoe allerlei gevolgtrekkingen die dat zouden staven, maar naar het oordeel van de rechtbank is er onvoldoende reden om aan de verklaringen van [persoon 2] en [persoon 1] meer gewicht toe te kennen dan aan de verklaring van [gedaagde 1] . Daarbij heeft de rechtbank mede rekening gehouden met het feit dat ook de afzonderlijke verklaringen van [persoon 2] en [persoon 1] niet geheel consistent zijn en dat de vader van [persoon 2] zijn verklaring slechts van horen zeggen heeft. Daarbij komt dat ook vraagtekens gezet kunnen worden bij de authenticiteit van de koopovereenkomst tussen [naam] Natuurbegrazing en [persoon 3] van 17 maart 2021 (productie 9 bij dagvaarding), aangezien [persoon 2] uitdrukkelijk heeft verklaard dat niet hij maar zijn vader de koopovereenkomst met [naam] Natuurbegrazing heeft gesloten, dat zijn vader nooit ondertekent met [persoon 3] en dat de handtekening op die overeenkomst niet van zijn vader en ook niet van hem is. De getuigenverklaringen aan de zijde van Vion overtuigen daarom niet. Het hiervoor onder 2.6 vermelde sms-bericht maakt dat niet anders. Weliswaar kan daaruit worden afgeleid dat die gegadigde wel op de hoogte was van ‘de blokkade’ op de koeien, maar daaruit kan niet worden afgeleid dat dat door [persoon 2] aan hem is meegedeeld en ook niet dat [persoon 2] [gedaagde 1] op de hoogte heeft gesteld van die blokkade.
2.14.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat Vion niet is geslaagd in de haar opgedragen bewijslevering, zodat niet is komen vast te staan dat de Maatschap voorafgaand aan de verkoop aan Vion op de hoogte was van de dioxineverdenking van de twee Galloway runderen en dat deze daardoor niet geschikt waren voor menselijke consumptie, omdat de Maatschap daarover door de vorige eigenaar, [persoon 2] , was geïnformeerd.
2.15.
Dat betekent dat, zoals is overwogen in 5.11 van het tussenvonnis van 26 maart 2025, wordt toegekomen aan het voornemen van de rechtbank om zich nader te laten voorlichten door een deskundige over de vraag hoe de (Europese) regelgeving in de branche in de praktijk wordt toegepast, met name op het punt of Vion de voedselketeninformatie zelf had moeten controleren, bijvoorbeeld door het zelf raadplegen van het I&R, en niet ‘blind’ mocht varen op het door de Maatschap ingevulde IVK-formulier.
2.16.
Voordat daartoe wordt overgegaan, zal de rechtbank partijen in de gelegenheid stellen zich uit te laten over:

- het aantal en het specialisme van de te benoemen deskundige(n);

- de aan de deskundige(n) voor te leggen vragen.
2.17.
De rechtbank is voorlopig van oordeel dat kan worden volstaan met de benoeming van één deskundige, bijvoorbeeld een deskundige die is verbonden aan het NVWA. De rechtbank ziet geen aanleiding om af te wijken van het uitgangspunt in de wet dat het voorschot op de kosten van de deskundige(n) door de eisende partij moet worden betaald. Dit voorschot moet daarom door Vion worden betaald.
2.18.
In het eindvonnis zal de rechtbank beslissen wie van partijen uiteindelijk de kosten van de deskundige(n) moet betalen.
2.19.
De rechtbank gaat ervan uit dat partijen in onderling overleg overeenstemming bereiken over de persoon die als deskundige gaat optreden. Voor zover partijen daarover geen overeenstemming kunnen bereiken en om die reden iedere partij een deskundige voorstelt, moeten partijen gemotiveerd aangeven waarom zij de voorkeur geven aan de door henzelf voorgestelde deskundige en waarom de door de wederpartij voorgestelde deskundige niet voor benoeming in aanmerking mag komen. Daarbij valt te denken aan zwaarwegende redenen als gebrek aan deskundigheid of gerechtvaardigde twijfels met betrekking tot de onpartijdigheid van de deskundige. Die zwaarwegende redenen moeten worden onderbouwd. De rechtbank zal dan, na weging van de onderbouwing vóór en tegen de benoeming van een potentiële deskundige, een door partijen aangedragen deskundige of een eigen deskundige benoemen.
2.20.
De rechtbank zal de zaak naar de rol verwijzen, zodat partijen zich hierover bij akte kunnen uitlaten. Partijen moeten de concept-akte uiterlijk een week vóór de roldatum naar elkaar toesturen, zodat zij in hun definitieve akte op de akte van de wederpartij kunnen reageren.
2.21.
Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.
<nr>3</nr>De beslissing
De rechtbank
3.1.
bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van woensdag 7 oktober 2026 om beide partijen in de gelegenheid te stellen een akte in te dienen waarin zij zich uitlaten over het aangekondigde deskundigenbericht,
3.2.
bepaalt dat partijen elkaar uiterlijk een week vóór de genoemde roldatum de concept-akte moeten toesturen, zodat zij ieder in hun eigen akte nog kunnen reageren op de standpunten van de wederpartij,
3.3.
houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. S.J. Peerdeman en in het openbaar uitgesproken op 9 september 2026.

!NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR HANDTEKENING SECRETARIS!

!NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR HANDTEKENING RECHTER!

!NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR STEMPELS!

592

Artikel delen